------------------------Karaktervorming Ka 7 1 Voorwoord van de Uitgevers Ka 11 0 Hoofdstuk 1--Bron en doel van de ware opvoeding Ka 17 0 Hoofdstuk 2--De school in het Paradijs Ka 22 0 Hoofdstuk 3--De kennis van goed en kwaad Ka 27 0 Hoofdstuk 4--Verhouding van de karaktervorming tot de verlossing Ka 33 0 Hoofdstuk 5--De opvoeding van Israël Ka 44 0 Hoofdstuk 6--De scholen der profeten Ka 50 0 Hoofdstuk 7--Uit het leven van grote mannen Ka 71 0 Hoofdstuk 8--De door God gezonden Leraar Ka 82 0 Hoofdstuk 9--Een verduidelijking van Zijn methoden Ka 97 0 Hoofdstuk 10--God in de natuur Ka 100 0 Hoofdstuk 11--Levenslessen Ka 110 0 Hoofdstuk 12--Andere gelijkenissen Ka 119 0 Hoofdstuk 13--Verstandelijke en geestelijke vorming Ka 124 0 Hoofdstuk 14--Bijbel en wetenschap Ka 131 0 Hoofdstuk 15--Beginselen en methoden in het zakenleven Ka 141 0 Hoofdstuk 16--Bijbelse levensbeschrijvingen Ka 155 0 Hoofdstuk 17--Dichtkunst en lied Ka 166 0 Hoofdstuk 18--Verborgenheden van de Bijbel Ka 172 0 Hoofdstuk 19--Geschiedenis en profetie Ka 183 0 Hoofdstuk 20--Bijbelonderricht en bijbelstudie Ka 193 0 Hoofdstuk 21--Studie der Fysiologie Ka 199 0 Hoofdstuk 22--Matigheid en dieetleer Ka 204 0 Hoofdstuk 23--Ontspanning Ka 211 0 Hoofdstuk 24--Opleiding tot handenarbeid Ka 223 0 Hoofdstuk 25--Opvoeding en karakter Ka 228 0 Hoofdstuk 26--Onderwijsmethoden Ka 239 0 Hoofdstuk 27--Gedrag Ka 244 0 Hoofdstuk 28--Verband tussen kleding en opvoeding Ka 248 0 Hoofdstuk 29--De Sabbat Ka 253 0 Hoofdstuk 30--Geloof en gebed Ka 261 0 Hoofdstuk 31--De levenstaak Ka 273 0 Hoofdstuk 32--De voorbereiding Ka 280 0 Hoofdstuk 33--Samenwerking Ka 284 0 Hoofdstuk 34--Tucht Ka 297 0 Hoofdstuk 35--De school van het hiernamaals ------------------------Voorwoord van de Uitgevers Ka 7 1 In deze tijd van vooruitgang en ontwikkeling, waarin haast alle wetenschappelijke verhandelingen snel verouderen, zou men geneigd zijn te denken dat een boek als dit, dat tegen het einde van de vorige eeuw geschreven werd, al lang uit de tijd zou zijn. Ka 7 2 Niets is minder waar. Zo er op het gebied van opvoeding en karakter-vorming één boek is dat blijvende waarde heeft, dan is het wel het uitnemende werk van Mevrouw White: "Education", dat in de Nederlandse taal verschijnt onder de titel: "Karaktervorming". Het zou niet verstandig zijn, dit standaardwerk als ouderwets te beschouwen omdat het een aantal decennia geleden verscheen. Waarom niet? Ka 7 3 Het eenvoudige antwoord is: Omdat de beginselen die aan opvoeding en karaktervorming ten grondslag liggen, en in dit boek op magistrale wijze naar voren worden gebracht, nog onveranderd van kracht zijn. De eeuwige wetten waarop een gelukkig gezin, een gezonde samenleving en een stralende godsdienst zijn gebaseerd, worden niet omgebogen of teniet gedaan door het begrip tijd. Integendeel, hoe verder de geschiedenis der mensheid voortschrijdt, des te duidelijker worden ze merkbaar. Ja, als een gigantisch bouwwerk, waarvan in de nevel der tijden de omtrekken slechts vaag zichtbaar zijn, maar dat in het licht van heden zich in al zijn glorie en proporties aan ons voordoet, maken zij zich heden ten dage kenbaar. Gezegend diegenen die zijn leven naar deze normen richt! Ka 7 4 Het zal de aandachtige lezer niet ontgaan, dat verschillende uitdrukkingen en voorbeelden gegeven zijn naar gebruiken uit de vorige eeuw. De kern, de waarheid waar het om gaat, blijft echter steeds dezelfde. Ook liet de schrijfster haar blikken gaan over de gehele wereld. Hieruit volgt, dat, zij het in heel sporadische gevallen, sommige toestanden die in het boek beschreven worden, niet of slechts ten dele van toepassing zijn op ons land nu. Ka 7 5 Samenvattend kan worden gezegd, dat voor allen die naar een hoger doel streven en de scholing hier op aarde beschouwen als de voorbereiding op de hogere scholing hierna, het boek "Karaktervorming" van onschatbare waarde zal blijken. Ka 7 6 Dat dit boek allen die het lezen, dat licht en die zegen moge schenken die het beoogt, is de wens van de Stichting: Boekenhuis "Veritas". Recensie Van Een Hoogleraar Over Dit Boek. Ka 8 1 Onlangs werd mij het boek "Education" (in de Nederlandse vertaling verschenen onder de titel KARAKTERVORMING; vert.) onder de aandacht gebracht. Dit boek, dat ten tijde van de eeuwwisseling geschreven werd, was zijn tijd meer dan vijftig jaar vooruit. Ik was verbaasd te vernemen dat het geschreven was door een vrouw die slechts drie jaar onderwijs had genoten. Ka 8 2 De breedte en de diepte van haar levensbeschouwing deden mij versteld staan. Haar opvatting aangaande een evenwichtige opvoeding, harmonieuze ontwikkeling, en van principieel denken en handelen zijn hogere opvoedkundige opvattingen. Ka 8 3 Het doel het beeld Gods in de mens te herstellen, de lering aangaande de verantwoordelijkheid der ouders, en de nadruk die gelegd wordt op zelfbe-heersing in het kind, zijn idealen waaraan de wereld uitermate behoefte heeft. Mevrouw White voelde zich niet gedrongen, gangbare uitdrukkingen te gebruiken. In feite gebruikte zij het woord leerplan niet in haar geschrift. Maar het boek KARAKTERVORMING handelt in bepaalde gedeelten over belangrijke beginselen van het leerplan. Zij hield zich bezig met de leerling in zijn geheel -- de harmonische ontwikkeling van verstandelijke, lichamelijke en geestelijke krachten. Ka 8 4 Heden ten dage leggen velen de nadruk op de ontwikkeling van het verstand. Maar ontwikkeling van sympathie en gevoel zijn evenzeer belangrijk. In onze veranderende maatschappij is de bekwaamheid om volgens principiële gedachten en in principiële termen te handelen, van uitzonderlijk belang. Juist deze harmonische ontwikkeling is zo zeer nodig, en toch zo algemeen veronachtzaamd in onze dagen. Ka 8 5 Het verwondert mij niet, dat lidmaten van de Advent-Kerk de geschriften van Mevrouw White in hoge ere houden en ze een belangrijke plaats toekennen in het ontvouwen van het opvoedingsplan op hun scholen. FLORENCE STRATEMEYER, Professor of Education, Teachers College, Columbia Universiteit, New York City. Eerste Beginselen Ka 8 6 "Wij allen, die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid." (2 Corinthiërs 3 :18) ------------------------Hoofdstuk 1--Bron en doel van de ware opvoeding Ka 11 0 "Het kennen van de Hoogheilige is verstand." "Gewen u toch aan Hem." Wat is opvoeding? Ka 11 1 Onze zienswijzen ten aanzien van opvoeding zijn te begrensd en staan op een te laag peil. Een bredere blik en een hogere doelstelling zijn alleszins nodig. Een juiste opvoeding houdt meer in dan het volgen van een bepaalde studie. Het betekent meer dan een voorbereiding op het leven van nu. Het heeft te maken met het gehele wezen en met de gehele levensperiode die openstaat voor de mens. Het is de harmonische ontwikkeling van de lichamelijke, de ver-standelijke en de geestelijke krachten. Het opent voor de scholier de weg tot de vreugde van het dienen in deze wereld, en tot de nog verhevener vreugde van het verdere dienen in de toekomstige wereld. Haar oorsprong Ka 11 2 De bron, de oorsprong van een dergelijke opvoeding, wordt ons in de Heilige Schrift in de volgende woorden, die op de Oneindige wijzen, bekend gemaakt. In Hem "zijn verborgen al de schatten der wijsheid" (Col. 2 :3). "Hij heeft raad en doorzicht" (Job 12 : 13). De wereld heeft zijn grote geleerden gehad; mannen met een geweldig verstand en diepgaande kennis door onderzoek verkregen, mannen wier uitspraken de gedachten hebben gestimuleerd en het uitzicht hebben geopend op uitgestrekte gebieden van wetenschap; en deze mannen heeft men geëerd als leiders en weldoeners van hun geslacht; maar daar is er Een Die hoger staat dan zij. Wij kunnen de reeks van de geleerden der wereld zo ver terugvoeren als de geschiedenis der mensheid gaat; maar het Licht was er vóór hen. Zoals de maan en de sterren van ons zonnestelsel schijnen door de weerkaatsing van het licht der zon, zo weerkaatsen de grote denkers der wereld, voor zover tenminste hun leer op waarheid berust, de stralen van de Zon der Gerechtigheid. Elke glimp van een gedachte, elke flits van het verstand, vindt zijn oorsprong in het Licht der wereld. De ware ,,hogere opvoeding" Ka 12 1 In deze dagen wordt er veel gesproken over het wezen en de belangrijkheid van "hogere opvoeding". De ware "hogere opvoeding" is die, welke gegeven wordt door Hem bij Wie "wijsheid en sterkte is" (Job 12 : 13); uit Wiens mond "kennis en verstandigheid komen" (Spreuken 2 :6). Ka 12 2 In een kennen van God hebben alle ware kennis en waarachtige ontwikkeling hun oorsprong. Waarheen wij ons ook wenden, op het gebied van het lichamelijke, het verstandelijke, het geestelijke, in alles wat wij ook aanschouwen, afgezien van de verderfelijke invloed der zonde, wordt deze kennis geopenbaard. Welke lijn van onderzoek wij ook volgen, wij worden, indien dit een oprecht doel beoogt om tot de waarheid te komen, in aanraking gebracht met het onzichtbare, machtige Verstand, dat in en door allen werkt. De geest van de mens wordt in verbinding gebracht met de geest van God, de eindige mens met de oneindige God. De uitwerking van een dergelijke verbinding op lichaam en verstand en ziel is van onschatbare waarde. De opvoeding in het Paradijs Ka 12 3 In deze gemeenschap vindt men de volmaakte opvoeding. Het is Gods methode van karaktervorming. "Gewen u toch aan Hem" (Job 22 :21), luidt Zijn boodschap aan de mensheid. De methode die vervat is in deze woorden, was de methode die gevolgd werd in de opvoeding, de scholing, van de vader van ons geslacht. Toen Adam in de heerlijkheid van zondeloze menselijkheid in het heilige Paradijs verkeerde, werd hij op deze wijze door God onderricht. Om te begrijpen wat opgesloten ligt in het werk der opvoeding, is het nodig dat wij zowel de natuur van de mens als het doel Gods met het scheppen van hem, nader beschouwen. Ook moeten wij de verandering in 's mensen toestand beschouwen, die ontstaan is door het binnentreden van de kennis van het kwaad, en het plan van God, Die Zijn heerlijk doel nog steeds wil bereiken door de opvoeding van het mensdom. Gods doel ten aanzien van de mens Ka 12 4 Toen Adam uit de hand van de Schepper kwam, droeg hij in zijn lichamelijke, verstandelijke en geestelijke natuur een gelijkenis met zijn Maker. "God schiep de mens naar Zijn beeld" (Gen. 1:27), en het was Zijn bedoeling dat, hoe langer de mens leefde, des te sterker hij dit beeld zou openbaren -- des te krachtiger de heerlijkheid van de Schepper weerkaatsen. Al zijn talenten konden zich ontwikkelen; hun omvang en hun kracht zouden aanhoudend toenemen. Groot en omvangrijk was het terrein waarop die vermogens zich konden oefenen; heerlijk het gebied dat open lag voor hun onderzoekingen. De verborgenheden van het zichtbare heelal -- de "wonderwerken van de Volmaakte in kennis" (Job 37:16) nodigden de mens tot onderzoek. Een omgang met zijn Schepper van aangezicht-tot-aangezicht, van hart-tot-hart, was zijn bijzonder voorrecht. Was hij trouw gebleven aan God, dan had hij dit in alle eeuwigheid behouden. Door de eeuwen der eeuwigheid heen zou hij aanhoudend nieuwe schatten van kennis hebben verkregen, nieuwe bronnen van geluk hebben ontdekt en een steeds helderder begrip van de wijsheid, de macht, en de liefde Gods hebben verkregen. Steeds vollediger zou hij aan de bedoeling van zijn schepping hebben beantwoord, steeds meer zou hij de heerlijkheid van de Schepper hebben weerkaatst. Bezoedeld en hersteld Ka 13 1 Maar door ongehoorzaamheid werd dit alles verbeurd. Door de zonde werd de goddelijke gelijkenis bezoedeld en nagenoeg uitgewist, 's Mensen lichaamskrachten werden verzwakt, zijn verstandelijk vermogen werd minder, zijn geestelijk inzicht verduisterd. Hij werd de dood onderworpen. Nochtans werd de mensheid niet zonder hoop gelaten. Dank zij de oneindige liefde en genade was er een verlossingsplan ontworpen en werd de mens in zijn leven een proeftijd toegestaan. Om in de mens het beeld van zijn Maker te herstellen, hem terug te brengen tot de volmaaktheid waarin hij was geschapen, de ontwikkeling van lichaam, verstand en ziel te bevorderen, opdat het goddelijk doel in zijn schepping verwerkelijkt zou worden -- ziedaar het werk der verlossing. Dit is het doel van de opvoeding, het heerlijke doel van het leven. Liefde de basis der opvoeding Ka 13 2 Liefde, de basis van de schepping en van de verlossing, is de basis van de ware opvoeding. Dit wordt ten volle duidelijk in de wet die God heeft gegeven als de gids voor het leven. Het eerste en grote gebod is: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand" (Lucas 10:27). Hem, de Oneindige, de Alwetende, lief te hebben met alle kracht en verstand en hart, houdt in de hoogste ontwikkeling van elk vermogen. Het wil zeggen dat in het gehele wezen -- het lichaam, het verstand en ook de ziel -- het beeld van God hersteld zal worden. Ka 14 1 Even belangrijk als het eerste is ook het tweede gebod: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Matth. 22 :39). De wet der liefde vraagt om de toewijding van lichaam, verstand en ziel aan het dienen van God en onze naasten. En dit dienen, waardoor we voor anderen ten zegen worden, verschaft onszelf de grootste zegen. Onzelfzuchtigheid ligt ten grondslag aan alle ware ontwikkeling. Door onzelfzuchtige dienst ontvangen we de hoogste ontwikkeling van elk vermogen. Meer en meer gaan wij delen in de goddelijke natuur. We worden bereid voor de hemel; want we ontvangen de hemel in ons hart. Een openbaring van God Ka 14 2 Daar God de bron is van alle ware kennis, is, zoals we gezien hebben, het voornaamste doel bij de opvoeding: ons verstand te richten op Zijn openbaring van Zichzelf. Adam en Eva ontvingen kennis door een directe gemeenschap met God en zij leerden van Hem door Zijn werken. Alle geschapen dingen, in hun oorspronkelijke volmaaktheid, waren een uitdrukking van de gedachte Gods. Voor Adam en Eva was de natuur vol van goddelijke wijsheid. Maar tengevolge van de zonde werd de mens afgesneden van de onderwijzing Gods door rechtstreekse omgang, en voor een groot deel door Zijn werken. De aarde, bevlekt en bezoedeld door de zonde, weerkaatst maar vaag de heerlijkheid van de Schepper. Wel is het waar dat Zijn aanschouwelijke lessen niet zijn uitgewist. Het onderwijs der natuur onvoldoende Ka 14 3 Op elke bladzijde van het omvangrijke boekdeel van Zijn geschapen werken kan men nog Zijn handschrift ontwaren. Nog steeds getuigt de natuur van haar Schepper. Toch zijn deze openbaringen onvolledig en onvolmaakt. En in onze gevallen staat, met verzwakte vermogens en een beperkte blik, zijn we niet bij machte daarvan een juiste verklaring te geven. Wij hebben de meer volledige openbaring van Hemzelf nodig, die God gegeven heeft in Zijn geschreven Woord. De maatstaf der Waarheid Ka 15 1 De Heilige Schriften zijn de volmaakte maatstaf der waarheid, en als zodanig moet daaraan in de opvoeding de hoogste plaats worden toegekend. Om een opvoeding te verkrijgen welke de naam waardig is, moeten wij kennis ontvangen van God, de Schepper, en van Christus, de Verlosser, zoals Zij zijn geopenbaard in het Heilige Woord. Persoonlijkheid Ka 15 2 Elk menselijk wezen, geschapen naar Gods beeld, is begiftigd met een kracht, verwant aan die van de Schepper -- persoonlijkheid, het vermogen om te denken en te handelen. De mannen in wie deze kracht is ontwikkeld, zijn de mannen die verantwoordelijkheden dragen, die aan het hoofd staan van ondernemingen en van wie invloed uitgaat. Het is het werk van de ware opvoeding, dit vermogen te ontwikkelen, de jeugd op te leiden dat ze hun denk-vermogens gebruiken, en niet slechts de gedachten van andere mensen weergeven. In plaats van hun studie te beperken tot datgene wat mensen gezegd óf geschreven hebben, moeten de scholieren geleid worden tot de bronnen der waarheid, tot de uitgestrekte gebieden die openliggen voor onderzoek in de natuur en de openbaring. Laten zij zich verdiepen in de belangrijke feiten die verbonden zijn met de bestemming en plichten des levens, dan zal het verstand zich verwijden en sterker worden. In plaats van geschoolde zwakkelingen, zullen de onderwijsinstellingen dan mannen uitzenden, begaafd om te denken en te handelen, mannen die de omstandigheden beheersen en niet daardoor beheerst worden, mannen met een ruime blik, heldere gedachten en de moed van hun overtuiging. Ka 15 3 Zo'n opvoeding verschaft meer dan verstandelijke discipline, meer dan lichamelijke oefening. Ze versterkt het karakter, zodat waarheid en oprechtheid niet opgeofferd worden aan zelfzuchtig verlangen of wereldse eerzucht. Zij versterkt de geest tegen het kwade. In plaats dat een of andere overheersende hartstocht tot een vernielende kracht wordt, wordt elke beweegreden en elk verlangen in overeenstemming gebracht met de voornaamste beginselen van het recht. Wanneer men zich verdiept in de volmaaktheid van Zijn karakter, wordt de geest vernieuwd en de ziel herschapen naar het beeld Gods. Ka 16 1 Welke opvoeding kan op een hoger plan staan dan deze? Wat kan in waarde daaraan gelijk zijn? Ka 16 2 "Gedegen goud kan voor haar niet gegeven worden, En zilver kan niet als haar koopprijs worden afgewogen; Zij kan niet worden geschat tegen het fijne goud van Ofir, Noch tegen de kostbare chrysopraas of de lazuursteen, Goud noch glas kunnen haar evenaren, Men ruilt haar niet tegen kleinodiën van gelouterd goud; Paarlemoer noch kristal komen naast haar in aanmerking, En het bezit van wijsheid gaat koralen te boven." (Job 28: 15-18) Het hoogste ideaal Ka 16 3 Hoger dan de hoogste menselijke gedachte kan reiken is Gods ideaal voor Zijn kinderen. Godsvrucht -- gelijken op God -- is het doel dat bereikt moet worden. Voor de scholier ligt een weg open van aanhoudende vooruitgang. Hij heeft een doel te verwezenlijken, een maatstaf te bereiken die alles op het gebied van het goede, het zuivere en het edele insluit. Hij zal zo snel en zo ver als mogelijk is in elke tak van de ware kennis vooruitkomen. Maar zijn inspanningen moeten gericht worden op zaken die zoveel hoger liggen dan louter zelfzuchtige en tijdelijke belangen als de hemelen hoger zijn dan de aarde. De voorbereidende school Ka 16 4 Hij die samenwerkt met het doel van God om de jeugd kennis van God bij te brengen en het karakter te vormen in overeenstemming met het Zijne, doet een verheven en edel werk. Wanneer hij het verlangen wekt om Gods ideaal te bereiken, brengt hij een opvoeding die zo hoog als de hemel en zo breed als het heelal is; een opvoeding die in dit leven niet voltooid kan worden, maar die in het komende leven zich verder ontwikkelen zal; een opvoeding die de goede scholier zijn paspoort verschaft van de voorbereidende school op aarde naar de hogere opleiding, de school hierboven. ------------------------Hoofdstuk 2--De school in het Paradijs Ka 17 0 "Welzalig is de mens die wijsheid vindt." Een modelschool Ka 17 1 Het opvoedingssysteem dat werd ingesteld aan het begin der wereld, was bedoeld als een model voor de mens door alle eeuwen heen. Om een beeld te geven van zijn beginselen, werd in het Paradijs, het tehuis van onze stamouders, een modelschool opgericht. De hof van Eden was het schoollokaal, de natuur was het leerboek, de Schepper Zelf was de leraar en de stamouders van het menselijke gezin waren de scholieren. De scholieren Ka 17 2 Geschapen om "het beeld en de heerlijkheid Gods" te vertegenwoordigen, hadden Adam en Eva talenten ontvangen, niet onwaardig aan hun verheven bestemming. Vol gratie en symmetrisch van gestalte, harmonisch en schoon van uiterlijk, terwijl op hun gelaat de kleur der gezondheid en het licht der vreugde en der hoop zich weerspiegelden, droegen zij in hun uiterlijke verschijning de gelijkenis van hun Maker. Ook kwam deze gelijkenis niet enkel tot uiting in het lichamelijke wezen. Elk vermogen van het verstand en de ziel gaf de heerlijkheid van de Schepper weer. Begiftigd met verheven verstandelijke en geestelijke gaven, waren Adam en Eva slechts "een weinig minder dan de engelen" (Hebr. 2 : 7) gemaakt, opdat zij niet alleen de wonderen van het zichtbare heelal zouden kunnen onderscheiden, maar ook zedelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen zouden kunnen begrijpen. Ka 17 3 "De Here God plantte een hof in Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had. Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten, en de boom des levens in het midden van de hof" (Gen. 2 : 8, 9). Hier, te midden van die prachtige natuurtaferelen, onbezoedeld door de zonde, zouden onze stamouders hun scholing ontvangen. De Leraar Ka 17 4 In Zijn belangstelling voor Zijn kinderen, leidde onze hemelse Vader persoonlijk hun opvoeding. Vaak kregen zij bezoek van Zijn boodschappers, de heilige engelen, en van hen ontvingen zij raad en onderricht. Vaak wanneer zij wandelden in de hof in de koelte van de dag, hoorden zij de stem van God en stonden zij met de Eeuwige persoonlijk in verbinding. Zijn gedachten ten opzichte van hen waren "gedachten des vredes en niet des kwaads" (Jer. 29:11). Elk onderdeel van Zijn plan was voor hun welzijn. De leerschool Ka 18 1 Aan Adam en Eva was de zorg van de hof opgedragen "om die te bewerken en te bewaren" (Gen. 2 : 15). Hoewel rijk in alles wat de Eigenaar van het heelal kon verschaffen, was het niet de bedoeling dat zij hun tijd in ledigheid zouden doorbrengen. Nuttige bezigheid werd hun opgedragen als een zegen om het lichaam te versterken, de geest te verruimen en het karakter te ontwikkelen. Onderzoek bij de bronnen Ka 18 2 Het boek der natuur dat zijn aanschouwelijke lessen voor hen opende, verschafte hun een onuitputtelijke bron van onderricht en blijdschap. Op elk blad van het woud, op elke steen in de bergen, op elke schijnende ster, op de aarde en op de zee en aan de hemel, stond Gods Naam geschreven. Met zowel de bezielde als de onbezielde. schepping -- met blad en bloem en boom, en met elk levend schepsel, van de leviathan in de wateren tot het stofje in het zonnelicht -- hadden de bewoners van het Paradijs omgang en kwamen van elk de geheimen van zijn leven te weten. Gods heerlijkheid in de hemelen, de ontelbare werelden in hun geordende bewegingen, "het zweven der wolken" (Job 37:16), de verborgenheden van het licht en het geluid, van de dag en de nacht -- die alle waren studieobjecten voor de leerlingen van de eerste school op aarde. Ka 18 3 De wetten en de werkingen der natuur, alsmede de belangrijke beginselen der waarheid die het geestelijke heelal besturen, werden door de oneindige Schepper van alles voor hun verstand geopend. In "het licht van de kennis der heerlijkheid Gods" (2 Cor. 4:6) ontwikkelden zich hun verstandelijke en geestelijke vermogens en werden zij zich de hoogste genoegens van hun heilig bestaan bewust. Andere scholen Ka 18 4 Zoals ze kwam uit de hand van de Schepper, was niet enkel de hof van Eden, maar de gehele aarde bekleed met een uitzonderlijke schoonheid. Geen vlek der zonde, of schaduw des doods, bezoedelde de reine schepping. Gods heerlijkheid "bedekte de hemelen en het aardrijk was vol van Zijn lof". "De morgensterren juichten tezamen en al de zonen Gods jubelden" (Hab. 3:3; Job 38:7). Zo was de aarde een passend zinnebeeld van Hem Die "groot van weldadigheid en waarheid" is (Ex. 34:6), een passende studie voor hen die gemaakt waren naar Zijn beeld. De hof van Eden was een afbeelding van hetgeen, volgens Gods verlangen, de gehele aarde zou worden, en het was Gods bedoeling dat, naarmate het menselijke gezin zich zou vermeerderen, zij andere tehuizen en scholen zouden vestigen naar het model dat Hij had gegeven. Doel van de opleiding Ka 21 1 Zo zou in de loop des tijds de gehele aarde vol zijn met woningen en scholen, waar de woorden en de werken Gods bestudeerd zouden worden en waar de scholieren steeds meer in staat zouden zijn om, door de eindeloze eeuwen heen, het licht en de kennis van Zijn heerlijkheid te weerspiegelen. ------------------------Hoofdstuk 3--De kennis van goed en kwaad Ka 22 0 "Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt.... is hun onverstandig hart verduisterd geworden." Hun trouw getoetst Ka 22 1 Hoewel onschuldig en heilig geschapen, waren onze stamouders toch niet geplaatst buiten de mogelijkheid om kwaad te doen. God zou hen kunnen hebben geschapen zonder het vermogen om Zijn geboden te overtreden; maar in dat geval zou er van een karakterontwikkeling geen sprake geweest kunnen zijn; hun dienen zou dan niet vrijwillig, maar gedwongen geweest zijn. Daarom gaf Hij hun het vermogen om te kiezen -- het vermogen om te gehoorzamen of om ongehoorzaam te zijn. En alvorens zij ten volle de zegeningen konden ontvangen die Hij hun wilde toebedelen, moest hun liefde en trouw op de proef gesteld worden. Enkel het kwade onthouden Ka 22 2 In de hof van Eden was de "boom der kennis van goed en kwaad -- En de Here God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten" (Gen. 2:9-17). Het was de wil van God dat Adam en Eva het kwaad niet zouden kennen. De kennis van het goede was hun overvloedig geschonken; maar de kennis van het kwade -- van de zonde en haar gevolgen, van vermoeiende arbeid, van kwellende zorgen, van teleurstelling en smart, van pijn en dood -- dat alles was in liefde achtergehouden. Bedekte toespeling op wantrouwen Ka 22 3 Terwijl God de mens trachtte goed te doen, zocht Satan zijn ondergang. Toen Eva, door het in de wind slaan van de waarschuwing des Heren aangaande de verboden boom, het waagde die te naderen, kwam zij in aanraking met haar vijand. Nadat haar belangstelling en nieuwsgierigheid waren opgewekt, ging Satan verder met het verloochenen van Gods woord en het zaaien van wantrouwen aan Zijn wijsheid en goedheid. Op de verklaring van de vrouw aangaande de boom der kennis: "God heeft gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken, anders zult gij sterven," antwoordde de verleider: "Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad" (Gen. 3 :3-5). Rede tegenover geloof Ka 23 1 Satan wilde het laten voorkomen alsof deze kennis van het goede vermengd met het kwade een zegen zou zijn, en dat door het hun gegeven verbod om van de vruchten des booms te nemen, God hun een onschatbaar goed onthield. Hij legde er de nadruk op, dat het was vanwege zijn bijzondere eigenschappen van wijsheid en kracht te verlenen, dat God hun verboden had van de vrucht te nemen; dat Hij aldus probeerde te voorkomen dat ze tot een edeler ontwikkeling zouden komen en een groter geluk zouden smaken. Hij verkondigde dat hijzelf van de verboden vrucht had gegeten en als gevolg zijn vermogen om te spreken had ontvangen; en dat, indien zij ook daarvan zouden eten, zij een verhevener bestaanssfeer zouden bereiken en een uitgestrekter gebied van kennis zouden betreden. Terwijl Satan beweerde ontzaglijk veel goeds ontvangen te hebben door van de verboden vrucht te eten, wachtte hij zich wel, erop te wijzen dat hij vanwege zijn overtreding uit de hemel geworpen was. Hier was de leugen, zo verborgen onder bedekking van ogenschijnlijke waarheid, dat Eva, verblind, gevleid, verlokt, het bedrog niet onderscheidde. Zij begeerde wat God had verboden; zij wantrouwde Zijn wijsheid. Zij wierp het geloof, de sleutel der kennis, weg. Het zien contra Gods woord Ka 23 2 Toen Eva zag "dat de boom goed was om van te eten en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, nam zij van zijn vrucht en at". De vrucht was aangenaam van smaak en terwijl zij at, was het alsof zij een levengevende kracht gevoelde, en ze verbeeldde zich dat ze in een hogere bestaanssfeer geraakte. Nadat zijzelf gezondigd had, verleidde ze haar man, "en hij at" (Gen. 3 : 6). Ka 23 3 "Uw ogen zullen geopend worden," had de vijand gezegd; "gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad" (Gen. 3:5). Hun ogen werden inderdaad geopend; maar met welk een droefheid ging dat gepaard! De kennis van het kwaad, de vloek der zonde, was alles wat de overtreders verkregen. Er was niets vergiftigs in de vrucht zelf en de zonde lag niet alleen in het toegeven aan de eetlust. Het was wantrouwen in Gods goedheid, ongeloof aan Zijn woord, en verwerping van Zijn gezag, dat onze stamouders maakte tot overtreders, en in de wereld de kennis van het kwaad bracht. Dat was het, wat de deur opende voor allerlei leugen en dwaling. Gevolg van de zonde Ka 24 1 De mens verloor alles omdat hij liever luisterde naar de bedrieger dan naar Hem Die de Waarheid is, Die alleen verstandigheid bezit. Door de vermenging van kwaad met goed werd zijn geest verward, zijn verstandelijke en geestelijke vermogens verdoofd. Niet langer kon hij het goede waarderen dat God hem zo overvloedig had geschonken. Ka 24 2 Adam en Eva hadden de kennis van het kwaad gekozen; en indien ze ooit de positie die ze verloren hadden, zouden terugwinnen, dan moest dat gebeuren onder de ongunstige omstandigheden die zij aan zichzelf te wijten hadden. Niet langer mochten zij in de hof van Eden blijven; want in zijn volmaaktheid kon het Paradijs hun niet die lessen leren die zij nu zo nodig moesten leren. In een onuitsprekelijke droefheid namen zij afscheid van hun prachtig verblijf en verlieten het om te wonen op de aarde, waarop de vloek der zonde rustte. Ka 24 3 Tot Adam had God gezegd: "Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren" (Gen. 3:17-19). De gevolgen openbaren zich in de natuur Ka 24 4 Hoewel de aarde nadelig beïnvloed werd door de vloek, bleef de natuur toch nog steeds het leerboek van de mens. Zij kon nu niet enkel het goede aan het licht brengen; want het kwaad was overal aanwezig en bezoedelde de aarde, de zee en de lucht door zijn verderfelijke aanraking. Waar eens enkel het karakter van God geschreven stond, de kennis van het goede, stond nu ook het karakter van Satan, de kennis van het kwaad, geschreven. Door de natuur die nu de kennis van goed en kwaad openbaarde, zou de mens aanhoudend gewaarschuwd worden voor de gevolgen der zonde. In de verwelkende bloem en het afvallende blad zagen Adam en zijn gezellin de eerste tekenen van verval. Scherp werd hun het harde feit voor ogen gesteld dat elk levend wezen moest sterven. Zelfs de lucht, waarvan toch hun leven afhing, droeg de kiemen des doods. Het verloren koningschap Ka 25 1 Voortdurend werden zij herinnerd aan hun verloren heerschappij. Te midden van de schepselen van lagere orde had Adam als koning gestaan, en zolang hij God trouw bleef, erkende de gehele natuur zijn gezag; maar toen hij in overtreding was, kwam aan deze heerschappij een einde. De geest van opstand, die hijzelf had binnengehaald, breidde zich uit over het dierenrijk. Zo vertelde niet alleen het leven van de mens de droeve les van de kennis des kwaads, maar dat deden ook de natuur der dieren, de bomen van het woud, het gras van het veld, ja zelfs de lucht die hij inademde. Herstel door Christus Ka 25 2 Maar de mens werd niet ten prooi gelaten aan de gevolgen van het kwaad dat hij had gekozen. In het vonnis over Satan uitgesproken, lag ook een vingerwijzing naar de verlossing. "Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw," zei God, "en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen" (Gen. 3: 15). Dit vonnis, uitgesproken in tegenwoordigheid van onze stamouders, hield voor hen een belofte in. Alvorens zij hoorden van de doom en de distel, van het zwoegen en de smart, dat hun deel zou worden, of van het stof, tot hetwelk zij moesten terugkeren, luisterden zij naar woorden die niet konden nalaten hen hoop in te boezemen. Al wat verloren was door zich over te geven aan Satan, kon door Christus herwonnen worden. Het evangelie in de natuur Ka 25 3 Hierop maakt ook de natuur ons steeds opmerkzaam. Hoewel bezoedeld door de zonde, spreekt zij niet alleen van schepping, maar ook van verlossing. Hoewel de aarde getuigt van de vloek door de zichtbare tekenen van verval, is zij nochtans rijk en schoon door de tekenen van leven-gevende kracht. De bomen laten hun bladeren vallen, alleen om met nieuw jong groen bekleed te worden; de bloemen sterven, om met hernieuwde schoonheid te ontluiken; en in elke openbaring van de scheppende macht ligt de verzekering opgesloten, dat wij opnieuw geschapen kunnen worden "in ware rechtvaardigheid en heiligheid" (Efeziërs 4:24). Zo worden dus juist de dingen en werkingen der natuur, die ons grote verlies zo duidelijk tot uiting brengen, voor ons de boodschappers der hoop. Zover als het kwaad zich uitstrekt, hoort men de stem van onze Vader, Die Zijn kinderen vraagt, het wezen van de zonde te zien in haar gevolgen en hen waarschuwt het kwade te verzaken, terwijl Hij hen uitnodigt het goede te ontvangen. ------------------------Hoofdstuk 4--Verhouding van de karaktervorming tot de verlossing Ka 27 0 "Verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus ." Ka 27 1 Door de zonde werd de mens van God afgesneden. Zonder het verlossingsplan zou eeuwige scheiding van God, de duisternis van de eindeloze nacht, zijn deel geweest zijn. Door het offer van de Verlosser is het weer mogelijk gemaakt, gemeenschap met God te hebben. In persoon kunnen wij niet naderen in Zijn tegenwoordigheid; in onze zonde kunnen we Zijn gelaat niet aanschouwen; maar we kunnen Hem zien en met Hem gemeenschap hebben in Jezus, de Heiland. Het "verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods" wordt geopenbaard "in het aangezicht van Christus". God is "in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende" (2 Cor. 4 : 6; 5 : 19). "Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond...., vol van genade en waarheid." "In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen" (Joh. 1: 14, 4). Het leven en de dood van Christus, de prijs onzer verlossing, zijn voor ons niet enkel de belofte en het onderpand van leven, niet enkel het middel om de schatkamers der wijsheid voor ons te openen; ze zijn een bredere, hogere openbaring van Zijn karakter dan zelfs de heilige wezens van Eden kenden. Ka 27 2 En terwijl Christus de hemel opent voor de mens, opent het leven dat Hij schenkt, het hart van de mens voor de hemel. Zonde sluit ons niet alleen buiten God, maar vernietigt in de menselijke ziel zowel het verlangen als de bekwaamheid om Hem te kennen. Het is Christus' zending al dit boze werk teniet te doen. Hij heeft macht de vermogens der ziel, verlamd door de zonde, het verduisterd verstand, de verdorven wil, te versterken en te herstellen. Hij opent voor ons de rijkdommen van het heelal, en door Hem wordt de macht toebedeeld deze schatten te onderscheiden en zich toe te eigenen. Ka 27 3 Christus, het "Licht, dat iedere mens verlicht, was komende in de wereld" (Joh. 1:9). Gelijk ieder menselijk wezen leven heeft door Christus, zo ontvangt ook iedere ziel door Hem enige stralen van goddelijk licht. Niet alleen verstandelijke, maar geestelijke kracht, een begrip van recht, een verlangen naar goedheid, bestaat in ieder hart. Maar tegen deze beginselen worstelt een vijandige macht. De gevolgen van het eten van de boom der kennis van goed en kwaad worden openbaar in het geestelijk leven van ieder mens. Er is in zijn natuur een neiging naar het kwaad, een macht waaraan hij, zo hij niet geholpen wordt, geen weerstand kan bieden. Om deze macht te weerstaan, en dat ideaal te bereiken dat hij in het diepst van zijn ziel aanneemt als het alleen waardevolle, kan hij hulp vinden in slechts één kracht. Die kracht is Christus. 's Mensen dringendste behoefte is, samen te werken met die kracht. Behoorde niet in alle pogingen tot karaktervorming deze samenwerking het hoogste doel te zijn? Ka 28 1 De ware leraar is niet tevreden met tweederangswerk. Hij is niet tevreden zijn leerlingen een maatstaf voor te schrijven die lager is dan de hoogste die zij kunnen bereiken. Hij kan niet voldaan zijn met' hen alleen maar een technische kennis mede te delen, hen alleen maar kundige boekhouders, bekwame vaklieden en succesvolle handelslieden te maken. Het is zijn streven hen te bezielen met de beginselen van waarheid, gehoorzaamheid, eergevoel, rechtschapenheid en reinheid, -- beginselen die hen zullen maken tot een vastberaden kracht om de gemeenschap te verstevigen en op te heffen. Vóór alles wil hij hen 's levens grote les van onzelfzuchtige dienst leren. Ka 28 2 Deze beginselen worden een levende kracht om het karakter te vormen, door de omgang der ziel met Christus; door het aannemen van Zijn wijsheid als de gids, Zijn kracht als de sterkte, van hart en leven. Wanneer deze eenheid gevormd is, heeft de leerling de Bron van wijsheid gevonden. Hij heeft de macht binnen zijn bereik om in zichzelf de nobelste idealen te verwezenlijken. Hem behoren de mogelijkheden van de hoogste opvoeding voor het leven in deze wereld. En in de hier verkregen opleiding gaat hij over naar die leergang welke de eeuwigheid omvat. Ka 28 3 In de hoogste zin zijn het werk van karaktervorming en het werk der verlossing één; want. zowel in karaktervorming als in verlossing "kan niemand een ander fundament leggen dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus" (1 Cor. 3: 11). "Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken" (Col. 1: 19). Ka 28 4 Hoewel de omstandigheden veranderd zijn, is ware opvoeding nog steeds in overeenstemming met het plan van de Schepper, het plan van de school in Eden. Adam en Eva ontvingen onderricht door rechtstreekse gemeenschap met God; wij zien het licht van "de kennis der heerlijkheid Gods" in het aangezicht van Christus. Ka 29 1 De grote beginselen van karaktervorming zijn niet veranderd. Ze zijn "vastgesteld voor immer en altoos" (Ps. 111:8); want ze zijn de beginselen van Gods karakter. De leerling helpen deze beginselen te vatten en in die omgang met Christus te treden die hen tot een leidende kracht in het leven maakt, dient de eerste poging en het aanhoudend doel te zijn van de leraar. De leraar die dit doel aanvaardt, is in waarheid een medearbeider van Christus, een arbeider die samenwerkt met God. Voorbeelden Ka 29 2 " Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven." (Rom. 15:4) ------------------------Hoofdstuk 5--De opvoeding van Israël Ka 33 0 "Zo heeft hem de He re alleen geleid. Hij lette op hem, bewaarde hem als Zijn oogappel." De gezinsschool Ka 33 1 Het opvoedingssysteem, begonnen in het Paradijs, vond zijn middelpunt in het gezin. Adam was "de zoon van God" (Luc. 3 : 38) en het was van hun Vader dat de kinderen des Allerhoogsten onderricht ontvingen. In de striktste zin des woords vormden zij een gezinsschool. Ka 33 2 In het goddelijke opvoedingsplan, aangepast aan de toestand van de mens na de val, staat Christus als de vertegenwoordiger van de Vader, de verbindingsschakel tussen God en de mens; Hij is de grote Leraar der mensheid. En Hij verordineerde dat mannen en vrouwen Hem zouden vertegenwoordigen. Het gezin was de school, en de ouders waren de onderwijzers. Voorwaarden Ka 33 3 De opvoeding die in het gezin haar middelpunt had, was die welke gebruikelijk was in de dagen der patriarchen. Voor de aldus gestichte scholen schonk God de allergunstigste voorwaarden voor de karakterontwikkeling. De mensen die zich onder Zijn leiding stelden, hielden zich nog steeds aan het levensplan dat Hij in den beginne had bekend gemaakt. Wie zich van God afkeerden bouwden voor zichzelf steden en sloten zich daarin aaneen en verlustigden zich in de pracht, de weelde en de slechtheid die ook de steden van deze tijd maken tot de trots en de vloek der wereld. Maar de mensen die zich vasthielden aan Gods levensbeginselen, gingen wonen in de velden en heuvelen. Zij bewerkten de grond en hadden kudden groot en klein vee; en in dit vrije, onafhankelijke bestaan, met zijn mogelijkheden om te arbeiden, te studeren en te mediteren, leerden zij van God en onderwezen hun kinderen in Zijn werken en wegen. De opleiding in de woestijn Ka 33 4 Dat was de opvoedingsmethode die God in Israël wilde toepassen. Maar toen ze uit Egypte werden uitgeleid, waren er onder de Israëlieten slechts weinigen in staat om met Hem samen te werken in de opleiding van hun kinderen. De ouders zelf hadden onderricht en tucht hoog nodig. Als slachtoffers van een levenslange slavernij, waren ze onwetend, ongeschoold en ontaard. Zij hadden weinig kennis van God, en weinig vertrouwen in Hem. Door valse leringen hadden zij verwarde ideeën, en zij waren verdorven door hun langdurig contact met het heidendom. God wilde hen op een hoger zedelijk peil brengen, en om dit te bereiken trachtte Hij hun een kennis van Zichzelf bij te brengen. Om tot geloof aan te moedigen Ka 34 1 In Zijn bemoeienissen met de zwervers in de woestijn, in al hun zwerftochten, in hun blootstaan aan honger, dorst en vermoeidheid, in het gevaar waarin zij verkeerden door heidense vijanden, en in de openbaring van Zijn voorzienigheid om hen te verlossen, probeerde God hun geloof te versterken door hun de kracht die steeds bezig was voor hun bestwil, te openbaren. En toen Hij hun geleerd had te vertrouwen op Zijn liefde en kracht, wilde Hij, in de geboden van Zijn wet, hun het peil tonen van het karakter dat Hij hen door Zijn genade wilde doen bereiken. De omgeving van Sinaï Ka 34 2 Van grote waarde waren de lessen die Israël geleerd werden tijdens hun verblijf bij de Sinaï. Dit was een periode van bijzondere scholing voor hen die Kanaän erfelijk zouden bezitten. En de omgeving hier was gunstig voor de vervulling van Gods doel. Op de top van de Sinaï rustte de wolkkolom die hen op de reis was voorgegaan en die nu de vlakte waar het volk zijn tenten had opgezet, overschaduwde. "De hoogten der bergen zijn Zijne" Ka 34 3 Door een vuurkolom des nachts schonk Hij hun de zekerheid van de Goddelijke bescherming, en terwijl zij sliepen, viel het brood des hemels zachtjes op het kamp neer. Aan alle kanten spraken de hoge, ruwe bergen in hun verheven schoonheid van eeuwige duur en majesteit. Zo moest de mens, in de tegenwoordigheid van Hem "Die de bergen woog met een waag en de heuvelen met een weegschaal" (Jes. 40:12), wel zijn onwetendheid en zijn zwakheid aanvoelen. Hier trachtte God door de openbaring van Zijn heerlijkheid, Israël een indruk te geven van de heiligheid van Zijn karakter en Zijn wetten, en van de enorme schuld der overtreding. Een symbool van Gods tegenwoordigheid Ka 35 1 Doch het volk leerde de les maar traag. Gewend als zij in Egypte geweest waren aan zichtbare voorstellingen van de godheid en dan nog wel van de meest verdorven natuur, konden zij zich zo moeilijk het bestaan of het karakter van de Onzichtbare voorstellen, medelijden met hun zwakheid, gaf God hun een symbool van Zijn tegenwoordigheid. "Zij zullen Mij een heiligdom maken," zei Hij, "en Ik zal in hun midden wonen" (Exodus 25 : 8). Ka 35 2 Voor de bouw van het heiligdom als een woonplaats voor God kreeg Mozes opdracht om alle dingen te maken volgens het voorbeeld in de hemel. God riep hem op de berg en openbaarde hem de hemelse dingen, en dienovereenkomstig werd de tabernakel met alles wat daarbij behoorde, vervaardigd. Het voorbeeld op de berg Ka 35 3 Zo openbaarde Hij aan Israel, in wier miaden Hij wilde wonen, Zijn heerlijk ideaal van het karakter. Het voorbeeld werd hun getoond op de berg, toen vanaf de Sinaï de wet werd verkondigd, en toen God aan Mozes voorbijging en uitriep: "Here, Here, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw" (Exodus 34:6). Ka 35 4 Maar zijzelf waren machteloos om dit ideaal te bereiken. De openbaring op de Sinaï kon hen slechts van hun behoefte en hun hulpeloosheid bewust doen worden. De tabernakel moest door zijn offerdienst een andere les leren -- de les van zondevergeving, en van kracht door Christus om te gehoorzamen ten leven. Het Evangelie in de tabernakel Ka 35 5 Door Christus moest het doel worden vervuld waarvan de tabernakel een symbool was -- dat glorierijke bouwsel met zijn wanden van glinsterend goud, die in de kleuren van de regenboog de gordijnen waarin cherubs waren geweefd, weerkaatsten, de alles doortrekkende geur van de altijd brandende wierook, de priesters gekleed in smetteloos wit, en in de diepe verborgenheid van het heilige der heiligen, boven het verzoendeksel, tussen de figuren van de voorovergebogen, aanbiddende engelen, de heerlijkheid van de Allerheiligste. In dit alles wilde God, dat Zijn volk Zijn bedoeling las voor de menselijke ziel. De menselijke tempel Ka 36 1 Het was dezelfde bedoeling die Paulus lang daarna, gedreven door de Heilige Geest, verkondigde: "Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!" (1 Cor. 3: 16, 17). De bouw van het heiligdom Ka 36 2 Groot was het voorrecht en de eer, aan Israël verleend in de bouw van het heiligdom; en groot was ook de verantwoordelijkheid Een bouwsel van alles overtreffende pracht, dat voor zijn constructie het kostbaarste materiaal en de hoogste artistieke begaafdheid eiste, moest opgericht worden in de woestijn door een volk dat juist ontkomen was aan de slavernij. Het scheen een onmogelijke taak. Maar Hij Die het plan voor de bouw gegeven had, stond borg dat Hij met de bouwlieden zou samenwerken. Ka 36 3 "De Here sprak tot Mozes: Zie, Ik heb bij name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, uit de stam Juda, en hem vervuld met Gods Geest, met wijsheid, inzicht, en kennis, en dat voor allerlei werk.... En zie, Ik heb naast hem gesteld Aholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam Dan; in het hart van ieder die kunstvaardig is, heb Ik wijsheid gelegd. Zij zullen alles maken wat Ik u geboden heb" (Exodus 31:1-6). Een ambachtsschool Ka 36 4 Wat een ambachtsschool was dat in de woestijn, waar Christus en Zijn engelen als leraars aan verbonden waren! Ka 36 5 In de voorbereiding van het heiligdom en zijn uitrusting moest het gehele volk samenwerken. Daar was arbeid voor hoofd en hand. Een grote verscheidenheid van materiaal was nodig en allen werden uitgenodigd daartoe bij te dragen zoals hun hart hen ingaf. Zo werden zij in het werk en het geven onderricht om met God en met elkander samen te werken. En zij moesten ook samenwerken in het gereedmaken van het geestelijk bouwsel -- Gods tempel in de ziel. Organisatie Ka 36 6 Vanaf de aanvang van de uittocht uit Egypte hadden zij in verband met hun opleiding en tucht lessen ontvangen. Zelfs voor zij Egypte verlieten, was een tijdelijke organisatie ingesteld en werd het volk ingedeeld in groepen onder aangewezen leiders. Bij Sinaï werden de regelingen betreffende de organisatie voltooid. De orde, zo tot in de kleinste onderdelen tot uiting komend in al Gods werken, was ook te zien in het Hebreeuwse staatsbestel. God was het middelpunt van gezag en bestuur. Mozes, als Zijn vertegenwoordiger, moest in Zijn Naam de wetten uitvoeren. Dan kwam de raad der zeventig, dan de priesters en de vorsten, en onder hen "oversten over duizend, oversten over honderd, oversten over vijftig en oversten over tien" (Num. 11:16, 17; Deut. 1: 15) en ten slotte de beambten die aangewezen waren voor speciale diensten. Het kamp verkeerde in een volmaakte orde, de tabernakel, de verblijfplaats van God, in het midden en daaromheen de tenten van de priesters en de Levieten. Daarbuiten was elke stam gelegerd naast zijn eigen banier. Gezondheidsmaatregelen Ka 37 1 Doortastende gezondheidsmaatregelen werden ingesteld. Deze werden het volk opgelegd, niet enkel als noodzakelijk voor de gezondheid, maar als de voorwaarde dat de Heilige onder hen kon vertoeven. Op Goddelijk bevel had Mozes hun verkondigd: "De Here, Ka 37 2 uw God, wandelt in uw legerplaats om u te redden.... daarom zal uw legerplaats heilig zijn" (Deut. 23:14). Dieet Ka 37 3 De opvoeding van de Israëlieten omvatte al hun levensgewoonten. Alles wat hun welzijn betrof was het voorwerp van goddelijke zorg en werd door een goddelijke wet vastgelegd. Zelfs in de voorziening van hun voedsel zocht God hun hoogste goed. Het manna waarmede Hij hen voedde in de woestijn, was van een samenstelling die de lichamelijke, verstandelijke en zedelijke kracht ten goede kwam. Hoewel zo velen tegen de beperking van hun dieet in opstand kwamen en terugverlangden naar de dagen waarvan zij zeiden: "Wij zaten bij de vleespotten en aten volop brood" (Exodus 16:3), werd nochtans de wijsheid van Gods keuze voor hen gerechtvaardigd op een wijze die zij niet konden ontkennen. Ondanks al de beproevingen van hun bestaan in de woestijn, was er onder al hun stammen geen enkele zieke. De goddelijke leiding Ka 38 1 Op al hun tochten moest de ark, waarin de wet van God was, hun de weg wijzen. De plaats waar zij zouden legeren, werd aangetoond door het neerdalen van de wolkkolom. Zolang de wolk rustte boven de tabernakel, bleven zij in de legerplaats. Wanneer deze zich verhief, vervolgden zij hun tocht. Zowel het halt houden als het vertrek werden gekenmerkt door een plechtige smeekbede. "Wanneer nu de ark opbrak, zei Mozes: Sta op, Here, opdat Uw vijanden verstrooid worden en wanneer zij bleef rusten, zei hij: Keer weder, Here, tot de tienduizenden der duizenden Israëls" (Num. 10:35, 36). Muziek en zang Ka 38 2 Terwijl de Israëlieten door de woestijn trokken, werden hun vele kostelijke lessen gegeven door middel van het lied. Bij hun bevrijding van het leger van de Farao had geheel Israël ingestemd met het overwinningslied. Ver over de woestijn en over de zee schalde het opgewekte refrein, en de bergen weerkaatsten de hoogtepunten van de lofzang: "Zingt de Here, want Hij is hoog verheven; het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee" (Exodus 15 : 21). Vaak werd dit lied op de reis herhaald en dan werden de harten bemoedigd en werd het geloof van de pelgrims versterkt. De geboden, gegeven op de Sinaï, vol met beloften van Gods gunst en verhalen van Zijn wonderlijke werken ten aanzien van hun verlossing, werden op goddelijk bevel op muziek gezet, terwijl de Israëlieten op de maat marcheerden wanneer zij eensgezind de lofzangen zongen. Ka 38 3 Zo werden hun gedachten afgeleid van de beproevingen en moeilijkheden van de reis, de rusteloze, woelige geest werd gekalmeerd, de beginselen der waarheid werden in het geheugen vastgelegd en het geloof werd versterkt. Die gezamenlijke zang leerde orde en eenheid, en de mensen werden in nauwer contact met God en met elkander gebracht. Doel van Gods tucht Ka 38 4 Van de wijze waarop God Israël leidde gedurende de veertigjarige tocht door de woestijn, zei Mozes: "Zoals een man zijn zoon vermaant, zo vermaant de Here, uw God, u," om "u te verootmoedigen en u op de proef te stellen teneinde te weten wat er in uw hart was: of gij al dan niet Zijn geboden zoudt onderhouden" (Deut. 8:5, 2). "Hij vond hem in een land van steppen, in een woest land van gehuil in de wildernis. Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde hem als Zijn oogappel. Als een arend die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken, zo heeft hem de Here alleen geleid, en geen vreemde god stond hem terzijde" (Deut. 32 :10-12). Ka 39 1 "Hij gedacht aan Zijn heilig Woord, aan Abraham, Zijn knecht. Hij voerde Zijn volk uit met blijdschap, Zijn uitverkorenen met gejubel. Hij gaf hun de landen der volken, zodat zij de arbeid der natiën beërfden, opdat zij Zijn inzettingen zouden onderhouden en Zijn wetten bewaren" (Ps. 105 :42-45). Voorrechten in Kanäan Ka 39 2 God omringde Israël met tal van voordelen en schonk hun allerlei voorrechten zodat zij Zijn Naam tot eer konden zijn en een zegen voor de volkeren om hen heen. Indien zij wilden wandelen in de weg der gehoorzaamheid, beloofde Hij "hen te verheffen tot een lof, een naam en een sieraad boven alle volken." "Alle volken der aarde," zeide Hij, "zullen zien dat de Naam des Heren over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen." De natiën die al deze inzettingen zullen vernemen, zullen zeggen: "Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie" (Deut. 26:19; 28 : 10; 4 : 6). Onderwezen in Gods wet Ka 39 3 In de wetten waaraan Israël onderworpen was, werd uitvoerig onderricht gegeven inzake de opvoeding. Aan Mozes had God Zichzelf op de Sinaï geopenbaard als "barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw" (Exodus 34:6). Deze beginselen, belichaamd in Zijn wet, moesten de vaders en moeders in Israël hun kinderen leren. Onder goddelijke leiding verkondigde Mozes hun: "Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat!" (Deut. 6 : 6, 7). Ka 39 4 Niet als een droge theorie moesten deze dingen onderwezen worden. Zij die anderen de waarheid willen leren, moeten zelf haar beginselen beoefenen. Alleen door het karakter Gods te weerspiegelen in de oprechtheid, zieleadel en onzelfzuchtigheid van hun eigen leven, kunnen zij dat anderen inprenten. Aanschouwelijke lessen Ka 40 1 Ware opvoeding houdt niet in dat men het onderwijs met kracht opdringt aan een onvoorbereide onontvankelijke geest. De verstandelijke krachten moeten wakker gemaakt, de belangstelling opgewekt worden. Hierin voorzag Gods onderwijsmethode. Hij Die het verstand schiep en de wetten daarvan instelde, voorzag in de ontwikkeling van het verstand in overeenstemming met die wetten. In het gezin en in het heiligdom, door de dingen van de natuur en van de kunst, in arbeid en in feestvreugde, in een geheiligd gebouw en in een gedenksteen, door ontelbare methoden en riten en symbolen schonk God aan Israël lessen die Zijn beginselen illustreerden en Zijn wonderbare werken in het geheugen griften. Werd daarnaar gevraagd, dan volgde er een onderricht dat op verstand en hart indruk maakte. Ka 40 2 In de voorschriften voor de opvoeding van het uitverkoren volk komt duidelijk tot uiting dat een leven dat zijn middelpunt in God heeft, een volmaakt leven is. Elke behoefte die Hij heeft ingeplant, wil Hij ook bevredigen; elk gegeven talent tracht Hij te ontwikkelen. God, de Schepper van alle schoonheid, Die Zelf al wat schoon is bemint, trof voorzorgen om in Zijn kinderen de liefde voor het schone te bevredigen. Hij nam ook maatregelen om te voorzien in hun maatschappelijke behoeften, voor de vriendelijke en hulpvaardige omgang die zoveel doet om sympathie te wekken en het leven te verlichten en te veraangenamen. De jaarlijkse feesten Ka 40 3 Als opvoedingsmiddel werd aan de jaarlijkse feesten van Israël een belangrijke plaats verleend. In het dagelijkse leven was het gezin zowel een school als een gemeente, waarin de ouders op wereldlijk en op godsdienstig gebied onderricht gaven. Maar driemaal per jaar moest het volk bijeenkomen voor een feestelijk samenzijn en aanbidding. In den beginne werden deze vergaderingen gehouden in Silo, later in Jeruzalem. Vereist was, dat alleen de vaders en de zonen daar moesten zijn; maar niemand wilde de kansen om die feesten bij te wonen verzuimen, en zoveel mogelijk trok dan ook het gehele gezin op naar het feest, en met hen de vreemdeling, de Leviet, en de arme, aan wie gastvrijheid werd verleend. De reis naar Jeruzalem Ka 41 1 De reis naar Jeruzalem, op de eenvoudige, patriarchale wijze, te midden van de schoonheid der lente, de rijkdommen van de midzomer, of de rijpende pracht van de herfst, was een verrukking. Daar kwamen zij, vanaf de grijsaard tot het kleine kind, met de offers der dankbaarheid, om God te ontmoeten in Zijn heilige woonstee. Gedurende de reis werden de ervaringen uit het verleden, de verhalen waar oud en jong nog altijd zoveel van houden, opnieuw aan de Hebreeuwse kinderen verteld. De liederen die hen op de tocht door de woestijn bemoedigd hadden, werden gezongen. De geboden Gods weerklonken in een gemeenschappelijke zang, en, verbonden met de gezegende invloeden der natuur en de genoegens van de gezellige omgang met vrienden en kennissen, werden deze voorgoed gegrift in het geheugen van alle kinderen en jonge mensen. De Paschadienst Ka 41 2 De ceremoniën waarvan men in Jeruzalem getuige was in verband met het Pascha, -- de nachtelijke vergadering, de mannen met de lendenen omgord, de schoenen aan de voeten, en de staf in de hand, het haastig gebruikte maal, het lam, het ongezuurde brood, en de bittere kruiden, en in de plechtige stilte het voorlezen van het verhaal van het gesprenkelde bloed, de rondgaande engel des doods, en de indrukwekkende uittocht uit het land der slavernij -- dat alles droeg ertoe bij de verbeelding te prikkelen en indruk te maken op het hart. Het oogstfeest Ka 41 3 Het Loofhuttenfeest of oogstfeest, met zijn offeranden van boomgaard en akker, zijn verblijf gedurende een week in de loofhutten, zijn gezellige bijeenkomsten, de heilige herdenkingsdienst, en de hartelijke gastvrijheid welke verleend werd aan Gods arbeiders, de Levieten van het heiligdom, en aan Zijn kinderen, de vreemdelingen en de armen, verhief aller hart in dankbaarheid tot Hem Die "het jaar had gekroond met Zijn goedertierenheid" en Wiens "voetstappen dropen van vettigheid". Ka 41 4 Voor de toegewijden in Israël werd op deze wijze een volle maand in beslag genomen. Dat was een tijdsduur zonder zorg en arbeid, die bijna geheel aan de doelstellingen der opvoeding was gewijd. Eigendomsrecht op het land Ka 42 1 In de verdeling van het erfdeel onder Zijn volk, was het Gods bedoeling om hen, en door hen de geslachten na hen, de juiste beginselen te leren aangaande het eigendomsrecht op het land. Het land Kanaän werd verdeeld onder het gehele volk, met uitzondering van de Levieten die dienst deden in het heiligdom. Hoewel de mogelijkheid bestond dat iemand gedurende enige tijd van dat recht afstand deed, kon hij toch het erfdeel van zijn kinderen niet voor goed verkwanselen. Hij kon het te allen tijde inlossen indien hij daartoe in staat was; elk zevende jaar werden de schulden kwijtgescholden, en in het vijftigste jaar, het jubeljaar, vielen alle eigendomsrechten op het land weer terug aan de oorspronkelijke bezitter. Zo was elk gezin van zijn bezit verzekerd en was men ertegen beveiligd in uitersten te vervallen, hetzij in rijkdom of in armoede. Bijzondere voorziening ten aanzien der opvoeding Ka 42 2 Bij de verdeling van het land onder het volk voorzag God, evenals dat het geval was bij de bewoners van het Paradijs, in de bezigheid welke het best geschikt was voor hun ontwikkeling, n.l. de zorg voor planten en dieren. Een verdere voorziening wat betreft de opvoeding, was het onderbreken van de arbeid in de landbouw gedurende elk zevende jaar, waarin de akkers braak lagen, en de produkten die vanzelf daarop groeiden, aan de armen werden overgelaten. Zo werd gelegenheid geschonken voor een uitgebreider studie, voor vriendschappelijke omgang en aanbidding, en voor het beoefenen van de weldadigheid, dingen die door de zorgen en de drukten van het leven zo vaak in de verdrukking kwamen. Een sleutel voor de problemen van deze tijd Ka 42 3 Zouden de beginselen van Gods wetten ten aanzien van de verdeling van het bezit uitgevoerd worden in de wereld van heden, hoe geheel anders zou dan de toestand onder de mensen zijn! Het toepassen van deze beginselen zou de verschrikkelijke boosheden hebben voorkomen die door alle eeuwen heen het gevolg zijn geweest van de verdrukking der armen door de rijken en de haat der armen tegenover de rijken. Terwijl het de opeenhoping van grote fortuinen zou hebben verhinderd, zou het de onwetendheid en ontaarding hebben voorkomen van tienduizenden wier slecht betaalde arbeid nodig was voor de opbouw van zulke enorme kapitalen. Het zou meehelpen om een vredelievende oplossing te brengen van problemen die nu de wereld in anarchie en bloed dreigen te verstikken. Erkenning van Gods eigendomsrecht Ka 43 1 Het wijden aan God van een tiende van alle inkomsten, hetzij van de boomgaard en de akker, de schapen, en het vee, of van de arbeid van hoofd en hand; de wijding van een tweede tiende voor de ondersteuning der armen en andere weldadigheid, hadden de bedoeling, de mensen steeds de waarheid voor te houden dat God de eigenaar is van alles, alsook van hun kans om de kanalen van Zijn zegeningen te zijn. Het was een opleiding die alle bekrompen zelfzucht zou doden en het karakter grootheid en zieleadel zou verlenen. Kennis van God, gemeenschap met Hem in de studie en in de arbeid, gelijkenis met Hem in karakter, moesten de bron, het middel en het doel zijn van Israëls opvoeding -- de opvoeding die door God gegeven werd aan de ouders, en die door hen aan hun kinderen gegeven moest worden. ------------------------Hoofdstuk 6--De scholen der profeten Ka 44 0 ,,Zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden." Gevaren van het heidendom Ka 44 1 Overal in Israël waar Gods opvoedingsplan werd uitgevoerd, getuigden de resultaten van zijn Maker. Maar in zeer vele gezinnen was van die door de Hemel vastgestelde opleiding, en van de aldus ontwikkelde karakters, heel weinig te bemerken. Gods plan werd slechts gedeeltelijk en onvolmaakt vervuld. Door ongeloof en door veronachtzaming van de aanwijzingen des Heren, omringden de Israëlieten zich met verzoekingen, waartegen slechts weinigen bestand waren. Bij hun vestiging in Kanaän "verdelgden zij de volken niet, van welke de Here tot hen gesproken had; maar zij lieten zich in met de heidenen en leerden hun werken; zij dienden hun afgoden, die hun tot een valstrik werden". Zij stonden niet recht tegenover God en "hun hart was niet standvastig bij Hem, zij waren niet getrouw aan Zijn verbond. Maar Hij, de barmhartige, verzoende de ongerechtigheid en verdierf niet; Hij wendde menigmaal Zijn toorn af.... Hij gedacht dat zij vlees waren, een ademtocht die vervliegt en niet wederkeert" (Psalm 106: 34-36; 78: 37-39). Onverschilligheid der ouders Ka 44 2 Vaders en moeders in Israël werden onverschillig tegenover hun verplichting tot God, onverschillig tegenover hun verplichting tot hun kinderen. Door ontrouw in het gezin en afgodische invloeden van buitenaf, ontvingen velen van de opgroeiende jeugd der Hebreeën een opvoeding die zeer verschilde van wat God voor hen had bedoeld. Zij leerden de wegen der heidenen. Scholen ter beveiliging Ka 44 3 Om dit groeiend kwaad tegen te gaan, voorzag God in andere middelen als een hulp voor de ouders in het opvoedingswerk. Vanaf de vroegste tijden had men de profeten beschouwd als door God aangestelde leraars. In de hoogste zin was de profeet iemand die sprak door rechtstreekse inspiratie, die de mensen de door hem van God ontvangen boodschappen overbracht. Maar de naam werd ook gegeven aan hen die, hoewel niet zo rechtstreeks geïnspireerd, door de Hemel waren aangewezen om het volk in de werken en de wegen Gods te onderrichten. Voor de opleiding van zulke leraars had Samuel, op aanwijzing van de Here, de scholen der profeten gesticht. Leraars en scholieren Ka 45 1 Deze scholen moesten als een bescherming dienen tegen de wijd verbreide corruptie, zij moesten voorzien in het verstandelijke en geestelijke welzijn van de jeugd en ook de voorspoed van de natie bevorderen door mannen af te leveren die in staat waren in de vreze Gods als leiders en raadgevers op te treden. Tot dit doel vergaderde Samuel groepen jonge mannen die vroom, verstandig en leergierig waren. Deze scholieren werden de zonen der profeten genoemd. Wanneer zij het Woord en de werken Gods bestudeerden, verkwikte Zijn leven-gevende kracht de vermogens van verstand en ziel en de scholieren ontvingen wijsheid van boven. De leraars waren niet alleen goed onderlegd in de Goddelijke waarheid, maar hadden persoonlijk gemeenschap met God gesmaakt en hadden de bijzondere gave van Zijn Geest ontvangen. Zij bezaten de eerbied en het vertrouwen van het volk, zowel wegens hun geleerdheid als hun godsvrucht. In de dagen van Samuel waren er twee van zulke scholen -- een in Rama, ten huize van de profeet, en de andere in Kirjath-Jearim. Later werden verschillende van die scholen opgericht. Opleiding voor een ambacht Ka 45 2 De leerlingen van deze scholen voorzagen in hun eigen onderhoud, hetzij door de grond te bewerken of door een of ander ambacht. In Israël zag men daarin niets vreemds of vernederends; ja, het werd zelfs als een zonde beschouwd wanneer men kinderen liet opgroeien zonder een nuttig ambacht te leren. Elke jongeling, of zijn ouders nu rijk of arm waren, moest een vak leren. Zelfs al werd hij opgeleid voor een heilig ambt, werd praktische kennis toch als noodzakelijk beschouwd voor de grootste bruikbaarheid. Ook velen van de leraars voorzagen in hun onderhoud door handenarbeid. De studiecursus Ka 46 1 Zowel op school als in het gezin gaf men hoofdzakelijk mondeling onderwijs; maar de jeugd werd ook onderwezen in het lezen van de Hebreeuwse geschriften en zij konden de perkamentrollen der boeken van het Oude Testament voor hun studie raadplegen. De voornaamste studieonderwerpen op deze scholen waren de wet van God, met de aan Mozes gegeven toelichtingen, gewijde geschiedenis, gewijde muziek, en dichtkunst. In de verhalen van de gewijde historie volgde men de voetstappen van Jehova. De grote waarheden, aan het licht gebracht door de schaduwbeelden in de dienst van het heiligdom, werden aan een diepgaande studie onderworpen en in het geloof klemde men zich vast aan het middelpunt van dat gehele systeem -- het Lam Gods Dat de zonde der wereld zou wegnemen. Daar werd een ware geest van toewijding aangekweekt. Niet alleen werd de scholieren de plicht des gebeds bijgebracht, maar hen werd ook geleerd hoe te bidden, hoe tot hun Schepper te naderen, hoe het geloof in Hem te oefenen, en hoe de onderwijzingen van Zijn Geest te begrijpen en te gehoorzamen. Een geheiligd verstand bracht uit Gods schatkamer oude en nieuwe dingen te voorschijn, en de Geest van God openbaarde Zich in de profetie en in het gewijde lied. Resultaten Ka 46 2 Deze scholen bleken een van de doeltreffendste middelen te zijn om de gerechtigheid die "een volk verhoogt" (Spr. 14:34), te bevorderen. In niet geringe mate hielpen ze het fundament te leggen van die wonderbaarlijke voorspoed welke zich voordeed onder de regering van David en Salomo. David en Salomo Ka 46 3 De beginselen, onderwezen op de scholen der profeten, waren dezelfde die het karakter van David vormden en zijn leven bepaalden. Het Woord van God was zijn onderwijzer. "Uit Uw bevelen," zei hij, "heb ik inzicht ontvangen.... Ik neig mijn hart om Uw inzettingen te doen" (Ps. 119: 104-112). Dat was juist de oorzaak dat de Here sprak van David, toen Hij hem in zijn jeugd tot de troon riep, als van "een man naar Mijn hart" (Hand. 13 : 22). Ka 46 4 Ook in de jongelingsjaren van Salomo zijn de resultaten van Gods opvoedingsmethode te zien. In zijn jeugd maakte Salomo de keuze van David tot de zijne. Boven elk aards bezit vroeg hij aan God een wijs en verstandig hart. En de Here schonk hem niet enkel wat hij had gevraagd, maar ook wat hij niet had gevraagd -- rijkdom en eer. De kracht van zijn verstand, de veelomvattendheid van zijn kennis, de glorie van zijn regering, werden het wonder der wereld. De grootheid van Israël Ka 47 1 Onder de regering van David en Salomo bereikte Israël het toppunt van zijn grootheid. De belofte, aan Abraham gegeven en door Mozes herhaald, ging in vervulling: "Indien gij heel dit gebod dat Ik u heden opleg, zeer naarstig onderhoudt, de Here uw God liefhebt, in al Zijn wegen gaat en Hem aanhangt, dan zal de Here al deze volken voor u wegdrijven, zodat gij het gebied van volken, groter en machtiger dan gij, in bezit zult nemen. Elke plaats die uw voetzool betreedt, zal van u zijn; vanaf de woestijn tot de Libanon, vanaf de rivier, de rivier de Eufraat, tot de westelijke zee toe zal uw gebied zich uitstrekken. Niemand zal vóór u standhouden" (Deut. 11: 22-25). Vermenging met afgodendienaars Ka 47 2 Maar te midden van die voorspoed loerde het gevaar. De zonde van Davids latere jaren, hoewel diep berouw en pijnlijke straf daarop volgden, moedigde het volk aan Gods geboden te overtreden. En het leven van Salomo, met een begin zo vol van belofte, werd door afvalligheid verduisterd. Verlangen naar politieke macht en zelfverheffing leidden tot een verbond met heidense volken. Het zilver van Tarsis en het goud van Ophir werden verkregen door opoffering van de onkreukbaarheid en door verraad van heilige goederen. Omgang met afgodendienaars, huwelijk met heidense vrouwen, waren verderfelijk voor zijn geloof. De muren die God had opgericht ter beveiliging van Zijn volk, werden op deze wijze neergehaald en zo begon Salomo valse goden te vereren. Afvalligheid Ka 47 3 Op de top van de Olijfberg, recht tegenover de tempel van Jehova, werden reusachtige beelden en altaren opgericht om de heidense goden te dienen. Toen hij zijn trouw aan God verbrak, verloor Salomo de heerschappij over zichzelf. Zijn fijngevoeligheid stompte af. De gewetensvolle omzichtige geest van zijn eerste regeringsjaren onderging een verandering. Trots, eerzucht, verkwisting en genotzucht ontaardden in geweld en afpersing. Hij die een rechtvaardig, minzaam en Godvrezend heerser was geweest, werd een tiran en een verdrukker. Hij die bij de inwijding van de tempel voor zijn volk had gebeden dat zij hun hart onverdeeld aan de Here zouden geven, werd hun verleider. Salomo onteerde zichzelf, onteerde Israël en onteerde God. Nationale ondergang Ka 48 1 De natie wier trots hij geweest was, volgde zijn leiding. Hoewel hij later tot inkeer kwam, voorkwam zijn berouw toch niet de vrucht van het kwaad dat hij had gezaaid. De tucht en de scholing die God voor Israël had voorgeschreven, zouden hen in al hun levenswegen doen verschillen van de andere volken. Dit bijzondere voorrecht, dat zij hadden moeten beschouwen als een gunst, werd door hen niet gewaardeerd. De eenvoud en zelfbeheersing, welke absoluut nodig zijn voor de hoogste ontwikkeling, trachtten zij te vervangen door de pracht en de praal en de genotzucht van heidense volken. Hun eerzucht was te zijn "gelijk al de volken" (1 Sam. 8: 5). Gods opvoedingsplan werd opzij gezet, Zijn gezag niet erkend. Ka 48 2 Met het verwerpen van Gods wegen, en de wegen der mensen daarvoor in de plaats te stellen, begon het verval van Israël. Dat woekerde zo steeds verder, tot het Joodse volk een prooi werd juist van de volken wier praktijken zij hadden verkozen na te volgen. Gods plan onveranderd Ka 48 3 Als volk faalden de kinderen Israëls om de weldaden te ontvangen die God hun wilde geven. Zij waardeerden Zijn bedoeling niet en voelden er niets voor om tot het welslagen daarvan mee te werken. Maar hoewel personen en volken zich op deze wijze van God kunnen afscheiden, blijft Zijn plan voor hen die op Hem betrouwen, onveranderd. "Al wat God doet, is voor eeuwig" (Pred. 3 :14). Ka 48 4 Hoewel er verschillende graden van ontwikkeling en verschillende openbaringen van Zijn macht zijn om aan de behoeften der mensen in de verschillende tijdperken tegemoet te komen, is Gods werk toch in alle tijden hetzelfde. De Leraar is Dezelfde. Gods karakter en Zijn plan zijn hetzelfde. Bij Hem "is geen verandering of zweem van ommekeer" (Jac. 1:17). "Ter waarschuwing voor ons" Ka 49 1 De ervaringen van Israël zijn vermeld als een les voor ons. "Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der wereld gekomen is" (1 Cor. 10: 11). Zoals indertijd met het oude Israël, is ook voor ons succes in de opvoeding afhankelijk van getrouwheid in het uitvoeren van Gods plan. Getrouwheid aan de beginselen van Gods Woord zal ons even grote zegeningen verschaffen als het aan het Hebreeuwse volk verschaft zou hebben. ------------------------Hoofdstuk 7--Uit het leven van grote mannen Ka 50 0 ,,De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens." Resultaten van juiste opvoeding Ka 50 1 De gewijde geschiedenis biedt tal van voorbeelden ten aanzien van de resultaten van de juiste opvoeding. Zij geeft vele edele voorbeelden van mannen wier karakters gevormd werden onder goddelijke leiding; mannen wier leven een zegen was voor hun medemensen en die als vertegenwoordigers van God in de wereld stonden. Tot hen behoren Jozef en Daniël, Mozes, Elisa en Paulus -- de grootste staatslieden, de wijste wetgever, één van de trouwste hervormers, en, met uitzondering van Hem Die sprak als geen mens ooit gesproken had, de beroemdste leraar die deze wereld gekend heeft. Ka 50 2 Jozef Ka 50 3 In hun jeugd, juist in de overgangstijd van jongeling tot man, werden Jozef en Daniël van hun ouderlijk huis gescheiden om als gevangenen naar heidense landen gebracht te worden. Vooral Jozef stond bloot aan de verleidingen die voortvloeien uit grote lotswisselingen. In het huis zijns vaders een bijzonder geliefd kind; ten huize van Potifar een slaaf, dan een vertrouwde en metgezel; een zakenman, geschoold door studie, opmerkingsgave en omgang met mensen; in de kerker van Farao een staatsgevangene, onrechtvaardig veroordeeld, zonder hoop op rechtsherstel of vooruitzicht om vrij te komen; tijdens een grote crisis geroepen tot het leiderschap van een volk, -- wat stelde hem nu in staat, zijn rechtschapenheid te bewaren? Gevaren van voorspoed Ka 50 4 Niemand kan zonder gevaar op een verheven hoogte staan. Zoals de storm die de bloem in het dal niet deert, de boom bovenop de berg ontwortelt, zo bestormen sterke verzoekingen waardoor de nederigen niet beroerd worden, diegenen die door succes en eer in de wereld verheven plaatsen innemen. Maar Jozef doorstond zowel de proef van tegenspoed als van voorspoed. Dezelfde trouw werd geopenbaard in het paleis van de Farao's als in de gevangeniscel. Jozefs jeugdjaren Ka 51 1 Als kind was Jozef onderwezen in de liefde en de vreze Gods. Vaak was hem in de tent van zijn vader, onder de Syrische sterrenhemel, het verhaal verteld van het nachtelijk visioen in Bethel, van de ladder van de hemel naar de aarde, en de afen opklimmende engelen, en van Hem Die Zich vanaf de troon in de hemel aan Jacob openbaarde. Hem was het verhaal verteld van de strijd aan de Jabbok, toen Jacob, na gebroken te hebben met gekoesterde zonden, daar als overwinnaar stond en door God een vorst werd genoemd. Ka 51 2 Als herdersjongen die de kudde van zijn vader hoedde, was het reine en eenvoudige leven van Jozef gunstig geweest voor de ontwikkeling van lichamelijke en geestelijke krachten. Door gemeenschap met God, door middel van de natuur en het bestuderen van de grote waarheden die als een heilig bezit van vader op zoon waren overgegaan, had hij geestkracht en vastheid van beginsel verkregen. De crisis Ka 51 3 In de crisis van zijn leven, toen hij die verschrikkelijke reis maakte van zijn ouderlijk huis in Kanaän naar de slavernij die hem wachtte in Egypte, en hij een laatste blik wierp op de heuvelen waarachter de tenten van zijn verwanten lagen, herinnerde Jozef zich de God zijns vaders. Hij herinnerde zich de lessen uit zijn kinderjaren, en diep in zijn ziel nam hij zich voor om trouw te blijven, -- om altijd te handelen als een onderdaan van de Koning des hemels betaamde. Opgeleid om te dienen Ka 51 4 In het bittere leven als vreemdeling en als slaaf, te midden van alle ondeugd en de verlokkingen van de heidense godenverering, die hij zag en hoorde, omringd door al de verleidingen van rijkdom en cultuur en de pracht en praal van een koninklijk hof, bleef Jozef standvastig. Hij had geleerd steeds trouw zijn plicht te doen. Trouw in elke positie, van de allernederigste tot de verhevenste, maakte al zijn talenten bekwaam tot de grootste prestatie. Ka 51 5 Ten tijde dat hij aan het hof van de Farao werd geroepen, was Egypte de grootste onder de naties. Wat beschaving, kunst en wetenschap betreft, was het ongeëvenaard. Gedurende een uiterst moeilijke en gevaarlijke periode beheerde Jozef de zaken van het koninkrijk; en dat deed hij op een wijze die het vertrouwen van de koning en het volk won. Farao stelde hem "tot heer over zijn huis, tot heerser over al zijn bezit, om zijn vorsten te binden naar zijn goeddunken, en zijn oudsten leerde hij wijsheid" (Psalm 105: 21, 22). Ka 52 1 Het geheim van Jozefs grootheid Ka 52 2 Het geheim van Jozefs grootheid heeft het geïnspireerde Woord ons onthuld. In woorden van goddelijke kracht en schoonheid, sprak Jacob toen hij zijn kinderen zegende, aldus van zijn meest geliefde zoon: Ka 52 3 "Een jonge vruchtboom is Jozef, Een jonge vruchtboom aan een bron; Zijn takken stijgen boven de muur uit; De boogschutters hebben hem getergd, Beschoten en vijandig bejegend, Maar zijn boog bleef stevig En zijn sterke handen bleven lenig, Door de handen van de Machtige Jacobs...., Door de Gods uws vaders, Die u zal helpen, En de Almachtige, Die u zal zegenen Met zegeningen des hemels van boven, Met zegeningen van de watervloed....; De zegeningen van uw vader gaan De zegeningen van mijn voorvaderen te boven, Reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; Zij zullen komen op het hoofd van Jozef, Op de schedel van de uitverkorene onder zijn broederen." (Gen 49:22-26) Ka 52 4 Trouw aan God, geloof in de Onzienlijke, was Jozefs anker. Daarin lag het geheim van zijn kracht. Ka 52 5 "Zijn sterke handen bleven lenig Door de handen van de Machtige Jacobs." Daniël Ka 53 1 Daniël en zijn vrienden in Babylon waren in hun jeugd ogenschijnlijk meer door het lot begunstigd dan Jozef in zijn jeugd in Egypte; en nochtans werden zij onderworpen aan beproevingen van hun karakter, die nauwelijks minder streng waren. Vanuit de betrekkelijke eenvoud van hun tehuis in Judea werden deze jongelingen van vorstelijken bloede overgebracht naar de prachtigste aller steden, naar het hof van zijn grootste vorst, en werden uitverkoren om opgeleid te worden voor 's konings dienst. Groot waren de verleidingen waaraan zij blootstonden aan dat verdorven en weelderige hof. Gevaren in Babylon Ka 53 2 Het feit dat zij, de aanbidders van Jehova, gevangenen in Babylon waren; dat de vaten van het huis Gods geplaatst waren in de tempel der goden van Babylon; dat de koning van Israël zelf een gevangene was in de handen der Babyloniërs, werd met veel bluf door de overwinnaars vermeld als bewijs dat hun godsdienst en gewoonten verheven waren boven de godsdienst en de gewoonten der Hebreeën. Onder zulke omstandigheden, juist door de vernederingen die Israëls afdwaling van Zijn geboden had bewerkstelligd, gaf God aan Babylon het bewijs van Zijn oppermacht, van de heiligheid van Zijn wetten, en van het zekere gevolg van gehoorzaamheid. En dit getuigenis gaf Hij, zoals dat alleen gegeven kon worden door hen die hun trouw niet verzaakten. Een karaktertoets Ka 53 3 Juist aan het begin van hun loopbaan werden Daniël en zijn vrienden op een beslissende wijze op de proef gesteld. Het bevel dat zij de spijzen zouden ontvangen van de tafel des konings, was zowel een uitdrukking van de gunst des konings als van zijn zorg voor hun welzijn. Maar daar een gedeelte geofferd was aan de afgoden, waren de spijzen van 's konings tafel gewijd aan de afgodendienst; en indien deze jonge mensen nu de minzaamheid van de koning zouden aanvaarden, zou men dat beschouwen als hun deelname in zijn verering van valse goden. De trouw aan de Here verbood hen aan die verering deel te nemen. Evenmin wilden zij het gevaar lopen van de-verzwakkende invloed van weelde en losbandigheid op de lichamelijke, verstandelijke en geestelijke ontwikkeling. Ka 54 1 Daniël en zijn vrienden waren terdege onderwezen in de beginselen van het Woord Gods. Zij hadden geleerd het aardse op te offeren aan het geestelijke, om het hoogste bezit te zoeken. En zij oogstten de beloning. Hun gewoonten ten aanzien van matigheid en hun verantwoordelijkheidsgevoel als vertegenwoordigers van God, droegen bij tot de edelste ontwikkeling van de krachten van lichaam, verstand en ziel. Aan het einde van hun opleiding, toen zij met andere candidaten naar de gunsten van het koninkrijk op hun bekwaamheid werden getoetst, "werd niemand gevonden gelijk Daniël, Hananja, Misaël en Azarja" (Dan. 1: 19). De eersten onder de studerenden Ka 54 2 Aan het hof van Babylon waren vertegenwoordigers uit alle landen bijeen, mannen met bijzondere talenten, mannen die van nature zeer begaafd waren en in het bezit van de hoogste beschaving die de wereld kon schenken; nochtans hadden te midden van hen allen de Hebreeuwse gevangenen huns gelijken niet. In lichamelijke kracht en schoonheid, in verstandelijke kracht en geleerdheid, was er niemand die hen evenaarde. "In elke zaak waarbij het aankwam op wijs inzicht en waarover de koning hen ondervroeg, bevond hij hen tienmaal voortreffelijker dan al de geleerden, al de bezweerders in zijn ganse rijk" (Dan. 1:20). Ka 54 3 Standvastig in zijn trouw tot God, onwrikbaar in zijn zelfbeheersing, won Daniël door zijn edele waardigheid en hoffelijk gedrag in zijn jongelingschap de "gunst en aanhankelijkheid" van de heidense hoveling onder wiens hoede hij was gesteld. De staatsman zonder weerga Ka 54 4 Dezelfde karaktereigenschappen kenmerkten zijn leven. Al spoedig werd hij verheven tot eerste minister van het koninkrijk. Tijdens de regering van opeenvolgende vorsten, de ondergang van het rijk en het opkomen van een wedijverende macht, waren zijn wijsheid en staatsmanschap zo groot, zijn tact, zijn hoffelijkheid, en zijn oprechte goedheid des harten en zijn beginselvastheid zo volmaakt, dat zelfs zijn vijanden wel moesten erkennen dat "zij geen enkele grond voor een aanklacht of iets verkeerds konden vinden, omdat hij getrouw was" (Dan. 6:5). De gezant des Hemels Ka 55 1 Terwijl Daniël God aanhing met onwankelbare trouw, nam de kracht van de geest der profetie bezit van hem. Terwijl mensen hem eerden met de verantwoordelijkheden van het hof en de geheimen van het koninkrijk, eerde God hem door hem als Zijn gezant aan te stellen, en zo werd hij onderwezen om de verborgenheden van de komende tijden te lezen. Heidense vorsten moesten, door hun omgang met de vertegenwoordiger des Hemels, de God van Daniël wel erkennen. "In waarheid," riep Nebukadnezar uit, "uw God is de God der goden en de Here der koningen, en Hij openbaart verborgenheden." En in zijn proclamatie "aan alle volken, natiën en talen, die de ganse aarde bewonen", verheerlijkte Darius "de God van Daniël" als "de levende God, Die blijft in eeuwigheid; Zijn Koningschap is onverderfelijk", Die "bevrijdt en redt, en doet tekenen en wonderen in hemel en op aarde" (Dan. 2 :47; 6 :26-28). Ka 55 2 Door hun wijsheid en rechtvaardigheid, door de zuiverheid en minzaamheid van hun dagelijks leven, door hun zorg voor de belangen van het volk -- en dat waren dan afgodendienaars -- bewezen Jozef en Daniël hun trouw aan de beginselen van hun vroegste opvoeding, trouw aan Hem Wiens vertegenwoordigers zij waren. Deze mannen werden, zowel in Egypte als in Babylon, door het gehele volk geëerd; en in hen zagen een heidens volk, en al de volken met wie zij in aanraking kwamen, een voorbeeld van de goedheid en weldadigheid van God, een voorbeeld van de liefde van Christus. Een edele levenstaak Ka 55 3 Wat een levenstaak was dit voor deze edele Hebreeën! Hoe weinig vermoedden zij van hun verheven bestemming, toen zij losgerukt werden van het ouderlijk huis! Trouw en standvastig gaven zij zich over aan de goddelijke leiding, zodat God door hen Zijn doel kon bereiken. Ka 55 4 Dezelfde machtige waarheden die door deze mannen werden geopenbaard, wil God zo gaarne openbaren door de jeugd en de kinderen van deze tijd. De geschiedenis van Jozef en Daniël is een voorbeeld van hetgeen Hij wil doen voor hen die zich aan Hem overgeven en met geheel hun hart Zijn bedoeling trachten te vervullen. De grootste behoefte der wereld Ka 56 1 Waar de wereld het meest behoefte aan heeft is aan mannen, -- mannen die zich niet laten omkopen; mannen die tot in het diepst van hun ziel trouw en eerlijk zijn; mannen die niet vrezen de zonde bij haar juiste naam te noemen; mannen wier geweten zo vast gericht is op hun plicht als de kompasnaald op de pool; mannen die op de bres staan voor het recht, al zouden de hemelen vallen. Zelftucht Ka 56 2 Maar zo'n karakter wordt niet bij toeval verkregen; dat verkrijgt men niet door bijzondere gunsten of gaven der voorzienigheid. Een nobel karakter is het resultaat van zelftucht, van de onderwerping van de lagere natuur aan de hogere -- de overgave van het eigen-ik aan de dienst der liefde jegens God en de mens. Ka 56 3 De jeugd moet de waarheid worden bijgebracht dat al hun talenten niet hun persoonlijk bezit zijn. Kracht, tijd, verstand zijn slechts geleende schatten. Die behoren God toe, en het moet het besluit zijn van iedere jonge man om die aan te wenden tot het grootste nut. Hij is een tak waarvan God vrucht verwacht; een rentmeester wiens kapitaal steeds moet toenemen; een licht om de duisternis der wereld te verlichten. Ka 56 4 Elke jonge man of vrouw, elk kind heeft een werk te doen ter ere Gods en voor de verheffing der mensheid. Elisa Ka 56 5 Elisa bracht zijn jeugd door te midden van de rust van het buitenleven, waar hij werd onderwezen door God en de natuur, en geschoold tot nuttige arbeid. In een tijd van bijna algemene afvalligheid behoorde het huis zijns vaders tot hen die de knieën voor Baäl niet hadden gebogen. Hij behoorde tot een gezin waar God werd vereerd en plichtsgetrouwheid de regel was van het dagelijkse leven. Als zoon van een welgestelde boer had Elisa het werk aangepakt dat het meest voor de hand lag. Hoewel hij de bekwaamheden bezat om als leider van de mensen op te treden, werd hij geschoold voor de gewone plichten des levens. Om met verstand leiding te kunnen geven, moest hij eerst leren gehoorzamen. Door getrouwheid in het kleine, werd hij voorbereid op vertrouwenszaken van veel meer belang. Trouw in het kleine Ka 57 1 Elisa was van een zachtmoedige, stille geest, maar bezat toch ook energie en standvastigheid. Hij groeide op in de liefde en vreze Gods, en in de nederige verrichting van zijn dagelijks werk verkreeg hij een sterke doelbewustheid en karakteradel, terwijl hij opwies in goddelijke genade en kennis. In de samenwerking met zijn vader wat betreft de huiselijke plichten, leerde hij ook met God samen te werken. Ka 57 2 De profetische roep kwam tot Elisa, toen hij met de knechten van zijn vader bezig was de akker te ploegen. Toen Elia, door God geleid in het zoeken van een opvolger, zijn mantel over de schouders van de jonge man wierp, wist Elisa wat dit betekende en hij gehoorzaamde de oproep. Hij "volgde Elia en diende hem" (1 Kon. 19:21). Ka 57 3 Het was geen verheven werk dat in den beginne van Elisa werd gevraagd; gewone dagelijkse bezigheden vormden nog steeds zijn zelftucht. Van hem wordt gezegd dat hij water uitstortte over de handen van Elia, zijn meester. Terwijl hij de profeet steeds vergezelde, bleef hij trouw in kleine dingen, maar wijdde zich ook elke dag met steeds sterker doelbewustheid aan de taak hem door God opgelegd. Doelbewustheid Ka 57 4 Toen hij de eerste keer werd opgeroepen, werd zijn vastberadenheid op de proef gesteld. Hij wilde Elia volgen, maar de profeet vroeg hem naar huis terug te keren. Hij moest de kosten berekenen -- voor zichzelf beslissen de oproep aan te nemen of te verwerpen. Maar Elisa zag de waarde van zijn kans. Voor geen enkel werelds voordeel wilde hij zich de mogelijkheid om Gods boodschapper te worden, of het voorrecht van de omgang met Zijn dienstknecht laten ontgaan. Geloofsbeproeving Ka 57 5 Terwijl de tijd voorbijging en Elia werd voorbereid om ten hemel te varen, werd Elisa voorbereid zijn opvolger te worden. En opnieuw werden zijn geloof en zijn vastberadenheid op de proef gesteld. Terwijl hij Elia op zijn dienstreizen vergezelde en wist dat de verandering spoedig zou plaatsvinden, vroeg de profeet hem op elke plaats om terug te keren. "Blijf toch hier," zei Elia, "want de Here heeft mij naar Bethel gezonden." Maar bij zijn vroegere arbeid, toen hij achter de ploeg had gelopen, had Elisa geleerd nooit te versagen of de moed te verliezen; en nu hij op een ander arbeidsterrein zijn hand aan de ploeg had gezet, liet hij zich niet van zijn doel afbrengen. Steeds wanneer hem gevraagd werd terug te keren, luidde zijn antwoord: "Zo waar de Here leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten" (2 Kon. 2 :2). De verheven gave Ka 58 1 "Zo gingen zij beiden verder.... toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden. Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen, en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken. En zodra zij overgestoken waren, zei Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zei: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. En Elia zei: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien terwijl ik van u wordt weggenomen, dan zal het aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. Ka 58 2 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de Here, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken. De profeten van Jericho die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde" (2 Kon. 2 :6-15). Ka 58 3 Van toen af stond Elisa in de plaats van Elia. En hij, die zich trouw had betoond in het minste, bewees ook trouw te zijn in het vele. Vruchten van een doelmatige scholing Ka 59 1 Elia, de man van de kracht, was Gods instrument geweest om geweldige boosheden uit te roeien. Afgodendienst die, ondersteund door Achab en de heidense Izebel, de natie had verleid, was onderdrukt. Baäls profeten waren gedood. Een golf van ontroering was gegaan door het gehele volk Israël en velen keerden terug tot de aanbidding van God. Als opvolger van Elia was iemand nodig die door nauwgezet, geduldig onderricht Israël op veilige paden kon leiden. Voor dit werk had Elisa's eerste opleiding onder Gods toezicht hem geschikt gemaakt. Een les voor allen Ka 59 2 De les geldt voor iedereen. Niemand kan weten wat Gods doel met Zijn discipline kan zijn; maar allen kunnen ervan verzekerd zijn dat getrouwheid in kleine dingen het bewijs is van een geschiktheid voor zwaardere verantwoordelijkheden. Elke levensdaad is een openbaring van het karakter en alleen hij die in kleine dingen bewijst te zijn "een arbeider die zich niet behoeft te schamen" (2 Tim. 2 : 15), zal door God met grotere verantwoordelijkheden worden bekleed. Mozes Ka 59 3 Jonger dan Jozef en Daniël was Mozes, toen hij onttrokken werd aan de beschermende zorgen van zijn ouderlijk huis; nochtans hebben dezelfde middelen die aan hun leven vorm hebben gegeven, ook zijn leven gevormd. Slechts twaalf jaar bracht hij door in het huis van zijn Hebreeuwse ouders; maar in de loop van deze jaren werd het fundament voor zijn grootheid gelegd; en dat werd gelegd door de hand van iemand van wie men zo goed als niets weet. Het onderwijs van zijn moeder Ka 59 4 Jochebed was een vrouw en een slavin. Haar plaats in het leven was nederig, haar last zwaar. Maar door geen andere vrouw, met uitzondering van Maria van Nazareth, heeft de wereld groter zegen ontvangen. Wetende, dat haar kind spoedig haar zorg zou moeten ontberen om toevertrouwd te worden aan hen die God niet kenden, deed zij des te meer haar best om zijn ziel met de hemel te verbinden. Zij streefde ernaar in zijn hart liefde en trouw tegenover God in te prenten. En vol geloof werd dat werk gedaan. Dank zij deze waarheidsbeginselen die de kern uitmaakten van het onderwijs van zijn moeder en haar levensles, kon geen latere invloed Mozes tot afvalligheid bewegen. In de scholen van Egypte Ka 60 1 Vanuit de nederige woning in Gosen, kwam de zoon van Jochebed in het paleis van de Farao's, van de Egyptische prinses, waar hij ontvangen werd als een geliefde en geachte zoon. Op de scholen van Egypte ontving Mozes de hoogste burgerlijke en militaire opleiding. In het bezit van grote persoonlijke aantrekkelijkheden, edel van voorkomen en gestalte, beschaafd en met vorstelijke manieren, vermaard als militair aanvoerder, werd hij de trots van de natie. De koning van Egypte was tevens lid van de priesterklasse; en zo werd Mozes, hoewel hij weigerde deel te nemen aan de heidense afgodendiensten, ingewijd in al de verborgenheden van de Egyptische godsdienst. Egypte was in die tijd nog steeds het machtigste en beschaafdste rijk onder de volken en zo zouden aan Mozes, als toekomstig heerser, de hoogste eerbewijzen die de wereld maar kon schenken, ten deel vallen. Maar hij had een verhevener keuze gedaan. Voor de eer van God en de bevrijding van zijn onderdrukt volk offerde Mozes al de eerbewijzen van Egypte op. Toen begon op een bepaalde manier God met zijn opleiding. De les van de nederlaag Ka 60 2 Tot nu toe was Mozes nog niet voorbereid op zijn levenstaak. Hij moest nog leren zich te verlaten op goddelijke kracht. Hij had Gods doel niet begrepen. Hij hoopte Israël te bevrijden door wapengeweld. Daarvoor waagde hij alles, en hij verloor. Geslagen en teleurgesteld moest hij zich redden door de vlucht en werd een balling in een vreemd land. Opgeleid voor het leiderschap Ka 60 3 In de woestijngebieden van Midian bracht Mozes veertig jaar door met het hoeden der schapen. Ogenschijnlijk geheel afgesneden van zijn levenstaak, ontving hij voor de vervulling daarvan de noodzakelijke tucht. Wijsheid om een onwetende, ongedisciplineerde menigte te besturen, moest verkregen worden door zelfbeheersing. Met de zorg over de schapen en de zwakke lammeren moest hij de ervaring opdoen die van hem een getrouwe, lankmoedige herder van Israël zou maken. Om een vertegenwoordiger van God te worden, moest hij door God onderwezen worden. Ka 61 1 De invloeden die hem in Egypte omringd hadden, de liefde van zijn pleegmoeder, zijn eigen positie als kleinzoon van de koning, de weelde en het kwaad, dat hem van alle kanten in verschillende vormen trachtte te lokken, de verfijning, de spitsvondigheid en de mystiek van een valse godsdienst, hadden een stempel op zijn verstand en wezen achtergelaten. Dit alles verdween in de strenge eenvoud van de woestijn. Alleen met God Ka 61 2 Te midden van de plechtige majesteit van de eenzaamheid der bergen, was Mozes alleen met God. Overal stond de Naam van de Schepper geschreven. Mozes scheen in Zijn tegenwoordigheid te staan en overschaduwd te worden door Zijn macht. Hier verdween zijn zelfgenoegzaamheid. In de aanwezigheid van de Oneindige werd hij zich bewust hoe zwak, hoe onbekwaam, hoe kortzichtig de mens is. Ka 61 3 Hier verkreeg Mozes dat wat hem bijbleef in al de jaren van zijn leven van zwoegen en zorgen -- een geveel van de persoonlijke aanwezigheid van de Goddelijke. Niet alleen overzag hij de eeuwen tot Christus geopenbaard zou worden in het vlees; hij zag Christus het heerleger van Israël vergezellen op al zijn tochten. Wanneer hij verkeerd begrepen en verkeerd voorgesteld werd, wanneer hij geroepen werd om met verwijten en beledigingen overladen te worden, om gevaar en dood onder het oog te zien, kon hij dat alles verdragen " als ziende de Onzienlijke" (Hebr. 11:27). Ka 61 4 Mozes dacht niet enkel aan God, maar hij zag Hem. Aanhoudend had hij God voor ogen. Nooit wendde hij zijn blik af van Zijn aangezicht. Kracht door geloof Ka 61 5 Voor Mozes was geloof geen gissen; het was een werkelijkheid. Hij geloofde dat God zijn leven in het bijzonder bestuurde; en tot in de kleinste bijzonderheden daarvan erkende hij Hem. Hij vertrouwde op God voor de kracht om elke verleiding te weerstaan. Het grote werk dat hem opgedragen was wilde hij zo goed mogelijk tot een succesvol einde brengen en daarom verliet hij zich geheel op de goddelijke kracht. Hij voelde hoe hij hulp nodig had, hij vroeg daarom, greep dat aan in het geloof en ging voorwaarts in de zekerheid van die ondersteunende kracht. Resultaten van zijn opleiding Ka 62 1 Dat was de ervaring die Mozes opdeed gedurende zijn veertigjarige scholing in de woestijn. Om zo'n ervaring deelachtig te worden, achtte de Oneindige Wijsheid de tijdsduur niet te lang en de prijs niet te hoog. Ka 62 2 De resultaten van die scholing, de lessen daar geleerd, behoren niet alleen tot de geschiedenis van Israël, maar tot alles wat vanaf die dag tot nu toe bijgedragen heeft tot de vooruitgang der wereld. Het verhevenste getuigenis van de grootheid van Mozes, het oordeel dat door goddelijke ingeving over zijn leven uitgesproken werd, luidde: "Zoals Mozes, die de Here gekend heeft van aangezicht tot aangezicht, is er in Israël geen profeet meer opgestaan" (Deut. 34: 10). Paulus Ka 62 3 Met het geloof en de ervaring van de Galilese discipelen die Jezus vergezeld hadden, verbond zich in het Evangeliewerk de vurige ijver en de verstandelijke kracht van een rabbi uit Jeruzalem. Een Hebreeër onder de Hebreeën Ka 62 4 Een Romeins burger, geboren in een heidense stad; een Jood, niet alleen van afkomst, maar ook door scholing vanaf zijn prille jaren, toegewijd patriot en zeer godsdienstig; opgeleid in Jeruzalem door de geleerdste rabbi's en onderwezen in al de wetten en inzettingen der vaderen, was Paulus van Tarsen in de hoogste mate vervuld van de trots en de vooroordelen van zijn volk. Reeds als jonge man werd hij een geëerd lid van het Sanhedrin. Men beschouwde hem als een veelbelovend man, een ijverig verdediger van het oude geloof. Ka 62 5 Op de theologische scholen van Judea was het Woord Gods opzij gezet voor menselijke bespiegelingen; het was ontdaan van zijn kracht door de uitleggingen en inzettingen van de rabbi's. Zelfverheerlijking, zucht om te overheersen, ijverzuchtige afgeslotenheid, blinde dweepzucht en minachtende trots, waren de leidende beginselen en beweegredenen van deze leraars. Een leider der vervolging Ka 63 1 De rabbi's waren trots op hun voortreffelijkheid en voelden zich verheven, niet alleen boven andere volken, maar ook boven de grote massa van hun eigen natie. Terwijl zij hun Romeinse verdrukkers haatten met een vurige haat, koesterden zij de gedachte om door de kracht der wapenen hun onafhankelijkheid te herwinnen en zich vooraan te plaatsen in de volkerenrij. Zij haatten en doodden de volgelingen van Jezus, Wiens boodschap des vredes zo lijnrecht tegenover hun eerzuchtige plannen stond. Aan deze vervolging nam Paulus deel op de meest verbitterde en meedogenloze wijze. Ka 63 2 Op de militaire scholen van Egypte werd Mozes onderwezen in de wet des gewelds, en dat onderricht was zo diep ingeprent in zijn karakter, dat het veertig jaar vereiste in een rustige omgeving en gemeenschap met God en de natuur om hem door de wet der liefde geschikt te maken voor het leiderschap van Israël. Dezelfde les moest Paulus leren. Het visioen van de Gekruisigde Ka 63 3 Bij de poort van Damascus bracht het visioen van de Gekruisigde een volkomen verandering in zijn leven teweeg. De vervolger werd een discipel, de leraar een leerling. De dagen der duisternis, doorgebracht in Damascus in alle eenzaamheid, waren voor zijn ervaring als jaren. De Oudtestamentische Schriften, gegrift in zijn geheugen, waren het onderwerp van zijn studie en Christus was zijn Leraar. Ook voor hem werden de eenzame plaatsen in de natuur een school. Hij ging naar de woestijn van Arabië om daar de Schriften te bestuderen en van God te leren. Hij bevrijdde zijn ziel van de vooroordelen en inzettingen die aan zijn leven vorm hadden gegeven en ontving onderricht van de Bron der waarheid. Ka 63 4 Zijn latere leven werd geïnspireerd door het ene beginsel van zelfopoffering, de dienst der liefde. "Ik ben een schuldenaar," zei hij, "van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden." "De liefde van Christus dringt ons" (Rom. 1: 14; 2 Cor. 5 : 14). Handwerksman, prediker, zendeling Ka 64 1 Hoewel de grootste onder de menselijke leraars, aanvaardde Paulus zowel de nederigste als de hoogste plichten. Hij erkende de noodzakelijkheid om zowel met de hand als met het hoofd te arbeiden, en voorzag in zijn onderhoud door een ambacht. Hij oefende zijn beroep van tentenmaker uit, terwijl hij dagelijks in de grote centra der beschaving het Evangelie verkondigde. "Deze handen," zei hij, toen hij afscheid nam van de ouderlingen van Efeze, "hebben voorzien in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren" (Hand. 20:34). Sympathie en begrip Ka 64 2 Hoewel in het bezit van verheven verstandelijke begaafdheden, openbaarde het leven van Paulus de kracht van een nog zeldzamer wijsheid. Beginselen van het grootste belang, beginselen waartegenover de grootste geleerden van zijn tijd onwetend stonden, worden in zijn onderwijzingen uiteengezet en treden aan de dag in zijn leven. Hij bezat de grootste van alle wijsheid, die een vlug begrip en sympathie des harten doet ontstaan, die de mens in aanraking brengt met mensen, en hen in staat stelt hun betere natuur op te wekken en hen inspireert tot een hoger leven. Ka 64 3 Luister naar zijn woorden tot de heidense bewoners van Lystre, wanneer hij hen wijst op God, geopenbaard in de natuur, de Bron van al het goede, Die "ons van de hemel regen en vruchtbare tijden schenkt en aan onze harten overvloed van spijzen en vrolijkheid" (Hand. 14:17). Meesterschap Ka 64 4 Zie hem in de kerker te Filippi, waar zijn gemarteld lichaam ten spijt, zijn loflied de stilte van het middernachtelijk uur verbreekt. Nadat de aardbeving de gevangenisdeuren heeft geopend, wordt zijn stem opnieuw gehoord, nu in woorden ter bemoediging van de heidense gevangenbewaarder. "Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!" (Hand. 16:28), -- een ieder op zijn plaats, vastgehouden door de tegenwoordigheid van een medegevangene. En de cipier, overtuigd van de werkelijkheid van dat geloof dat Paulus moed gaf, vraagt naar de weg der zaligheid, en verbindt zich en zijn gehele huis met de vervolgde schare van Christus' discipelen. Zijn tijd vooruit Ka 65 1 Zie Paulus in Athene, vóór de raad op de Areopagus, waar hij wetenschap met wetenschap, logica met logica, wijsbegeerte met wijsbegeerte beantwoordt. Let op, hoe met de tact die geboren wordt uit goddelijke liefde, hij op Jehova wijst als de "Onbekende God" Die zijn toehoorders onwetend hebben aanbeden; en in woorden, aangehaald van een dichter van hun eigen land, schildert hij Hem als een Vader, Wiens kinderen zij zijn. Hoor hem, in die tijd der kasten, waarin de rechten van de mens als mens totaal werden vertrapt, wanneer hij de grote waarheid van de menselijke broederschap schildert, zeggende dat God "uit enen bloede het gehele menselijke geslacht heeft gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen". Dan laat hij zien hoe, door al de bemoeienissen Gods met de mens, Zijn doel van genade en barmhartigheid loopt als een gouden draad. Hij "heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons" (Hand. 17 : 23, 26, 27). Ka 65 2 Hoor hem in het paleis van Festus, wanneer koning Agrippa, overtuigd van de waarheid van het Evangelie, uitroept: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden." En welk hoffelijk antwoord geeft Paulus dan, wijzende op zijn ketenen: "Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien" (Hand 26:28,29). Een leven vol inspanning Ka 65 3 Zo ging zijn leven voorbij, zoals hij beschreef met zijn eigen woorden: "telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders; in moeite en inspanning, tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten, in koude en naaktheid!" (2 Cor. 11:26,27). De vreugde van het dienen Ka 66 1 "Worden wij gescholden," zei hij, "wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk"; "als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend" (1 Cor. 4: 12,13; 2 Cor. 6: 10). Ka 66 2 In het dienen vond hij zijn vreugde, en aan het einde van zijn leven vol zwoegen en moeiten, terugziende op zijn worstelingen en triomfen, kon hij zeggen: "Ik heb de goede strijd gestreden" (2 Tim. 4:7). Ka 66 3 Deze geschiedenissen zijn van uitzonderlijk belang. Voor niemand zijn ze belangrijker dan voor de jeugd. Mozes weigerde een toekomstig koninkrijk, Paulus de voordelen van rijkdom en eer onder zijn volk, voor een leven vol lasten in de dienst van God. Velen zien het leven van deze mannen als een leven van ontzegging en opoffering. Was dit werkelijk zo? Mozes achtte de smaad van Christus groter rijkdom dan de schatten van Egypte. Dat achtte hij zo omdat het inderdaad zo was. Paulus verkondigde: "Alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Jezus Christus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit alles prijs gegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen" (Fil. 3 : 7, 8). Hij was tevreden met zijn keuze. De blijvende grootheid Ka 66 4 Mozes werden het paleis van de Farao's en de koningstroon geboden; maar de zondige vermaken, die de mensen God doen vergeten, waren in deze vorstelijke hoven, en hij verkoos daarvoor "duurzaam goed en gerechtigheid" (Spr. 8 : 18). Inplaats van zichzelf te verbinden met de grootheid van Egypte, verbond hij zijn leven met Gods doel. Inplaats van wetten aan Egypte te geven, vaardigde hij onder goddelijke leiding wetten voor de wereld uit. Hij werd Gods instrument om de mensen die beginselen te geven, die zowel een bescherming zijn voor het gezin als voor de maatschappij, die de hoeksteen van de voorspoed der volken vormen -- beginselen die heden ten dage door 's werelds grootste mannen worden erkend als het fundament van alles wat het beste is in menselijke regeringen. De grootheid van Egypte is tot puin vervallen. Zijn macht en beschaving behoren tot het verleden. Maar het werk van Mozes kan nooit vergaan. De grote beginselen der gerechtigheid, aan welker instelling hij zijn leven gaf, zijn van eeuwige duur. Met Christus Ka 67 1 Mozes' leven vol moeiten en zware zorgen werd verlicht door de aanwezigheid van Hem Die "uitblinkend boven tienduizend" is, en aan Wie "alles bekoorlijkheid" is (Hooglied 5: 10, 16). Met Christus trekkende door de woestijn, met Christus op de berg der verheerlijking, met Christus in de hemelse hoven, -- wierp zijn leven hier op aarde een zegen af en ontving een zegen, terwijl het in de hemel werd geëerd. Ka 67 2 Ook Paulus werd in zijn veelomvattende werkzaamheden geschraagd door de ondersteunende kracht van Zijn tegenwoordigheid. "Ik vermag alle dingen," zei hij, "in Hem Die mij kracht geeft." "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard.... ? Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus, onze Here" (Fil. 4 : 13; Rom. 8 : 35-39). De beloning des levens Ka 67 3 Nochtans is er een toekomstige vreugde, die Paulus in het verschiet zag als de beloning van zijn arbeid -- dezelfde blijdschap ter wille waarvan Jezus het kruis verdroeg en de schande verachtte -- de blijdschap van het aanschouwen van de vrucht zijns arbeids. "Wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Here Jezus Christus bij Zijn komst, wie anders dan gij?" schreef hij aan de bekeerden in Thessalonica, "Ja, gij zijt onze eer en blijdschap" (1 Thess. 2 : 19, 20). Wie kan de resultaten voor de wereld van Paulus' levenstaak schatten? Hoeveel van al die heilzame invloeden die het leed verzachten, die troost brengen in smart, die het kwaad beteugelen, het leven opheffen uit het zelfzuchtige en zinnelijke en het verheerlijken met de hoop der onsterfelijkheid, moet toegeschreven worden aan de werkzaamheden van Paulus en zijn medearbeiders, wanneer zij met het Evangelie van Gods Zoon hun onopgemerkte reis van Azië naar de kusten van Europa doen? Ka 68 1 Wat is het waard voor elk leven, Gods instrument te zijn geweest in het ontwikkelen van zulke zegenende invloeden? Wat zal het waard zijn in de eeuwigheid de resultaten van zo'n levenswerk te aanschouwen? De Grote Leraar Ka 68 2 "Nooit heeft een mens zo gesproken, als deze Mens spreekt! " (Johannes 7:46) ------------------------Hoofdstuk 8--De door God gezonden Leraar Ka 71 0 "Gedenkt Hem." Ka 71 1 "Men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst" (Jes. 9 : 5). Ka 71 2 In de Leraar, door God gezonden, schonk de hemel aan de mensheid het beste en grootste. Hij Die aanwezig geweest was bij de raadslagen des Allerhoogsten, Die gewoond had in het binnenste heiligdom van de Eeuwige, was Degene Die verkoren was om persoonlijk aan de mensheid de kennis van God te openbaren. Ka 71 3 Door Christus was elke straal van het goddelijke licht uitgezonden, dat ooit onze zondige wereld had bereikt. Hij was het Die gesproken had door ieder die in de loop der eeuwen Gods Woord aan de mens had verklaard. Al de uitmuntende eigenschappen van de grootste en edelste zielen op aarde, waren een beeld van Hem. De reinheid en liefdadigheid van Jozef, het geloof en de zachtmoedigheid en lankmoedigheid van Mozes, de standvastigheid van Elisa, de nobele onkreukbaarheid en trouw van Daniël, de ijver en zelfopoffering van Paulus, de verstandelijke en geestelijke kracht, geopenbaard in al deze mannen, waren slechts een straal van de glans Zijner heerlijkheid. In Hem werd het volmaakte ideaal gevonden. Ka 71 4 Christus kwam naar deze wereld om dit ideaal te openbaren als de enige ware maatstaf om te bereiken; om te laten zien wat uit elk menselijk wezen kon groeien; wat, door het inwonen van het goddelijke in de menselijkheid, allen die Hem aannamen, konden worden. Hij kwam om te laten zien hoe mensen moeten worden opgevoed zoals het de kinderen Gods betaamt; hoe zij op aarde de beginselen en het leven des hemels moeten uitleven. Gevolgen van valse leer Ka 71 5 Deze grootste gave Gods werd geschonken om tegemoet te komen aan 's mensen grootste nood. Het Licht verscheen toen de duisternis op aarde het allerdiepst was. Door valse leringen waren de gedachten der mensen reeds lang van God afgekeerd. In de bestaande onderwijsmethoden had menselijke filosofie de goddelijke openbaring verdrongen. Inplaats van de door de hemel gegeven maatstaf der waarheid, hadden de mensen een maatstaf naar hun eigen indee aanvaard. Van het Licht des levens hadden zij zich afgewend om te wandelen in de vonken van het vuur dat zijzelf hadden ontstoken. Schijn in plaats van werkelijkheid Ka 72 1 Nadat zij zich hadden afgewend van God, de enige Bron voor menselijke kracht, was hun kracht slechts zwakheid. Zij konden zelfs niet komen tot de maatstaf die zijzelf hadden gesteld. In het gemis aan werkelijke voortreffelijkheid werd voorzien door uiterlijke vormen en woorden. Schijn nam de plaats in der werkelijkheid. Van tijd tot tijd stonden leraars op die de mensen wezen op de Bron der waarheid. De juiste beginselen werden verkondigd en het leven dier mensen getuigde van hun kracht. Maar die pogingen lieten geen blijvende indruk na. Het was alsof de loop van het kwaad even werd afgeremd, maar de naar beneden gerichte stroom des verderfs werd niet tegengehouden. De hervormers waren als lichten, schijnende in de duisternis, maar zij konden het kwaad niet verdrijven. De wereld "had de duisternis liever dan het licht" (Joh. 3:19). Vormendienst, materialisme Ka 72 2 Toen Christus op aarde kwam scheen de mensheid naar haar dieptepunt te snellen. De grondslagen der samenleving waren ondermijnd. Het leven was gekunsteld en onnatuurlijk geworden. De Joden, verstoken van de kracht van Gods Woord, gaven aan de wereld verdovende en zieldodende overleveringen en beschouwingen. De aanbidding van God "in geest en in waarheid" was overwoekerd door de verheerlijking van mensen in een eindeloze cirkel van ceremoniën door de mens zelf ingesteld. Overal in de wereld verloren alle godsdienststelsels hun greep op de geest en de ziel. Vol ergernis over al die leugens en bedrog, trachtten zij hun gedachten te verstikken en keerden de mensen zich tot ongeloof en materialisme. Ze hielden met de eeuwigheid geen rekening meer en leefden slechts voor de wereld. Minachting voor de rechten van de mens Ka 72 3 Toen zij de Godheid niet meer erkenden, hadden ze ook geen eerbied meer voor de mens. Waarheid, eer, onkreukbaarheid, vertrouwen, medelijden, werden steeds zeldzamer op aarde. Onbeteugelde begeerte en een alles overheersende eerzucht deden een algemeen wantrouwen ontstaan. Het gevoel voor plicht, voor de verzorging van de zwakke door de sterke, voor menselijke waardigheid en menselijke rechten, werd opzij gezet als een droom of een fabel. Mensen uit het gewone volk werden beschouwd als lastdieren of als werktuigen en middelen om een eerzuchtig doel te bereiken. Men streefde naar welstand en macht, gemakzucht en genotzucht als naar het hoogste goed. Lichamelijke ontaarding, afstomping, geestelijke dood, kenmerkten deze tijd. Wanbegrip ten opzichte van God Ka 73 1 Toen de boze hartstochten en bedoelingen der mensen God uit hun gedachten verbanden, werden ze, door Hem te vergeten, nog sterker tot het kwade aangezet. Het hart dat aan de zonde was overgegeven, bekleedde Hem met zijn eigen kenmerken en deze opvatting versterkte de macht der zonde. Geneigd tot zelfzucht, gingen de mensen God zien zoals zijzelf waren -- een Wezen wiens doel was zelfverheerlijking, wiens behoeften aangepast werden aan Zijn eigen genoegen; een Wezen door Wie mensen werden verheven of temeer geworpen al naar gelang zij Zijn zelfzuchtig doel hielpen of tegenwerkten. De lagere standen beschouwden het Verheven Wezen als iemand die nauwelijks verschilde van hun onderdrukkers, alleen overtrof Hij dezen nog in macht. Door deze ideeën kreeg elke vorm van godsdienst gestalte en ging gepaard met afpersing. Onbeteugeld kwaad Ka 73 2 Door gaven en ceremoniën trachtten de aanbidders de Godheid gunstig te stemmen ten einde Zijn gunst voor persoonlijke bedoelingen te verkrijgen. Een dergelijke godsdienst die geen kracht uitoefende op hart of geweten, kon slechts een cyclus van vormen zijn, die de mensen vermoeide en waarvan zij gaarne verlost zouden willen zijn, voor zover het hun geen voordeel bracht. Zo groeide het kwaad, omdat het niet beteugeld werd, terwijl de waardering van en het verlangen naar het goede meer en meer verflauwde. De mensen verloren het beeld van God en kwamen onder de invloed van de demonische kracht waardoor zij werden beheerst. De gehele wereld werd een poel des verderfs. De kracht van een nieuw leven Ka 74 1 Daar was slechts één hoop voor de mensheid -- dat in die massa van tegenstrijdige en verderfelijke elementen een nieuwe zuurdesem zou gebracht worden; dat de mensen de kracht tot een nieuw leven zouden ontvangen; dat de kennis van God aan de wereld teruggegeven zou worden. Ka 74 2 Christus kwam om die kennis te herstellen. Hij kwam om de valse leer, waardoor zij die beweerden God te kennen, een verkeerd beeld van Hem hadden gegeven, weg te nemen. Hij kwam om de natuur van Zijn wet aan te tonen, om in Zijn eigen karakter de schoonheid der heiligheid te openbaren. Met de liefde der eeuwigheid Ka 74 3 Christus kwam naar de wereld met de van alle eeuwigheid saamgevatte liefde. Terwijl Hij een streep haalde door al die eisen welke de wet van God hadden belemmerd, toonde Hij dat de wet een wet van liefde is, een uitdrukking van de Goddelijke Goedheid Hij liet zien dat het gehoorzamen aan haar beginselen het geluk der mensheid betekent en daarmede de standvastigheid, het fundament en de opbouw van de menselijke samenleving. Ka 74 4 Wel verre van een maaksel van willekeurige eisen, is Gods wet aan de mensen gegeven als een omtuining, een schild. Wie haar beginselen aanneemt, is bewaard tegen het kwaad. Getrouwheid aan God houdt ook in getrouwheid aan de mens. Zo waakt de wet over de rechten, de persoonlijkheid van elk menselijk wezen. Zij weerhoudt de meerdere van verdrukking en de ondergeschikte van ongehoorzaamheid. Zij verzekert het welzijn van de mens, zowel voor deze als voor de komende wereld. Voor de gehoorzame bevat ze de belofte van het eeuwige leven; want ze brengt de beginselen die eeuwig blijven bestaan, tot uiting. Een betoog van ware beginselen Ka 74 5 Christus kwam om de waarde der goddelijke beginselen aan te tonen, door hun kracht voor de wedergeboorte der mensheid te openbaren. Hij kwam om te onderrichten hoe deze beginselen ontwikkeld en toegepast moesten worden. Bij de mensen van die tijd werd de waarde van alle dingen bepaald door uiterlijk vertoon. Naarmate de godsdienst aan kracht had ingeboet, was hij toegenomen in pracht en praal. De opvoeders van die tijd zochten eerbied af te dwingen door veel uiterlijk vertoon. Eenvoud Ka 75 1 Met dit alles vormde het leven van Jezus een scherpe tegenstelling. Zijn leven toonde de waardeloosheid van al die dingen, die de mensen als zeer noodzakeklijk voor het leven beschouwen. Hoewel Hij werd geboren in een zeer eenvoudige omgeving, opgroeiende in het gezin van een landman en het werk doende van een ambachtsman, en Hij in die jaren in onbekendheid leefde en Zich vereenzelvigde met de onbekende zwoegers der wereld -- volgde Jezus nochtans het goddelijke opvoedingsplan. De scholen van die tijd, welke de kleine dingen groot, en de grote dingen klein maakten, bezocht Hij niet. Zijn scholing werd rechtstreeks verkregen uit de door de Hemel aangewezen bronnen; uit nuttige bezigheid, uit het bestuderen van de Schriften en de natuur, en uit de ervaringen van het leven -- Gods leerboeken vol lessen voor allen die ze met een open oog en een verstandig hart gaarne ter hand nemen. Ka 75 2 "Het Kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem" (Lucas 2 :40). Ka 75 3 Aldus voorbereid, aanvaardde Hij Zijn zending, en telkens wanneer Hij met mensen in aanraking kwam, oefende Hij een zegenende invloed op hen uit, een hervormende kracht, zoals de wereld nog nooit had aanschouwd. Medeleven Ka 75 4 Wie de mensheid wil veranderen, moet zelf de mensheid begrijpen. Alleen door medeleven, geloof en liefde kunnen mensen bereikt en opgericht worden. Hier staat Christus geopenbaard als de grootste Leraar; van allen die ooit op aarde hebben gewoond, heeft Hij alleen een volmaakt begrip van de menselijke ziel. Ka 75 5 "Wij hebben geen hogepriester" -- meester-leraar, want de priesters waren leraars -- "wij hebben geen hogepriester die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest" (Hebr. 4: 15). "In verzoekingen heeft Hij geleden" Ka 76 1 "Doordat Hijzelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen" (Hebr. 2 : 18). Ka 76 2 Christus alleen had ervaring in al de smarten en verzoekingen die menselijke wezens overkomen. Nooit werd iemand anders, uit een vrouw geboren, zo hevig aangevallen door verzoeking, nooit heeft iemand anders zo'n zware last van 's werelds zonde en smart gedragen. Nooit is er iemand geweest, wiens medeleven zo veelomvattend en zo minzaam was. Delende in al de ervaringen der mensheid, kon Hij niet enkel met elke belaste, verzochte, en worstelende ziel meevoelen, maar ook meeleven. Zoals Hij leerde, zo was Hij Ka 76 3 Zoals Hij leerde, zo leefde Hij. "Ik heb u een voorbeeld gegeven," zei Hij tot Zijn discipelen, "opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb." "Ik heb de geboden Mijns Vaders bewaard" (Joh. 13: 15; 15: 10). Zo ging er van Christus' woorden in Zijn leven voorbeeld en kracht uit. Maar nog meer; zoals Hij leerde, zo was Hij. Zijn woorden waren de uitdrukking, niet enkel van Zijn eigen levenservaring, maar van Zijn persoonlijk karakter. Niet alleen leerde Hij de waarheid, maar Hij was de waarheid. En dat was het, wat aan Zijn leer kracht verleende. Macht om harten te winnen Ka 76 4 Christus berispte waar dit nodig was. Nooit heeft er iemand geleefd die het kwaad zo haatte; nooit was er iemand die het zo onbevreesd veroordeelde. Voor alles wat leugen en bedrog was, hield Zijn tegenwoordigheid een berisping in. In het licht van Zijn reinheid zagen de mensen hoe onrein zijzelf waren, hoe hun doelstellingen in het leven boos en vals waren. En toch trok Hij ze tot Zich. Hij Die de mens had geschapen, begreep de waarde van de mensheid. Openlijk veroordeelde Hij het kwaad als de vijand van hen, die Hij zocht te zegenen en te redden. In elk menselijk wezen, hoe diep ook gezonken, zag Hij een kind van God dat teruggebracht kon worden tot het voorrecht van zijn verwantschap aan God. "God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde" (Joh. 3:17). Wanneer Hij de mensen in hun lijden en ontaarding aanschouwde, bemerkte Christus dat er nog reden was om te hopen, waar enkel wanhoop en ondergang te zien waren. Waar zich ook maar een noodgeval voordeed, zag Hij een kans om te helpen. Verzochte en verslagen zielen die zichzelf verloren waanden trad Hij tegemoet, niet met een vloek maar met een zegen. Zaligspreking ter begroeting Ka 77 1 De zaligsprekingen waren Zijn begroeting aan de gehele mensheid. Toen Hij daar al die mensenscharen zag, bijeengekomen om te luisteren naar de prediking op de berg, scheen Hij op dat ogenblik te vergeten dat Hij niet in de hemel was en zo uitte Hij de gewone begroeting van de wereld des lichts. Van Zijn lippen vloeiden de zegeningen als een opklaterende stroom uit een lang verzegelde bron. Ka 77 2 Terwijl Hij zich afkeerde van de eerzuchtige, zelfvoldane bevoorrechten dezer wereld, verkondigde Hij dat diegenen gezegend waren die, hoe groot hun nood ook was, Zijn licht en liefde zouden aannemen. Tot de armen van geest, de bedroefden, de vervolgden strekte Hij Zijn armen uit en zei: "Komt tot Mij.... Ik zal u rust geven" (Matth. 11 : 28). Het zien van 's mensen mogelijkheden Ka 77 3 In elk menselijk wezen onderscheidde Hij onbeperkte mogelijkheden. Hij zag de mensen zoals zij konden zijn, veranderd door Zijn genade, -- in "de liefelijkheid van de Here, onze God" (Psalm 90: 17). Terwijl Hij hen in hope aanschouwde, bezielde Hij hen ook met die hoop. Hen met vertrouwen tegemoet tredend, bezielde. Hij hen met vertrouwen. In Zichzelf openbarende 's mensen ware ideaal, bracht Hij, om dit te bereiken, in hen zowel verlangen als geloof tot ontwaking. In Zijn tegenwoordigheid werden verachte en ge-vallen zielen zich bewust dat zij nog mensen waren zij verlangden ernaar, Zijn achting waardig te zijn. In menig hart, dat onontvankelijk scheen voor heilige dingen, werden nieuwe krachten wakker geroepen. Voor menige wanhopende opende zich de mogelijkheid tot een nieuw leven. Ka 77 4 Christus verbond de mensen met Zijn hart met koorden der liefde en toewijding en door diezelfde koorden verbond Hij hen aan hun medemensen. Bij Hem stond liefde gelijk met leven, en leven gelijk met dienen. "Om niet hebt gij het ontvangen," zei Hij, "geeft het om niet" (Matth. 10: 8). In de verborgen plaats der kracht Ka 78 1 Het was niet enkel aan het kruis, dat Christus Zich opofferde voor de mensheid. Wanneer Hij rondging, weldoende (Hand. 10:38) was de ervaring van elke dag een uitstorting van Zijn leven. Op slechts één manier kan zo'n leven worden ondersteund. Het leven van Jezus kenmerkte zich door vertrouwen op God en gemeenschap met Hem. Mensen vertoeven nu en dan in de verborgen plaats des Allerhoogsten, in de schaduw des Almachtigen; daar verwijlen zij een tijdlang, en het resultaat is zichtbaar in nobele daden; maar dan faalt hun geloof, de gemeenschap wordt verbroken en het levenswerk bezoedeld. Maar het leven van Jezus was een leven van aanhoudend vertrouwen, ondersteund door een voortdurende gemeenschap en Zijn dienstwerk voor hemel en aarde was zonder enige mislukking of aarzeling. Ka 78 2 Als mens deed Hij Zijn gebeden opstijgen tot de troon van God, tot Zijn menselijkheid een hemelse stroom in zich opnam die het menselijke met het goddelijke verbond. Hij ontving leven van God en verleende dat aan de mensen. Het doelwit van Zijn leer Ka 78 3 "Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze Mens spreekt" (Joh. 7:46). Dit zou van Christus waar geweest zijn, zo Hij enkel op het gebied van het natuur-wetenschappelijke en het verstandelijke had onderwezen, of enkel ten aanzien van theoretische en speculatieve zaken. Hij zou verborgenheden hebben kunnen ontsluiten, welke eeuwen van arbeid en studie hebben vereist om daarin door te dringen. Hij had op wetenschappelijk gebied ijzen kunnen Ka 78 4 ontwikkelen die tot aan Het einde des tijds voedsel voor de hersenen en een prikkel tot ontdekkingen geweest zouden zijn. Maar dat alles deed Hij niet. Hij zei niets dat de nieuwsgierigheid kon bevredigen of persoonlijke eerzucht kon prikkelen. Hij verkondigde geen moeilijk te doorgronden theorieën, maar alleen dat wat nodig is voor de karakterontwikkeling; dat wat 's mensen vermogen, om God te kennen, zal vergroten en zijn macht om het goede te doen, zal versterken. Hij sprak van die waarheden welke het levensgedrag bepalen en de mens verbinden met de eeuwigheid. Ka 79 1 In plaats van de mensen ertoe te brengen menselijke theorieën aangaande God, Zijn Woord of Zijn werken te bestuderen, leerde Hij hun Hem te aanschouwen, zoals Hij Zich geopenbaard had in Zijn werken, in Zijn Woord en door Zijn voorzienigheden. Hij bracht hun gedachten in contact met de gedachten van de Oneindige. De mensen "stonden versteld over Zijn leer, want Zijn woord was met gezag". Nooit had iemand gesproken met zo'n kracht om tot denken aan te zetten, om naar het hogere te streven, om elk vermogen van lichaam, geest en ziel tot leven te wekken. Voor alle mensen en alle tijden Ka 79 2 De leer van Christus, evenals Zijn sympathieën, omvatte de hele wereld. Er kan geen levensomstandigheid, geen crisis in de menselijke ervaring zijn, waarnaar niet bij voorbaat in Zijn leer wordt verwezen en waarvoor de beginselen dier leer geen les bevatten. Daar Hij de Vorst der leraars is, zal ervaren worden dat Zijn woorden een gids zijn voor Zijn medearbeiders tot aan het einde des tijds. Voor Hem waren het heden en de toekomst, het nabije en het verre één. Voor Hem lagen de noden van de gehele mensheid open. Zijn geestesoog aanschouwde elk toneel van menselijke inspanning en prestatie, van verzoeking en strijd, van verwarring en gevaar. Alle harten, alle gezinnen, alle genoegens en vreugden en doelstellingen waren Hem bekend. Hij sprak niet alleen voor, maar tot de gehele mensheid. Tot het kindeke in de blijheid van de morgen des levens; tot het onstuimige, rusteloze hart van de jeugd; tot mannen in de kracht van hun jaren, die de lasten der verantwoordelijkheid en zorg droegen; tot de bejaarden in hun zwakheid en vermoeidheid -- tot allen was Zijn boodschap gericht, -- tot elk kind der mensheid, in elk land en in elke eeuw. De juiste waardering van het leven Ka 79 3 Zijn leer omvatte de dingen van het heden en de dingen van het eeuwige -- het zienlijke in verhouding tot het onzienlijke, de voorbijgaande voorvallen in het leven-van-elke-dag en de hoogtepunten van het toekomende leven. Ka 79 4 De aangelegenheden van dit leven plaatste Hij in hun ware verhouding, als ondergeschikt aan die met een eeuwige strekking; nochtans deed Hij de belangrijkheid daarvan niet tekort. Hij leerde dat hemel en aarde met elkaar verbonden zijn en dat kennis van de goddelijke waarheid de mens beter in staat stelt om de dagelijkse plichten te vervullen. Ka 80 1 Voor Hem was niets zonder bedoeling. Het spel van het kind, het zwoegen van de mens, de genoegens en zorgen en moeiten des levens, alle waren middelen tot dat ene doel -- de openbaring van God tot verheffing der mensheid. "God met ons" Ka 80 2 Van Zijn lippen kwam het Woord Gods in de harten der mensen met nieuwe kracht en nieuwe betekenis. Door Zijn leer kwam alles wat geschapen was in een nieuw licht te staan. Op het gelaat der natuur rustte nogmaals die glans der heerlijkheid welke door de zonde was weggevaagd. In al de feiten en ervaringen des levens werden een goddelijke les en de mogelijkheid van goddelijke gemeenschap geopenbaard. Opnieuw woonde God op aarde; mense-lijke harten werden zich Zijn tegenwoordigheid bewust; de wereld lag verzonken in Zijn liefde. De hemel kwam af tot de mensen. In Christus erkenden hun harten Hem Die voor hen de wetenschap der eeuwigheid had geopend, -- "Immanuel, God met ons". "De Eerste en de Laatste" Ka 80 3 In de door God gezonden Leraar vindt alle ware opvoedingsarbeid zijn middelpunt. Van dit werk van heden evenzeer als van het werk dat Hij ruim negentienhonderd jaar geleden vestigde, spreekt de Heiland aldus: "Ik ben de eerste en de laatste en de levende" Ka 80 4 "Ik ben de alpha en de omega, het begin en het einde". (Openb. 1:17; 21:6) Ka 80 5 Wat is het dan meer dan dwaas in tegenwoordigheid van zo'n Leraar, van zo'n kans tot een goddelijke opvoeding, een scholing na te streven los van. Hem -- proberen wijs te zijn los van de Wijsheid; waar te zijn, terwijl de Waarheid wordt verworpen; meerder licht te zoeken buiten het Licht om en een bestaan zonder het Leven; zich af te wenden van de Bron van levend water, om bakken uit te houwen die geen water houden. Ka 81 1 Zie, nog steeds nodigt Hij uit: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." "Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water dat springt ten eeuwige leven" (Joh. 7 :37, 38; 4:14). ------------------------Hoofdstuk 9--Een verduidelijking van Zijn methoden Ka 82 0 "Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt." Opleiding van de twaalven Ka 82 1 Het meest volmaakte beeld van Christus' methoden als leraar wordt gevonden in Zijn opleiding van de eerste twaalf discipelen. Op deze mannen zouden zware verantwoordelijkheden gelegd worden. Hij had hen verkoren als mannen die Hij met Zijn Geest kon doordringen en die opgeleid konden worden om Zijn werk op aarde te volvoeren, wanneer Hij die zou verlaten. Aan hen, boven alle anderen, verleende Hij het voorrecht van Zijn persoonlijk gezelschap. Door een persoonlijke omgang drukte Hij Zijn stempel op deze verkoren medearbeiders. "Het leven toch is geopenbaard," zegt Johannes, de geliefde discipel, "en wij hebben het gezien en getuigen daarvan" (1 Joh. 1:2). Ka 82 2 Alleen door zo'n gemeenschap -- de gemeenschap van geest met geest en hart met hart, van het menselijke met het goddelijke -- kan die levengevende kracht worden toebedeeld, hetgeen de taak is van ware opvoeding. Alleen leven verwekt leven. De gezinsschool Ka 82 3 In de opleiding van Zijn discipelen volgde de Heiland het opvoe-dingssysteem dat in den beginne was ingesteld. De eerste twaalf uitverkorenen, met enkele anderen, die slechts af en toe met hen verbonden waren om hen te dienen, vormden het gezin van Jezus. Zij waren met Hem in huis, aan tafel, in de binnenkamer, in het veld. Zij vergezelden Hem op Zijn tochten, deelden in Zijn lasten en moeilijkheden en namen zoveel zij konden deel aan Zijn werk. Soms onderwees Hij hun als ze gezamenlijk op de berghelling zaten, soms aan de oever van het meer of vanaf een vissersboot, soms wanneer ze onderweg waren. Wanneer Hij sprak tot de menigte, zaten de discipelen in de voorste rij. Zij zochten een plaats zo dicht mogelijK bij Hem, opdat niets van Zijn onderricht hun zou ontgaan. Zij waren oplettende toehoorders, begerig om de waarheden te verstaan die zij in alle landen en voor alle tijden moesten brengen. Uit het gewone volk Ka 83 1 De eerste leerlingen van Jezus werden gekozen uit de rijen van het gewone volk. Het waren nederige, ongeschoolde, ongeletterde mannen, deze vissers van Galilea; mannen, niet onderwezen in de leer en gewoonten der rabbi's; maar gevormd door de harde tucht van zware arbeid. Het waren mannen met een natuurlijke begaafdheid en een ontvankelijke geest; mannen die onderwezen en gevormd konden worden voor het werk van de Heiland. Op de levenswegen bevindt zich menige arbeider die dag in dag uit geduldig zijn plicht doet, zonder enig bewustzijn van de sluimerende krachten die, indien ze tot activiteit werden aangezet, hem zouden plaatsen onder de grote leiders in de wereld. Zo waren de mannen die door de Heiland geroepen werden om Zijn medearbeiders te zijn. En zij hadden het voordeel dat ze drie jaar lang werden opgeleid door de grootste Opvoeder Die deze wereld ooit heeft gekend. Karaktertypen Ka 83 2 Onder deze eerste discipelen traden grote tegenstellingen aan de dag. Zij waren bestemd de leraars der wereld te zijn, maar zij toonden zeer verschillende typen van karakter. Daar was LeviMattheüs, de tollenaar, geroepen uit een druk, aan Rome ondergeschikt leven; Simon de ijveraar, de onbuigzame vijand van Cesars macht; de onstuimige, zelfvoldane, medevoelende Petrus met Andreas, zijn broer; Judas, de Judeeër, beschaafd, bekwaam, maar onoprecht van geest; Filippus en Thomas, trouw en ernstig, maar traag van hart om te geloven; Jacobus de jongere en Judas, onder de broeders niet zo op de voorgrond tredend, maar mannen van kracht, positief zowel in hun fouten als in hun deugden; Nathanael, een kind in oprechtheid en vertrouwen; en de eerzuchtige zonen van Zebedeüs, toch met een vriendelijke aard. Om een eenheid te vormen Ka 83 3 Om met succes het werk waartoe zij geroepen waren, te kunnen verrichten, moesten deze discipelen, zo erg verschillend in natuurlijke karaktertrekken, in scholing en in levensgewoonten, tot eenheid van gevoelens, gedachten en actie komen. Het doel van Christus was, deze eenheid tot stand te brengen. Daarom probeerde Hij hen één met Hem te doen worden. Hoe zwaar dit bij Hem woog, komt tot uiting in Zijn gebed tot de Vader, "opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn.... ; opdat de wereld erkenne dat Gij Mij gezonden hebt en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt" (Joh. 17: 21-23). Die Hem het naast stonden Ka 84 1 Vier van de twaalf discipelen zouden een leidende positie innemen, ieder in een bepaalde richting. Christus, Die alles voorzag, onderrichtte hen om ze daarop voor te bereiden. Jacobus, bestemd tot een spoedige dood door het zwaard, Johannes, die van de broeders het langst zijn Meester zou volgen in arbeid en vervolging; Petrus, de pionier, die eeuwenoude vooroordelen zou doorbreken en aan de heidenwereld de boodschap zou brengen; en Judas, bekwaam om in het werk boven zijn broeders uit te komen, maar die in zijn ziel plannen koesterde, aan welker vruchten hij weinig dacht -- aan dezen besteedde Christus Zijn grootste zorgen en Zijn meeste onderwijs. Johannes Ka 84 2 Petrus, Jacobus en Johannes zochten elke gelegenheid om in nauw contact met hun Meester te komen, en hun verlangen werd bevredigd. Van al de twaalven stonden zij in de innigste verhouding tot Hem. Johannes kon alleen tevreden gesteld worden door een nog vertrouwelijker omgang en die werd hem ook toegestaan. Ka 84 3 Op die eerste samenkomst bij de Jordaan, toen Andreas, Jezus gehoord hebbende, zich haastte om zijn broer te roepen, zat Johannes heel stil, geheel in de ban van die wonderlijke leer. Hij volgde de Heiland als een ijverige, toegewijde luisteraar. Toch had Johannes geen volmaakt karakter. Hij was geen zachtmoedige, dromerige dweper. Hij en zijn broer werden "zonen des donders" (Marc. 3:17) genoemd. Johannes was trots, eerzuchtig, strijdlustig; maar onder dit alles ontdekte de goddelijke Leraar het vurige, oprechte, liefdevolle hart. Jezus berispte zijn zelfzucht, stelde zijn eerzucht teleur, beproefde zijn geloof. Maar Hij openbaarde hem waarnaar zijn ziel had verlangd -- de schoonheid der heiligheid, Zijn eigen, verandering aanbrengende liefde. "Aan de mensen," zei Hij tot Zijn Vader, "die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt, heb Ik Uw Naam geopenbaard" (Joh. 17:6). Gemeenschap; omvorming Ka 85 1 Johannes had een natuur die hunkerde naar liefde, sympathie en gemeenschap. Hij was altijd dicht bij Jezus, zat naast Hem, leunende tegen Zijn borst. Hij nam in zich op het goddelijke licht en leven, zoals een bloem dat doet met de zon en de dauw. Hij aanschouwde de Heiland vol liefde en verering, totdat zijn enigste verlangen werd op Christus te gelijken, met Hem gemeenschap te hebben en in zijn karakter het karakter van Zijn Meester te weerkaatsen. Ka 85 2 "Ziet," zei hij, "welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is" (1 Joh. 3:1-3). Petrus Ka 85 3 De geschiedenis van geen der discipelen illustreert beter de vormingsmethode van Christus dan de geschiedenis van Petrus. Stoutmoedig, strijdlustig, vol zelfvertrouwen, vlug in het opmerken en handelen, direct klaar voor vergelding, maar even vlug bereid om te vergeven, dwaalde Petrus dikwijls en werd vaak berispt. Maar ook werden zijn hartelijke trouw en toewijding ten opzichte van Christus erkend en geprezen. Geduldig, met een scherpzinnige liefde, ging de Heiland om met Zijn onstuimige discipel, terwijl Hij probeerde zijn zelfvertrouwen te beperken, en hem nederigheid, gehoorzaamheid en vertrouwen te leren. Ka 85 4 Maar de les werd slechts ten dele geleerd. Die zelfverzekerdheid werd niet met wortel en al uitgeroeid. Ka 85 5 Vaak probeerde Jezus, terwijl de last zwaar op Zijn eigen hart drukte, met de discipelen te spreken over Zijn beproevingen en lijden. Maar hun ogen bleven daarvoor gesloten. Die kennis was hun niet welkom en zij zagen die niet. Zelfbeklag dat terugschrok voor de gemeenschap met Christus in het lijden, deed Petrus uitroepen: "Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen" (Matth. 16:22). Zijn woorden drukten de gedachten en gevoelens uit van de twaalven. Ka 86 1 Zo gingen zij voort, de crisis tegemoet; terwijl zij pochend en strijdlustig, bij voorbaat reeds de koninklijke eer voor zich opeisten, dachten zij helemaal niet aan het kruis. Berisping die terugbrengt op de goede weg Ka 86 2 Voor hen allen hield de ervaring van Petrus een les in. Voor degene die vol zelfvertrouwen is, staat beproeving gelijk met nederlaag. De zekere gevolgen van het boze, dat niet is verzaakt, kon Christus niet voorkomen. Maar zoals Zijn reddende hand zich uitstrekte toen Petrus in het watergraf dreigde te verzinken, zo heeft Zijn liefde hem behoedt toen de diepe wateren zijn ziel overspoelden. Steeds en steeds weer brachten de pochende woorden van Petrus hem dichter en dichter bij de rand van de ondergang. Steeds en steeds weer werd de waarschuwing gegeven: Gij zult loochenen.... dat gij Mij kent (Lucas 22 :34). ,,Ik heb voor u gebeden" Ka 86 3 De bekentenis "Here, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan" (Lucas 22 : 33) kwam uit het gekwelde, liefdevolle hart van de discipel; en Hij Die de harten leest, gaf Petrus de boodschap, die toen weinig op prijs gesteld werd, maar die in de snel vallende duisternis een straal van hoop zou werpen: "Simon, Simon, zie, de Satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen" (Lucas 22 :31,32). "Wanneer gij tot bekering gekomen zijt" Ka 86 4 Toen in de rechtszaal de verloochenende woorden waren gesproken, toen Petrus' liefde en trouw, ontwaakt onder de blik vol medelijden, liefde en smart van de Heiland, hem voortdreven naar de hof waar Christus had geweend en gebeden; toen zijn tranen van bitter berouw vielen op de grond, nat gemaakt met de bloeddruppels van Zijn zielestrijd -- toen waren de woorden van de Heiland: "Ik heb voor u gebeden als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen" een plechtanker voor zijn ziel. Hoewel Christus Petrus' zonde voorzag, heeft Hij hem toch niet aan de wanhoop ten prooi gelaten. Ka 87 1 Hoe dicht zou de duisternis rondom Petrus geweest zijn, indien de blik die Jezus op hem wierp, gesproken had van veroordeling inplaats van medelijden of wanneer in de voorzegging der zonde Hij niet van hoop had gesproken! Hoe diep zou dan de wanhoop geweest zijn van die gekwelde ziel! Wat zou hem in dat uur van angst en zelfverfoeiing hebben weerhouden dezelfde weg als Judas op te gaan? Niet alleen Ka 87 2 Hij Die Zijn discipel de angst niet kon besparen, liet hem niet alleen in zijn bittere droefheid. Zijn liefde eindigt nooit en vergaat nooit. Menselijke wezens, zelf in het kwade verstrikt, hebben de neiging met de verzochten en de dwalenden op een liefdeloze manier om te gaan. Zij kunnen niet zien wat er in het hart omgaat, zij kennen daarvan niet de strijd en de moeiten. Van de berisping die liefde is, van de slag die wondt om te genezen, van de waar-schuwing waarin de hoop verankerd ligt, moeten ze nog heel veel leren. ,,Zegt Petrus" Ka 87 3 Het was niet Johannes, die in de rechtszaal bij Zijn verhoor aanwezig was, die naast Zijn kruis stond en die van de twaalven het eerst bij het graf was -- het was niet Johannes, maar Petrus, die in de eerste boodschap door Christus na Zijn opstanding aan de discipelen gezonden, bij name werd genoemd. "Zegt Zijn discipelen en Petrus," zei de engel, "dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien" (Marcus 16:7). Ka 87 4 Bij de laatste ontmoeting van Christus met de discipelen aan de zee werd Petrus, nadat hij op de proef gesteld was door de driemaal gestelde vraag: "Hebt gij Mij lief?" opnieuw zijn plaats onder de twaalven toegewezen. Zijn werk werd hem opgedragen, hij moest de kudde des Heren hoeden. Toen, als Zijn laatste persoonlijke aanwijzing, verzocht Jezus hem: "Volg gij Mij" (Joh. 21: 17, 22). De les geleerd Ka 87 5 Nu kon hij de woorden waarderen. De les, door Christus gegeven toen Hij een kindeke plaatste in het midden der discipelen en hun verzocht dit gelijk te worden, kon Petrus nu beter verstaan. Hij was bereid te vertrouwen en te gehoorzamen omdat hij zowel zijn eigen zwakheid als de macht van Christus beter kende. In Zijn kracht kon hij zijn Meester volgen. Ka 88 1 En aan het einde van al zijn werk en opofferingen, achtte de discipel, die eens het kruis maar niet had willen zien, het een vreugde zijn leven voor het evangelie te mogen geven. Alleen zag hij, die de Here had verloochend, het als een te grote eer, op dezelfde manier te sterven als zijn Meester. Een wonder der wonderen Ka 88 2 De verandering die zich in Petrus voltrok, was een wonder van goddelijke barmhartigheid. Dat is een levensles voor allen die willen treden in de voetstappen van de Meester-Leraar. Ka 88 3 Jezus berispte Zijn discipelen. Hij waarschuwde en bestrafte hen; toch verlieten Johannes en Petrus en hun broederen Hem niet. Ondanks al die terechtwijzingen wilden zij bij Jezus blijven. En de Heiland liet hen, vanwege hun tekortkomingen, toch niet aan hun lot over. Hij neemt de mensen zoals ze zijn, met al hun fouten en zwakheden, en leidt ze op voor Zijn dienst, indien ze zich door Hem laten opvoeden en onderrichten. Judas Ka 88 4 Maar onder de twaalven was er een, tot wie, tot bijna aan het einde van Zijn werk, Christus geen woord van rechtstreeks verwijt richtte. Een element van verzet Ka 88 5 Met Judas was een element van verzet onder de discipelen gekomen. Door zich bij Jezus aan te sluiten, was hij ingegaan op de aantrekkingskracht van Diens karakter en leven. Hij had oprecht verlangd naar een verandering in zichzelf en had gehoopt dit te bewerkstelligen door een verbintenis met Jezus. Maar dit verlangen nam niet een overheersende plaats in. Wat hem overheerste was de hoop op eigen voordeel in het wereldse koninkrijk dat, naar hij meende, Christus zou oprichten. Al erkende hij de goddelijke kracht in de liefde van Christus, toch onderwierp Judas zich niet daaraan. Hij bleef zijn eigen oordeel en zienswijzen aanhangen, alsook zijn neiging om te critiseren en te veroordelen. De beweegredenen en daden van Christus, vaak zo ver verheven boven zijn eigen begrip, verwekten twijfel en teleurstelling en hij droeg zijn persoonlijke twijfel en eerzucht over op de discipelen. Veel van hun strijd om de eerste plaats en van hun teleurstelling over de methoden van Christus, vond zijn bron in Judas. Geen conflict maar genezing Ka 89 1 Jezus, Die wel zag dat ingrijpen nog meer zou verharden, vermeed een rechtstreeks conflict. De benepen zelfzucht in Judas' leven probeerde Christus te genezen door contact met Zijn persoonlijke liefde, zo vol zelfopoffering. In Zijn onderricht ontvouwde Hij beginselen die de egocentrische eerzucht van de discipel in de wortel troffen. Zo werd de ene les na de andere gegeven en menig keer werd Judas zich bewust dat dit op zijn karakter en op zijn zonde sloeg; maar hij wilde zich niet onderwerpen. Ka 89 2 Omdat hij zich vetzette tegen de smeekbeden der genade, kreeg de drang tot het Kwaad ten slotte de overhand. Steeds boos wordend over de gegeven berisping en wanhopig geworden door de teleurstelling van zijn eerzuchtige dromen, gaf Judas zijn ziel over aan de demon van de hebzucht en besloot zijn Meester te verraden. Vanuit de opperzaal van het Paasfeest, de vreugde van Christus' aanwezigheid, en het licht der onsterfelijke hoop, ging hij weg om zijn boos werk te doen -- naar de buitenste duisternis waar geen hoop meer was. Nooit falende liefde Ka 89 3 "Jezus wist van den beginne, wie het waren die niet geloofden, en wie het was die Hem verraden zou" (Joh. 6: 64). En toch, terwijl Hij hen allen kende, had Hij geen bede der barmhartigheid of gave der liefde achtergehouden. Ka 89 4 Het gevaar van Judas ziende, had Hij hem nauw met Zichzelf verbonden binnen de cirkel van Zijn verkoren en vertrouwde discipelen. Dag in, dag uit, wanneer de last Hem zwaar op het hart lag, had Hij de moeiten verdragen van de aanhoudende omgang met die koppige, kwaaddenkende, broedende geest. Hij had dat aanhoudende, verborgen, en listige verzet gezien en Zijn best gedaan het tegen te gaan. En dat alles opdat toch maar niets verzuimd zou worden om die bedreigde ziel te redden! Ka 90 1 "Vele wateren kunnen de liefde niet blussen en rivieren spoelen haar niet weg"; "Want sterk als de dood is de liefde." (Hooglied 8 : 7, 6) Een waarschuwing voor de elven Ka 90 2 Wat Judas betreft, was het werk der liefde van Christus tevergeefs geweest. Maar dat ging niet op ten aanzien van zijn medediscipelen. Voor hen had de les een levenslange invloed. Zelfs zou zijn voorbeeld van minzaamheid en lankmoedigheid invloed hebben op hun omgang met de verzochten en dwalenden. En daarin waren nog andere lessen begrepen. Bij de aanstelling van de twaalven was het de bijzondere wens der discipelen dat Judas tot hun kring zou behoren, en zij hadden zijn opname gezien als een gebeurtenis die veel beloofde voor de groep der apostelen. Hij was met de wereld meer in aanraking geweest dan zij, iemand van goede manieren, met een goede opmerkingsgave en bekwaam om leiding te geven, en daar hij een hoge dunk had van zijn eigen begaafdheid, had hij de discipelen zo ver gebracht dat zij hem eveneens zo beschouwden. Maar de methoden die hij wilde invoeren in het werk van Christus, waren gebaseerd op wereldse beginselen en hadden een wereldse inslag. Zij zagen uit naar het zich verschaffen van wereldse erkenning en eer -- naar het verkrijgen van het koninkrijk dezer wereld. Wereldse wijsheid als doel Ka 90 3 De gevolgen van deze verlangens in het leven van Judas, hielpen de discipelen de tegenstelling te onderscheiden tussen het beginsel van zelfverheerlijking en het beginsel van Christus van ootmoed en zelfopoffering -- het beginsel van het geestelijke koninkrijk. In het noodlot van Judas zagen zij tot welk resultaat eigenbelang leidt. Resultaten van Christus' opleiding Ka 90 4 Voor deze discipelen bereikte de zending van Christus ten slotte zijn doel. Langzamerhand vormden Zijn voorbeeld en Zijn lessen van zelfverloochening hun karakter. Zijn dood vernietigde hun hoop op wereldse grootheid. De val van Petrus, de afval van Judas, hun persoonlijk falen door Christus in Zijn zielsangst en gevaar alleen te laten, deed hun zelfvoldaanheid verdwijnen. Zij zagen hun eigen zwakheid; zij begonnen iets te zien van de grootheid van het hun opgedragen werk; bij elke stap voelden zij hun behoefte aan de leiding van hun Meester. Wantrouwen in het eigen-ik Ka 91 1 Zij wisten, dat Hij persoonlijk niet langer in hun midden zou verkeren, en als nooit tevoren, erkenden zij de waarde van de kansen die zij hadden gehad toen ze met de Gezant van God konden wandelen en spreken. Van Zijn lessen hadden ze er vele, toen ze gegeven werden, niet gewaardeerd en begrepen; nu hunkerden zij ernaar die lessen in hun herinnering terug te roepen en Zijn woorden opnieuw te horen. Met welk een blijdschap herinnerden zij zich nu Zijn verzekering: "Het is beter voor u dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden." "Alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, heb Ik u bekend gemaakt." En "de Trooster.... Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb" (Joh. 16 : 7; 15 :15; 14:26). De Leraar der Waarheid Ka 91 2 "Al wat de Vader heeft, is het Mijne." "Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid.... Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen" (Joh. 16:15, 13, 14). Ka 91 3 Op de Olijfberg hadden de discipelen uit hun midden Christus ten hemel zien varen. En toen de hemelen Hem ontvingen, hadden zij zich Zijn afscheidsbelofte herinnerd: "Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld" (Matth. 28:20). De zekerheid des geloofs Ka 91 4 Zij wisten dat Hij nog met hen meeleefde. Zij wisten dat ze bij de troon van God een vertegenwoordiger, een pleiter hadden. In de Naam van Jezus zonden zij hun smeekbeden op en herhaalden Zijn belofte: "Als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam" (Joh. 16:23). Ka 92 1 Steeds hoger strekten zij de hand des geloofs uit, met het machtige getuigenis: "Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, Die ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons pleit" (Rom. 8:34). Ka 92 2 Trouw aan Zijn belofte, stortte de Goddelijke, verheerlijkt in de hemelse hoven, Zijn volheid uit op Zijn volgelingen op aarde. Zijn verheffing op de troon aan Gods rechterhand werd bekend gemaakt door de uitstorting van de Heilige Geest op Zijn discipelen. De laatste voorbereiding Ka 92 3 Door het werk van Christus waren deze discipelen ertoe gebracht hun behoefte aan de Heilige Geest te voelen; onder de leiding van de Geest ontvingen zij hun laatste voorbereiding en konden ze hun levenstaak beginnen. Ka 92 4 Niet langer waren zij ongeletterde, onontwikkelde mensen. Niet langer vormden zij een verzameling van op zichzelf staande eenheden of van tegengestelde, met elkaar in botsing komende elementen. Niet langer stelden zij hun verwachting op wereldse grootheid. Zij waren "eensgezind", "één van hart en één van ziel". Hun gedachten waren vol van Christus. De vooruitgang van Zijn koninkrijk was hun doel. In geest en karakter waren zij hun Meester gelijk geworden; en mensen "herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren" (Hand. 4 :13). Een werk dat de wereld deed schudden Ka 92 5 Toen was er zo'n openbaring van de heerlijkheid van Christus, als sterfelijke mensen voordien nooit hadden aanschouwd. Heel velen die Zijn Naam hadden gesmaad en Zijn macht veracht, werden nu discipelen van de Gekruisigde. Door de medewerking van de Goddelijke Geest brachten de werkzaamheden van eenvoudige mensen, door Christus verkoren, de wereld in opschudding. In een enkel mensengeslacht werd het evangelie aan alle volken op aarde gebracht. ,,Ik ben met u al de dagen" Ka 92 6 Dezelfde Geest Die in Zijn plaats werd gezonden om Zijn eerste medearbeiders te onderrichten, is in opdracht van Christus ook de Leermeester van Zijn medearbeiders van heden. Ka 93 1 "Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld" (Matth. 28 :20), is zijn belofte. Ka 93 2 De tegenwoordigheid van dezelfde Gids in het opvoedkundig werk van deze tijd zal dezelfde resultaten teweegbrengen als in het verleden. Dat is het doel waarnaar ware opvoeding streeft; dat is het werk dat volgens Gods plan gedaan moet worden. Lessen Der Natuur Ka 93 2 "Let op.... de wonderwerken van de Volmaakte in kennis." (Job 37:14,16) ------------------------Hoofdstuk 10--God in de natuur Ka 97 0 "De hemelen verkondigen Gods eer." "En de aarde is vol van Zijn goedertierenheid." Het alles doordringende leven Ka 97 1 Op al de geschapen dingen is het stempel van de Godheid te zien. De natuur getuigt van God. De ontvankelijke geest, in contact gebracht met het wonder en de verborgenheid van het heelal, kan slechts de werking van een oneindige macht erkennen. Niet door haar eigen aanwezige kracht brengt de aarde haar milde gaven voort of volbrengt jaar in, jaar uit haar loop om de zon. Een ongeziene hand leidt de planeten op hun baan langs de hemelen. Een geheimzinnig leven doordringt de hele natuur -- een leven dat de ontelbare werelden door de onmetelijkheid heen schraagt, dat leeft in het allerkleinste insect dat zweeft op het zomerbriesje, dat de zwaluw doet vliegen en de jonge, schreeuwende raven voedt, dat de knop doet ontluiken en de bloem tot vrucht maakt. Universaliteit der wet Ka 97 2 Dezelfde kracht die de natuur in stand houdt, werkt ook in de mens. Dezelfde verheven wetten die zowel de ster als het atoom leiden, beheersen het menselijke leven. De wetten, die de werking van het hart beheersen, en de loop van de levensstroom in het lichaam regelen, zijn de wetten van het machtige Wezen, dat ook de heerschappij over de ziel heeft. Uit Hem ontstaat alle leven. Alleen in harmonie met Hem kan men de ware werkingssfeer van dat leven vinden. Voor al de objecten van Zijn schepping is de voorwaarde dezelfde -- een leven, in stand gehouden door het leven van God te ontvangen, een leven dat geleefd wordt in harmonie met de wil van de Schepper. De overtreding van Zijn wet, hetzij physiek, verstandelijk of zedelijk, staat gelijk met het plaatsen van zichzelf buiten de harmonie met het heelal, met het binnenleiden van tweedracht, wetteloosheid en ondergang. Het getuigenis der natuur Ka 97 3 Voor degene die haar lessen op deze wijze leert begrijpen, wordt de hele natuur verlicht; de wereld wordt een leerboek, het leven een school. De eenheid van de mens met de natuur en met God, de algemene heerschappij van de wet, de gevolgen van overtreding, kan niet nalaten het verstand te beïnvloeden en het karakter te vormen. De leermeester van het kind Ka 98 1 Dit zijn lessen die onze kinderen moeten leren. Voor het kleine kind, dat nog niet kan leren uit boeken of nog te jong is om naar school te gaan, biedt de natuur een onuitputtelijke bron van onderricht en van blijdschap. Het hart, nog niet verhard door contact met het boze, bemerkt al heel gauw de Tegenwoordigheid van Hem, die al wat geschapen is, doordringt. Het oor, nog niet doof door het lawaai der wereld, is ontvankelijk voor de Stem die spreekt door de klanken der natuur. En voor de ouderen, die voortdurend een stille herinnering aan het geestelijke en het eeuwige nodig hebben, zullen de lessen der natuur niet minder een bron van genoegen en van kennis bieden. Zoals de bewoners van de hof van Eden leerden uit het boek der natuur, zoals Mozes Gods handschrift onderscheidde op de Arabische vlakten en bergen, en het Kindeke Jezus op de heuvels van Nazareth, zo kunnen de kinderen van heden leren van Hem. Het onzichtbare wordt verklaard door het Zichtbare. Kans om de natuur te bestuderen Ka 98 2 Van alles wat op aarde bestaat, van de hoogste boom in het woud tot de korstmossen die de rotsen bedekken, van de onmetelijke oceaan tot de kleinste schelp op het strand, kunnen zij het beeld en het opschrift Gods erkennen. Ka 98 3 Laat, zoveel mogelijk, het kind vanaf zijn prille jeugd in een omgeving zijn waar dit wonderbaarlijke leerboek open voor hem ligt. Laat hem de heerlijke tonelen aanschouwen, welke de MeesterKunstenaar op het beweeglijke linnen der hemelen schildert, laat hem bekend worden met de wonderen van aarde en zee, laat hem de zich ontvouwende verborgenheden van de wisselende jaargetijden zien en in al Zijn werken de Schepper leren kennen. Tegenstrijdige krachten Ka 98 4 Op geen andere manier kan het fundament van een ware opvoeding zo vast en zo zeker worden gelegd. En toch zal elk kind, wanneer het in aanraking komt met de natuur, iets zien dat hem in verwarring brengt. Het moet wel de werking van tegenstrijdige krachten in zich opnemen. En juist hier heeft de natuur een uitlegger nodig. Wanneer men het kwaad ziet, dat zich zelfs in de wereld der natuur openbaart, moeten allen dezelfde bedroevende les leren -- "Dat heeft een vijandig mens gedaan" (Matth. 13:28). De tolk der natuur Ka 99 1 Alleen in het licht, dat schijnt van Golgotha, kunnen de lessen der natuur goed begrepen worden. Door het verhaal van Bethlehem en het kruis kan men aantonen, hoe het goede het kwade moet overwinnen, en hoe elke zegen die we ontvangen, een gave der verlossing is. Ka 99 2 In doornen, in distelen en in onkruid vertoont zich het kwaad dat bezoedelt en bevlekt. In de zingende vogel en de ontluikende knop, in regen en zonneschijn, in het zomerbriesje en de zachte dauw, in tienduizend dingen der natuur, van de eik in het woud tot aan het viooltje dat bloeit aan zijn wortel, is de liefde te zien die herstelt De hele natuur spreekt nog tot ons van Gods goedheid. Gedachten des vredes Ka 99 3 "Ik weet, welke gedachten ik over u koester, luidt het Woord des Heren, gedachten van vrede en niet van onheil" (Jer. 29: 11). Dit is de boodschap, die men in het licht van het kruis, overal in de natuur kan lezen. De hemelen verkondigen Zijn eer en de aarde is vol van Zijn goedertierenheid. ------------------------Hoofdstuk 11--Levenslessen Ka 100 0 "Spreek tot de aarde, en zij zal u onderrichten." Christus' aanschouwelijk onderwijs Ka 100 1 De grote Leraar bracht Zijn toehoorders in aanraking met de natuur, opdat zij konden luisteren naar de stem die spreekt door alles wat geschapen is; en wanneer hun hart zich opende en hun geest ontvankelijk werd, hielp Hij hen om de geestelijke lessen van de dingen die zij aanschouwden, in zich op te nemen. De gelijkenissen, waardoor Hij zo gaarne de lessen der waarheid leerde, tonen hoe ontvankelijk Zijn geest was voor de invloeden der natuur -- en hoe gaarne Hij de geestelijke leer ontleende aan alles wat men in het dagelijkse leven tegenkomt. Geschikt voor alle toehoorders Ka 100 2 Christus illustreert de onsterfelijke waarheid door middel van de vogelen des hemels, de leliën op het veld, de zaaier en het zaad, de herder en de schapen. Hij ontleende Zijn illustraties ook aan de voorvallen in het leven, ervaringen waarmede de luisteraars vertrouwd waren -- de zuurdesem, de verborgen schat, de parel, het visnet, de verloren penning, de verloren zoon, de huizen op de rots en op het zand. In Zijn onderricht was iets dat iedereen belangstelling kon inboezemen, dat sprak tot elk hart. Zo werden de bezigheden van elke dag, in plaats van een steeds terugkerende sleur zonder hogere gedachten te zijn, geplaatst in een meer verheven licht door ze aanhoudend in verband te brengen met het geestelijke en het onzichtbare. Ka 100 3 Zó moeten wij onderwijzen. Leert de kinderen in de natuur een uitdrukking van de liefde en de wijsheid van God te zien; laat de gedachten aan Hem verbonden worden met vogels en bloemen en bomen; laat alles wat zichtbaar is, voor hen de vertolker van het onzichtbare worden en al de voorvallen des levens een middel om het Goddelijke onderwijs in zich op te nemen. Dezelfde wetten Ka 100 4 Wanneer zij aldus leren de lessen in al de geschapen dingen en in al de ervaringen des levens te bestuderen, toon dan dat dezelfde wetten waaraan de dingen der natuur en de gebeurtenissen des levens onderworpen zijn, ook ons beheersen; dat ze gegeven zijn voor ons bestwil; en dat we alleen in gehoorzaamheid aan die wetten waar geluk en succes zullen vinden. De wet van het dienen Ka 101 1 Alle dingen, zowel in de hemel als op aarde verkondigen dat de grote wet des levens een wet van het dienen is. De eeuwige Vader dient het leven van elk levend schepsel. Christus kwam naar de aarde als "dienaar" (Lucas 22:27). De engelen zijn "dienende geesten die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil zullen beërven" (Hebr. 1:14). Dezelfde wet van het dienen staat geschreven op alle dingen der natuur. De vogelen des hemels, de dieren op het land, de bomen van het bos, de bladeren, het gras, en de bloemen, de zon aan de hemel en de lichtende sterren -- zij allen hebben hun taak. Het meer en de oceaan, de rivier en de waterbron -- elk neemt om te geven. Ontvangen door te geven Ka 101 2 Wanneer elk wezen in de natuur aldus het leven der wereld dient, dan waarborgt dat ook zijn eigen leven. "Geeft, en u zal gegeven worden" (Lucas 6:38), is de les, even zeker geschreven in de natuur als op de bladzijden van de Heilige Schrift. Ka 101 3 Wanneer de berghellingen en de vlakten een bedding openen voor de bergstroom, dan ontvangen ze honderdvoudig terug wat ze geven. De stroom die bruisend zijn weg gaat, laat zijn gaven van schoonheid en vruchtbaarheid achter. Door de velden, verdord en bruin geworden onder de zomerhitte, geeft een strook groen de loop van de rivier aan; elke edele boom, elke knop, elke bloem is een getuige van de beloning die Gods genade schenkt aan allen die Hem in de wereld vertegenwoordigen. Wetten van de groei Ka 101 4 Van de bijna ontelbare lessen die men kan leren van de verschillende groeiprocessen, zijn enkele van de kostbaarste vervat in de gelijkenis van de Heiland van het ontkiemende zaad. Daarin liggen lessen voor jong en oud. Ka 102 1 "Alzo is het Koninkrijk Gods als een mens die zaad werpt in de aarde, en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad opkomt en groeit, zonder dat hijzelf weet hoe. De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar" (Marcus 4:26-28). Goddelijke macht in de groei Ka 102 2 Het zaad heeft in zichzelf een ontkiemend element; een element dat God Zelf daar heeft ingeplant; en toch, zou het zaad aan zichzelf zijn overgelaten, dan zou het geen kracht om te ontkiemen bezitten. De mens heeft zijn deel te doen om de groei van het zaad te bevorderen; maar er is één punt, waarbuiten hij niets kan verrichten. Hij is afhankelijk van Hem Die het zaaien en het oogsten door de wonderbaarlijke schakels van Zijn persoonlijke almacht heeft verbonden. Ka 102 3 Er is leven in het zaad en kracht in de grond; wanneer echter niet dag en nacht een Goddelijke macht aan het werk is, zal het zaad niet opgroeien. De regen moet de dorstige akkers verkwikken; de zon moet warmte geven; elektriciteit moet toegevoerd worden aan het begraven zaad. Het door de Schepper ingeplante leven kan Hij alleen te voorschijn roepen. Elk zaadje groeit, elke plant ontwikkelt zich door de kracht van God. Ka 102 4 "Het zaad is het Woord Gods". "Zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here, Here gerechtigheid en lof doen uitspruiten" (Lucas 8:11; Jes. 61:11). Zoals het is in het natuurlijke, zo is het ook in het geestelijke zaaien; de kracht die alleen leven kan voortbrengen, is uit God. Zaaien in het geloof Ka 102 5 Het werk van de zaaier is een werk des geloofs. De verborgenheid van het ontkiemen en de groei van het zaad kan hij niet begrijpen; maar hij heeft vertrouwen in de middelen waardoor God de planten doet bloeien. Hij strooit het zaad uit en verwacht in een overvloedige oogst dat veelvoudig in te zamelen. Zo moeten ook ouders en onderwijzers werken door een oogst te verwachten van het zaad dat zij uitstrooien. Gods verbond ten aanzien van de oogst Ka 103 1 Gedurende een poos kan het goede zaad onopgemerkt in het hart liggen, zonder blijk te geven dat het wortel heeft geschoten; maar later wanneer de Geest van God de ziel aanraakt, zal het verborgen zaad ontkiemen en ten slotte vrucht voortbrengen. In onze levenstaak weten wij niet wat zal gedijen, dit of dat. Het staat niet aan ons dat vraagstuk op te lossen. "Zaai uw zaad in de morgen en laat uw hand tegen de avond niet rusten" (Pred. 11:6). Gods grote verbond zegt dat "zolang de aarde bestaat, zaaiïng en oogst niet ophouden" (Gen. 8 :22). Vertrouwende op deze belofte ploegt en zaait de landman. Ka 103 2 Ten aanzien van het geestelijk zaaien werken wij met niet minder vertrouwen, afgaande op Zijn verzekering: "Alzo zal Mijn woord dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen". "Hij gaat al wenende voort, die de zaadbuidel draagt; voorzeker zal hij komen met gejuich, dragende zijn schoven" (Jes. 55: 11; Psalm 126 : 6). Ka 103 3 Het ontkiemen van het zaad stelt het begin van het geestelijke leven voor, en de ontwikkeling van de plant is een beeld van de ontwikkeling van het karakter. Er kan geen leven zonder groei zijn. De plant moet òf groeien òf sterven. Zoals haar groei in alle stilte, onmerkbaar, maar aanhoudend zich voltrekt, zo is ook de groei van het karakter. In elk stadium der ontwikkeling kan ons leven volmaakt zijn; nochtans wanneer Gods doel ten opzichte van ons vervuld wordt zal er een bestendige vooruitgang zijn. Voorwaarden tot de groei Ka 103 4 De plant groeit doordat zij ontvangt wat God heeft verschaft om haar leven in stand te houden. Zo wordt de geestelijke groei verkregen door samenwerking met goddelijke hulpmiddelen. Zoals de plant wortel schiet in de grond, zo moeten wij wortel schieten in Christus. Zoals de plant de zonneschijn, de dauw en de regen ontvangt zo moeten wij de Heilige Geest ontvangen. Wanneer wij ons hart gezet hebben op Christus, zal Hij tot ons komen "als de regen, als de late regen die het land besproeit". Als de Zon der Gerechtigheid zal Hij over ons opgaan "met genezing onder Zijn vleugelen". Wij zullen "bloeien als de lelie". Wij zullen "bloeien als de wijnstok" (Hosea 6:3; Mal. 4:2; Hosea 14:6, 8). Vrucht dragen Ka 104 1 De tarwe groeit, "eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar" (Marc. 4:28). Het doel van de landman in het zaaien van het zaad en de verzorging van de plant, is het verkrijgen van graan -- brood voor de hongerigen en zaad voor de komende oogsten. Zo verwacht de Goddelijke Landman ook een oogst. Hij probeert Zijn beeld te ontwikkelen in het hart en leven van Zijn navolgers, opdat Hij door hen gestalte zal verkrijgen in hart en leven van anderen. Een les in kinderopvoeding Ka 104 2 De geleidelijke groei van de plant uit het zaad is een aanschouwelijke les in kinderopvoeding. Er is "eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar" (Marcus 4:28). Hij Die deze gelijkenis gaf, schiep het kleine zaad, gaf daaraan zijn levenskrachten en maakte de wetten die zijn groei besturen. Natuurlijke ontwikkeling Ka 104 3 En de waarheden, door de gelijkenis geleerd, werden verwerkelijkt in Zijn eigen leven. Hij, de Majesteit des hemels, de Koning der heerlijkheid, werd een kindeke in Bethlehem en was gedurende een tijd het hulpeloze kind in de zorgen van zijn moeder. In Zijn kinderjaren sprak en deed Hij als een kind, eerde Zijn ouders en deed wat Hem werd opgedragen. Maar vanaf de eerste vorming van het verstand, groeide Hij voortdurend op in genade en in kennis der waarheid. Ka 104 4 Ouders en onderwijzers moeten zich ten doel stellen de neigingen van de kinderen zo te leiden, dat ze in elke periode van het leven de schoonheid, verbonden met die periode, weerkaatsen, en zij zich, evenals de planten in de tuin, op natuurlijke wijze ontwikkelen. Eenvoud Ka 104 5 De kleinen moeten in kinderlijke eenvoud opgevoed worden. Men moet hun leren tevreden te zijn met de kleine, nuttige plichten en de genoegens en ervaringen, overeenkomende met hun leeftijd. De jeugd komt overeen met de halm in de gelijkenis en de halm heeft van zichzelf een bijzondere schoonheid. Kinderen moeten niet gedrongen worden tot een vroegtijdige rijpheid, maar ze moeten zo lang mogelijk de frisheid en bevalligheid van hun prille jaren behouden. Hoe rustiger en eenvoudiger het leven van het kind is, hoe meer bevrijd van gekunstelde opwinding en hoe meer in harmonie met de natuur, des te gunstiger zal dat zijn voor zijn lichamelijke, verstandelijke en voor zijn geestelijke kracht. Het wonder van de oogst Ka 105 1 In het wonder van de Heiland bij de spijziging der vijfduizend is de werking van Gods macht in het voortbrengen van de oogst duidelijk gemaakt. Jezus trekt de sluier weg van de wereld der natuur en laat de scheppende kracht zien, welke aanhoudend voor onze bestwil wordt uitgeoefend. In de vermenigvuldiging van het in de aarde gestrooide zaad, doet Hij Die de broden vermenigvuldigde, elke dag een wonder. Het is door een wonder dat Hij elke dag millioenen mensen spijzigt van de oogstvelden der wereld. Terwijl mensen geroepen zijn met Hem samen te werken in de verzorging van het graan en de bereiding van het brood, verliezen zij het Goddelijke werktuig uit het oog. De werking van Zijn kracht wordt toegeschreven aan natuurlijke oorzaken of aan menselijke tussenkomst, en maar al te vaak maakt men van Zijn gaven een zelfzuchtig gebruik, en wordt van de zegen een vloek gemaakt. God probeert in dat alles verandering te brengen. Het is Zijn verlangen dat ons trage begrip bezield wordt om Zijn barmhartige goedertierenheid te onderscheiden en dat Zijn gaven ons tot een zegen worden, zoals Hij oorspronkelijk bedoeld heeft. Deelgenoten van het leven Gods Ka 105 2 Het is het Woord Gods, het toebedelen van Zijn leven, dat aan het zaad leven geeft; en, door het eten van het graan, worden wij van dat leven deelgenoten. En God wil dat wij dit terdege zien; Hij verlangt dat zelfs in het ontvangen van ons dagelijks brood, wij Zijn macht zullen erkennen en in nauwer gemeenschap met Hem gebracht zullen worden. We oogsten wat we zaaien Ka 105 3 Door Gods wetten in de natuur ziet men oorzaak en gevolg met een onveranderlijke zekerheid. Het oogsten getuigt van het zaaien. Hier wordt geen schijn geduld. Mensen kunnen hun medemensen bedriegen en kunnen beloning en eer ontvangen voor diensten die zij niet hebben bewezen. Maar in de natuur is van zo'n misleiding geen sprake. Over de ontrouwe landman spreekt de oogst een veroordelend vonnis, en in de hoogste zin geldt dit ook in de sfeer van het geestelijke. Het lijkt alsof het kwaad succes heeft, maar in werkelijkheid is dat zo niet. Het kind dat spijbelt om te kunnen spelen, de jongeling die traag is in zijn studie, de bediende of leerjongen die nalatig is de belangen van zijn patroon te dienen, de man in handel of beroep die zijn hoogste verantwoordelijkheden ontrouw wordt, mag zich vleien dat zolang het kwaad verborgen blijft, hij zich bevoordeelt maar dat is niet zo; hij bedriegt zichzelf. De levensoogst is het karakter en dat bepaalt weer op zijn beurt ons lot, zowel voor dit leven als voor het toekomende. De oogst des levens is het karakter Ka 106 1 De oogst is een wedervoortbrenging van het gezaaide zaad. Elk zaad brengt vrucht voort "naar zijn aard". Zo is het ook met de karaktertrekken die wij koesteren. Zelfzucht, genotzucht, eigenliefde, zelfbewustheid, ontwikkelen zich en het einde is rampzaligheid en ondergang. "Wie op de akker van zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de akker van de Geest zaait, zal uit de geest eeuwig leven oogsten" (Gal. 6:8). Liefde, medeleven en vriendelijkheid werpen vrucht en zegen af, een onvergankelijke oogst. Toeneming door zaaien Ka 106 2 In de oogst wordt het zaad vermenigvuldigd. Een enkele, door herhaald zaaien vermeerderde graankorrel, zou een hele akker met gouden schoven bedekken. Zo uitgestrekt kan de invloed zijn van een enkel leven, ja zelfs van een enkele daad. Ka 106 3 Hoeveel liefdedaden heeft de herinnering aan die albasten kruik, die gebroken werd bij de zalving van Jezus, de eeuwen door teweeg gebracht! En dan die "twee koperstukjes, samen een duit" (Marcus 12 :42) welke een arme, ongenoemde weduwe in de offerkist wierp, wat zijn die aanleiding geweest tot ontelbare schenkingen voor het werk van de Heiland! "Geeft overvloedig" Ka 106 4 De les van het zaad-zaaien leert vrijgevigheid. "Wie karig zaait, zal ook karig oogsten en wie mildelijk zaait, zal mildelijk oogsten" (2 Cor. 9 :6). Ka 107 1 De Here zegt: "Welzalig gij die aan alle wateren zaait" (Jes. 32 :20). Zaaien aan alle wateren wil zeggen, geven waar onze hulp nodig is. Dat zal niet leiden tot armoede. "Wie mildelijk zaait, zal mildelijk oogsten". Door het uit te strooien, vermenigvuldigt de zaaier zijn zaad. Door uit te delen, vermeerderen wij onze zegen. Gods belofte verzekert ons een voldoende voorraad, opdat we kunnen blijven geven. Ka 107 2 Nog meer: wanneer we de zegeningen van dit leven uitdelen, zal de dankbaarheid van de ontvanger zijn hart bereid maken om geestelijke waarheid te ontvangen en zo wordt een oogst voor het eeuwige leven verkregen. Leven door de dood Ka 107 3 Door het werpen van het graan in de aarde, geeft de Heiland een beeld van Zijn offer voor ons. "Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft", zegt Hij, "blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort" (Joh. 12 : 24). Alleen door het offer van Christus, het Zaad, kon vrucht voor het Koninkrijk Gods worden voortgebracht. In overeenstemming met de wet van het plantenrijk, is het leven het resultaat van Zijn dood. Ka 107 4 Zo moeten bij allen die vrucht voortbrengen als medearbeiders van Christus, eigenliefde en eigenbelang vergaan; het leven moet geworpen worden in de vore van 's werelds noden. Maar de wet van zelfopoffering is de wet van zelfbehoud. De landman behoudt zijn graan door het uit te strooien. Zo is het leven dat behouden zal blijven, het leven dat zich overvloedig geeft in het dienen van God en de mens. Een symbool van de opstanding Ka 107 5 Het zaad sterft om tot nieuw leven te ontkiemen. Hierin wordt ons de les van de opstanding geleerd. Van het menselijke lichaam, begraven om in het graf tot stof te vergaan, heeft God gezegd: "Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht" (1 Cor. 15 :42, 43). Studie der natuur heeft een praktische inslag Ka 108 1 Wanneer ouders en onderwijzers deze lessen trachten te geven, moeten zij dat op een praktische manier doen. Laat de kinderen zelf de grond bewerken en het zaad zaaien. Wanneer ze bezig zijn, kan de ouder of de onderwijzer een verklaring geven van de tuin van het hart, met daarin gezaaid het goede of het slechte zaad, en dat, zoals de tuin moet klaar gemaakt worden voor het natuurlijke zaad, het hart voor het zaad der waarheid toebereid moet worden. Wanneer het zaad in de aarde geworpen is, kunnen zij de les leren van Christus' dood; en wanneer de halm opgroeit, kunnen ze wijzen op de waarheid van de opstanding. Wanneer de plant opgroeit, kan men steeds Blijven wijzen op de overeenstemming tussen het natuurlijke en het geestelijke zaaien. Ka 108 2 De jeugd moet op een overeenkomstige manier worden onderlicht. Uit het bebouwen van de grond kunnen aanhoudend lessen worden geleerd. Niemand zal zich vestigen op een braak liggend land in de verwachting dat dit ineens een oogst zal voortbrengen. Men moet met ijver en volharding de grond bewerken, het zaad zaaien en het gewas verzorgen. Zo moet het ook zijn in het geestelijke zaaien. De tuin van het hart moet bewerkt worden. De grond moet worden opengebroken door berouw. Het onkruid dat het goede graan verstikt, moet worden uitgetrokken. Zoals de grond, overwoekerd door doornen, alleen gezuiverd kan worden door vlijtige arbeid, zo kunnen de boze neigingen van het hart alleen overwonnen worden door ernstige arbeid in de naam en de kracht van Christus. Gehoorzaamheid aan de wet Ka 108 3 Bij de bewerking van de grond zal de opmerkzame arbeider ervaren dat schatten, waarvan hij niet heeft gedroomd, te voorschijn komen. Niemand kan bij de landof tuinbouw succes verwachten, wanneer geen aandacht aan de daarbij behorende wetten wordt geschonken. De bijzondere behoeften van elke plantensoort moeten bestudeerd worden. Karakterontwikkeling Ka 108 4 De verschillende soorten vereisen een verschillende grond en verzorging, en het handelen naar de wetten waaronder elke plant staat, is een voorwaarde tot succes. De aandacht, geschonken aan het overplanten, opdat geen wortelvezel verbroken of verkeerd geplaatst wordt, de zorg voor de jonge planten, het snoeien en begieten, de bescherming tegen vorst des nachts en de zon overdag, het treffen van maatregelen tegen onkruid, ziekte en insectenplagen, de gehele verzorging -- dat alles leert niet alleen belangrijke lessen aangaande karakterontwikkeling, maar het werk op zichzelf is een middel tot ontwikkeling. Door het aankweken van nauwgezetheid, geduld, aandacht voor het kleine, gehoorzaamheid aan de wet, geeft men een wezenlijke opvoeding. De aanhoudende verbinding met de verborgenheid des levens en de lieflijkheid der natuur, alsook de tedere zorg, zo noodzakelijk voor deze mooie voortbrengselen van Gods schepping, hebben de neiging de geest te verkwikken en het karakter te veredelen en te verheffen; en de lessen die hij leert stellen de arbeider in staat met meer succes met andere mensen om te gaan. ------------------------Hoofdstuk 12--Andere gelijkenissen Ka 110 0 "Wie is wijs? Hij lette op deze dingen; Iaat men acht slaan op de gunstbewijzen des Heren." Het werk der genezing Ka 110 1 De genezende kracht van God doordringt de hele natuur. Wanneer men in een boom snijdt, wanneer een mens wordt gewond of een been breekt, begint de natuur onmiddellijk het gebrokene te herstellen. Zelfs vóór de noodzaak bestaat, zijn de genezende krachten reeds aanwezig; en zodra er ergens een wond is, wijden al die krachten zich aan het herstel. Zo is het ook op geestelijk gebied. Vóór de zonde de behoefte aan herstel schiep, had God reeds in het geneesmiddel voorzien. Elke ziel die aan de verleiding toegeeft is door de vijand gewond, gekneusd; maar waar ook de zonde is, daar is de Heiland. Het is het werk van Christus om "te genezen die gebroken zijn van hart, om de gevangenen te prediken loslating.... om de verslagenen heen te zenden in vrijheid" (Luc. 4: 18, 19 - statenvert.). Een sprekend beeld Ka 110 2 In dit werk moeten wij meehelpen. "Zo iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt.... hem terecht" (Gal. 6:1). Het woord dat hier vertaald wordt door "terecht helpen", betekent in feite het opnieuw zetten van een ontwricht lichaamslid. Wat een sprekend beeld is dit! Hij die in dwaling of zonde valt, heeft het verband met alles om hem heen verloren. Hij mag zich zijn fout bewust zijn en daar spijt over hebben, maar hij kan zichzelf niet helpen. Hij verkeert in verwarring en angst, hij is overweldigd en hulpeloos. Iemand moet hem terugwinnen, genezen, weder oprichten. "Gij die geestelijk zijt, helpt hem terecht." Alleen liefde biedt genezing Ka 110 3 Alleen de liefde die vloeit uit het hart van Christus kan genezing brengen. Alleen degene, in wie die liefde aanwezig is, zoals het sap in de boom en het bloed in het lichaam, kan de gewonde ziel helen. De middelen der liefde hebben een wonderlijke kracht, want ze zijn van Goddelijke oorsprong. Het zachte antwoord dat "de grimmigheid afkeert", de liefde die "lankmoedig en goedertieren" is, die "tal van zonden bedekt" (Spr. 15 :1; 1 Cor. 13:4; 1 Petrus 4: 8) -- wanneer wij die les eens zouden leren, met welk een genezende kracht zou ons leven dan begiftigd zijn! Welk een verandering zou ons leven ondergaan, terwijl de aarde een beeld en voorsmaak van de hemel zou bieden! Ka 111 1 Deze kostelijke lessen kunnen op zo'n eenvoudige wijze worden onderwezen, dat zelfs kleine kinderen ze begrijpen. Het hart van het kind is teer en ontvankelijk; en wanneer wij die ouder zijn "als de kinderkens" (Matth. 18 : 3) worden, wanneer wij de eenvoud en minzaamheid en tedere liefde van de Heiland in ons opnemen, zal het voor ons niet zo moeilijk zijn om met de harten der kleinen contact te krijgen teneinde hen in de genezende arbeid der liefde op te voeden. Volmaaktheid in kleine dingen Ka 111 2 Volmaaktheid bestaat zowel in de kleinste als in de grootste werken Gods. De hand die de werelden in het luchtruim plaatste, is ook de hand die de bloemen op het veld hun vorm gaf. Bekijk eens onder de microscoop het kleinste en gewoonste bloempje dat langs de weg groeit, en men zal in al zijn onderdelen de buitengewone schoonheid en volmaaktheid ontdekken. Zo kan in het nederigste levenslot ware voortreffelijkheid gevonden worden; de gewoonste bezigheden verricht met een liefdevolle trouw, zijn heerlijk in Gods oog. Een nauwgezette aandacht, besteed aan kleine dingen, zal ons tot Zijn medearbeiders maken en zal ons de lof doen geworden van Hem Die alles ziet en weet. De regenboog Ka 111 3 De regenboog die met zijn boog van licht de hemelen omspant, is een teken van "het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens" (Gen. 9:16). En de regenboog die de troon des Allerhoogstens omgeeft, is ook voor Gods kinderen een teken van Zijn verbond des vredes. Ka 111 4 Zoals de boog in de wolken ontstaat door de verbinding van zonneschijn en regen, zo stelt de boog boven Gods troon de verbinding voor van Zijn genade en gerechtigheid. Tot de zondige, maar berouwvolle ziel zegt God: Leef; "de losprijs heb Ik verkregen" (Job. 33 :24). Ka 112 1 "Zoals Ik gezworen heb dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer toornig op u zal zijn noch u zal dreigen. Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en Mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Here" (Jes. 54 : 9, 10). De sterren Ka 112 2 Ook de sterren hebben een bemoedigende boodschap voor ieder menselijk wezen. In die uren die over allen komen, wanneer het hart zwak is en de verzoeking zich opdringt; wanneer hinderpalen onoverkomelijk schijnen en de doelstellingen des levens onbereikbaar zijn en zijn schitterende beloften gelijk appelen van Sodom, waar kan dan zulke moed en standvastigheid gevonden worden als in de les die God ons wil leren uit de sterren in hun bestendige loop? "Er blijft niet één achter" Ka 112 3 "Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij die het heir daarvan in grote getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid Zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter. Waarom zegt gij, o Jacob en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de Here, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, Zijn verstand is niet te doorgronden. Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte". ,,Ik help u" Ka 112 4 "Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn heilrijke rechterhand". Ka 112 5 "Ik, de Here, uw God, grijp uw rechterhand vast, Die tot u zegt: Vrees niet, Ik help u" (Jes. 40 :26-29; 41:10, 13). De Palmboom Ka 112 6 De palmboom, bloot staande aan de verzengende stralen der zon en de heftige zandstormen, staat met zijn groen bladerdak, bloeiende en vrucht voortbrengende in het midden van de woestijn. Zijn wortelen zuigen het water uit levende waterbronnen. Zijn groene bladeren zijn in de eenzame, verschroeide vlakte reeds van verre zichtbaar, en de van dorst versmachtende reiziger sleept zich moeizaam voort naar de verkoelende schaduw en het leven gevende water. Ka 113 1 De boom in de woestijn is een symbool van wat in Gods oog het leven Zijner kinderen in deze wereld moet zijn. Zij moeten vermoeide zielen, vol onrust, die op het punt staan in de woestijn der zonde om te komen, brengen tot de levende wateren. Zij moeten hun medemensen wijzen op Hem Die de uitnodiging doet: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke" (Joh. 7:37). De rivier en de beek Ka 113 2 De brede, diepe rivier die voor de handel en het verkeer der volken een verbindingsschakel vormt, wordt alom gewaardeerd als een wereldwijde zegen; maar hoe staat het met de kleine beekjes welke deze geweldige stroom doen vloeien? Zouden die er niet zijn, dan zou de rivier verdwijnen. Zijn bestaan is daarvan afhankelijk. Zo worden mannen, die geroepen zijn een of ander groot werk te leiden, geëerd, als ware het succes daarvan alleen aan hen te danken; maar dat succes vereist de trouwe medewerking van ontelbare nederige arbeiders -- arbeiders, van wie de wereld niets weet. Onbekende zwoegers Ka 113 3 Ondankbare opdrachten, arbeid die niet wordt gewaardeerd -- ziedaar het lot van de meeste zwoegers in de wereld. En door een dergelijk lot ontstaan legers van ontevredenen. Zij hebben het gevoel dat zij hun leven verknoeien. Maar het kleine beekje dat geruisloos voortkabbelt langs bos en veld, gezondheid, vruchtbaarheid en schoonheid voortbrengend, is op zijn manier even nuttig als de brede rivier. En door bij te dragen tot het bestaan van de rivier, helpt het mee dat tot stand te brengen, waartoe het alléén niet in staat zou zijn. Ka 113 4 Dit is een les voor heel veel mensen. Maar al te vaak wordt talent verafgood en gaat de begeerte te veel uit naar de hoogste plaats. Er zijn te veel mensen die niets willen doen of ze moeten als leiders erkend worden; er zijn ook te veel mensen die van alle kanten lof willen ontvangen en anders hebben zij voor het werk geen belangstelling. Wat we moeten leren is in alle getrouwheid het beste gebruik te maken van de talenten en kansen die we hebben en tevreden te zijn met het lot, ons door de Hemel opgelegd. De kleine schepselen der aarde Ka 114 1 "Vraag toch het gedierte, en het zal u onderrichten; het gevogelte des hemels, en het zal u inlichten.... ; laat de vissen der zee het u vertellen". "Ga tot de mier.... zie haar wegen". "Ziet naar de vogelen des hemels". "Let op de raven" (Job 12: 7, 8; Spr. 6:6; Matth. 6:26; Luc. 12 : 24). Ka 114 2 Over deze schepselen Gods moeten wij het kind niet enkel vertellen. De dieren zelf moeten zijn leermeesters zijn. De mieren leren lessen van geduldige vlijt, van volharding in het overwinnen van moeilijkheden, van zorgen voor de toekomst. Een les van vertrouwen Ka 114 3 En de vogels leren ons de prettige les van vertrouwen. Onze hemelse Vader zorgt voor hen; maar zij moeten het voedsel zoeken, zij moeten hun nesten bouwen en hun jongen groot brengen. Elk ogenblik lopen ze gevaar door vijanden gedood te worden. En toch, hoe opgewekt doen ze hun taak! hoe blij gestemd laten ze hun liederen schallen! Ka 114 4 Wat een prachtige beschrijving geeft de Psalmist van Gods zorg voor de dieren van het woud, -- Ka 114 5 "De hoge bergen zijn voor de steenbokken; Ka 114 6 de rotsen een schuilplaats voor de klipdassen". Ka 114 7 Hij laat de beekjes tussen de heuvelen lopen, waar de vogelen hun nesten hebben en "van tussen de takken laten zij hun lied horen". Al de dieren van de wouden en de heuvelen vormen een onderdeel van Zijn grote huishouding. Hij "doet Zijn hand open en verzadigt met welbehagen al wat leeft" (Ps. 104 :18, 12; 145 : 16). De adelaar Ka 114 8 De adelaar van de Alpen wordt soms door de storm neergeslagen in de nauwe engten der bergen. Stormwolken sluiten deze machtige vogel der bossen in en hun grauwe massa's scheiden hem van de zonnige hoogten waar hij zijn nest heeft gebouwd. Zijn ontsnappingspogingen schijnen tevergeefs. Hij schiet uit naar links en naar rechts en slaat de lucht met zijn sterke wieken, terwijl zijn geschreeuw tussen de bergen weergalmt. Eindelijk, met een triomfkreet, schiet hij naar boven, doorboort de wolkenmassa en is weer in het helle zonlicht, met de duisternis en de storm ver beneden zich. Zo ook kunnen wij ons bevinden te midden van moeilijkheden, ontmoediging en duisternis. Boven de wolken Ka 115 1 Bedrog, rampen, ongerechtigheid sluiten ons in. Er zijn wolken, waar wij niet onderuit kunnen komen. Tevergeefs vechten wij tegen de omstandigheden. Er is één, maar ook slechts één weg ter ontkoming. Mist en nevel omhullen de aarde; boven de wolken schijnt Gods licht. Naar het zonlicht Zijner tegenwoordigheid kunnen wij oprijzen op de vleugelen des geloofs. Andere beelden Ka 115 2 Op deze manier kunnen wij tal van lessen leren. Zelfvertrouwen van de boom die, staande op een vlakte of berghelling in alle eenzaamheid, diep geworteld staat in de aarde en in zijn ruwe kracht de storm weerstaat. De kracht die lang geleden er op ingewerkt heeft, ziet men in de verweerde, krom gegroeide boomstam, die als jonge boom door een storm is gebogen en door geen aardse macht in zijn rechte lijn kan worden hersteld. Het geheim van een heilig leven is te zien in de waterlelie die aan de rand van een slikkerige poel, te midden van onkruid en afval, met haar wortels is geplant in de zuivere grond op de bodem en, zich daaruit voedend, haar geurende bloemen ontvouwt in een smetteloze reinheid. Leer de kinderen het zien en waarnemen Ka 115 3 Terwijl aldus de kinderen en opgroeiende jeugd door hun onderwijzers en leerboeken feitenkennis verkrijgen, moet hun ook geleerd worden, voor zichzelf lessen te trekken en de waarheid te onderscheiden. Vraag hun, wanneer ze met hun tuintje bezig zijn, wat ze leren uit de verzorging van hun planten. Zien ze een prachtig landschap, vraag hun dan waarom God de bossen en de velden met zulke prachtige, rijk gevariëerde schakeringen bekleedde. Waarom was niet alles gekleurd in een somber bruin? Wanneer ze de bloemen plukken, wijs hen er dan op, waarom Hij voor ons de schoonheid van deze nakomelingen uit het Paradijs heeft bewaard. Leer hen de bewijzen op te merken die overal in de natuur te vinden zijn van Gods zorg voor ons en hoe alle dingen zijn aangepast aan onze behoefte en ons geluk. Ka 116 1 Alleen hij die in de natuur het handenwerk van zijn Vader opmerkt, die in de rijkdom en de schoonheid der aarde het handschrift des Vaders leest -- hij alleen leert uit de voortbrengselen der natuur hun diepste lessen en ontvangt wat ze te bieden hebben. Alleen hij kan ten volle waarderen de betekenis van berg en dal, van rivier en zee, die deze beziet als een uitdrukking van de gedachten Gods, een openbaring van de Schepper. De natuur een sleutel tot de Bijbel Ka 116 2 Vele beelden uit de natuur worden door de schrijvers van de Bijbel gebruikt, en wanneer we de dingen van de natuurlijke wereld waarnemen, zullen we onder de leiding van de Heilige Geest in staat gesteld worden, de lessen uit Gods Woord meer te begrijpen. Zo wordt de natuur een sleutel tot de schatkamer van het Woord. Het bestuderen van gelijkenissen Ka 116 3 Kinderen moeten worden aangemoedigd in de natuur die voorwerpen op te zoeken welke de Bijbelse onderwijzingen illustreren, en in de Bijbel de gelijkenissen uit de natuur getrokken, op te diepen. Zij moeten zowel in de natuur als in de Bijbel elk voorwerp opzoeken dat Christus voorstelt alsook de voorwerpen die Hij gebruikte om de waarheid te illustreren. Op deze manier kunnen zij leren Hem te zien in boom en wijnstok, in lelie en roos, in zon en ster. Zij kunnen leren Zijn stem te vernemen in het gezang der vogels, in het ruisen der bomen, in de rollende donder, in de muziek der zee. En alles in de natuur zal voor hen Zijn kostelijke lessen herhalen. Ka 116 4 Voor hen, die zo met Christus bekend worden, zal de aarde nooit meer een eenzame, woeste plaats zijn. Die zal zijn het huis huns Vaders, vervuld van de tegenwoordigheid van Hem, Die eens onder de mensen woonde. De Bijbel Als Opvoeder Ka 116 5 "Als gij op weg zijt, moge het u leiden; als gij u nederlegt, moge het over u waken; als gij wakker wordt moge het u toespreken." (Spreuken 6 : 22) ------------------------Hoofdstuk 13--Verstandelijke en geestelijke vorming Ka 119 0 "Door kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostbaar en liefelijk bezit." Ka 119 1 Voor het verstand en de ziel, evenals voor het lichaam is het de wet van God dat kracht verkregen wordt door inspanning, terwijl de krachten zich door oefening ontwikkelen. In overeenstemming met deze wet heeft God in Zijn Woord de middelen voor verstandelijke en geestelijke ontwikkeling verschaft. Bijbelstudie verleent kracht Ka 119 2 De Bijbel bevat alle beginselen die de mensen moeten begrijpen om geschikt te zijn zowel voor dit als voor het toekomstige leven. En deze beginselen kunnen door allen worden begrepen. Niemand die zijn onderwijzingen weet te waarderen, kan één enkele passage uit de Bijbel lezen zonder daaruit een of andere nuttige gedachte te trekken. Maar het beste onderricht van de Bijbel wordt niet verkregen door zonder enige samenhang het Boek zo nu en dan eens te bestuderen. Het verheven systeem der waarheid wordt niet zo geschilderd dat de haastige of oppervlakkige lezer dat zal ontdekken. Vele schatten liggen grotendeels ver beneden de oppervlakte en kunnen alleen verkregen worden door ijverig onderzoek en aanhoudende inspanning. De waarheden die het geheel vormen, moeten gezocht en verzameld worden, "hier wat, daar wat" (Jes. 28:10). Een volmaakt geheel Ka 119 3 Wanneer ze aldus worden onderzocht en tot een geheel samengevoegd worden, zal men ervaren dat ze aan elkaar aangepast zijn. Elk Evangelie is een aanvulling van de andere, elke profetie een verklaring van een andere profetie, elke waarheid een ontwikkeling van een andere waarheid. De schaduwbeelden van het Joodse stelsel worden duidelijk gemaakt door het Evangelie. Elk beginsel in het Woord van God heeft zijn plaats, elk feit zijn betekenis. En het gehele gebouw in zijn ontwerp en uitvoering, draagt het kenmerk van zijn Maker. Alleen het verstand van de eeuwige God kan zo'n geheel bedenken en bouwen. Verstandelijke discipline Ka 120 1 Gaat men de verschillende delen onderzoeken en hun verband bestuderen, dan worden de beste vermogens van de menselijke geest aan het werk gezet. Niemand kan zich aan die studie wijden zonder zijn verstandelijke krachten te ontwikkelen. Ka 120 2 De geestelijke waarde van Bijbelstudie bestaat niet alleen in het onderzoeken en de samenhang der waarheid vast te stellen, maar ook in de inspanning om de geboden onderwerpen in zich op te nemen. Het verstand dat zich alleen bezighoudt met de gewone dingen des levens, verschrompelt en verzwakt. Het verliest op den duur de groeikracht, wanneer het niet probeert grote waarheden van buitengewoon belang te doorgronden. Als een beveiliging tegen deze aftakeling en een prikkel tot groei is er niets beters dan het onderzoek van Gods Woord. Als een middel tot verstandelijke vorming gaat van de Bijbel meer kracht uit dan van welk ander boek ook, ja zelfs van alle andere boeken tezamen. De verhevenheid van zijn onderwerpen, de waardige eenvoud van zijn zeggingskracht, de schoonheid van zijn beeldspraak, verfrissen en verheffen de gedachten als niets anders. Geen andere studie verschaft zulke verstandelijke kracht als de inspanning om de verbazingwekkende waarheden van de Openbaring in zich op te nemen. Het verstand, aldus in aanraking gebracht met de gedachten van de Oneindige, kan zich slechts ontwikkelen en versterken. Geestelijke ontwikkeling Ka 120 3 En zelfs nog groter is de kracht van de Bijbel in de ontwikkeling van de geestelijke natuur. De mens, geschapen om met God gemeenschap te hebben, kan alleen in zo'n gemeenschap zijn waarachtig leven en wasdom vinden. Geschapen om in God zijn hoogste vreugde te vinden, vindt hij nergens anders wat de hunkering zijns harten kan bevredigen, wat de honger en dorst van de ziel kan stillen en lessen. Wie met een oprechte en ontvankelijke geest Gods Woord bestudeert, en probeert zijn waarheden te begrijpen, zal in aanraking worden gebracht met de Schrijver van dat Boek; en aan de moge lijkheden van zijn wasdom zijn geen grenzen gesteld, tenzij zijn hart naar iets anders uitgaat. Rijkdom aan stijl en onderwerpen Ka 120 4 In zijn grote rijkdom aan stijl en onderwerpen bezit de Bijbel iets dat elk verstand belang kan inboezemen en op elk hart een beroep doet. Op zijn bladzijden vindt men de oudste geschiedenis; de waarste levensbeschrijvingen; regeringsbeginselen voor het beheer van de staat, voor de leiding van het huishouden -- beginselen die door menselijke wijsheid nooit zijn geëvenaard. Het Boek bevat de diepzinnigste levenswijsheid, de zoetste, de verhevenste, de hartstochtelijkste en de roerendste voortbrengselen van de dichtkunst. De boeken van de Bijbel als zodanig beschouwd, staan wat hun waarde betreft, onmetelijk hoger dan de voortbrengselen van welke menselijke schrijver ook; maar bezien in hun verhouding tot de grote kerngedachte hebben ze een oneindig wijder strekking en oneindig meer waarde. Gezien in het licht van deze gedachte, heeft elk onderwerp een nieuwe betekenis. In de eenvoudigste waarheden daarin verkondigd, liggen beginselen opgesloten die zo hoog zijn als de hemel en die een eeuwigheid omvatten. De kerngedachte Ka 121 1 De kerngedachte van de Bijbel, het onderwerp waaromheen alle andere in het hele boek zich groeperen, is het verlossingsplan -- het herstel van het beeld Gods in de menselijke ziel. Vanaf de eerste aankondiging der hoop in het vonnis, uitgesproken in het Paradijs, tot de laatste heerlijke belofte van de Openbaring: "Zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn" (Openbaring 22 : 4), is de omlijnde gedachte van elk boek en elk onderdeel van de Bijbel de ontvouwing van dit wonderlijke onderwerp -- de verheffing van de mens -- de kracht Gods "die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus" (1 Cor. 15 :57). Een onbegrensd gebied Ka 121 2 Wie deze gedachte in zich opneemt, heeft vóór zich een onbegrensd studieterrein. Hij heeft de sleutel die de hele schatkamer van Gods Woord voor hem zal ontsluiten. Ka 121 3 De wetenschap der verlossing is de wetenschap van alle wetenschappen; de wetenschap die bestudeerd wordt door de engelen en de verstandelijke wezens der niet-gevallen werelden; de wetenschap die de aandacht van onze Here en Heiland in beslag neemt; de wetenschap die ingaat tot het doel, uitgedacht door de Oneindige en "eeuwenlang verzwegen" (Rom. 16:25), de wetenschap die door de eindeloze eeuwen heen, bestudeerd zal worden door Gods verlosten. Dat is de hoogste studie waarmee de mens zich kan bezig-houden. En als geen andere studie, zal ze de geest verkwikken en de ziel verheffen. Levenverwekkende waarheden Ka 122 1 "Het is een voordeel te weten: de wijsheid doet haar bezitters leven". "De woorden, die Ik tot u gesproken heb," zei Jezus, "zijn geest en zijn leven". "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die Gij gezonden hebt" (Pred. 7: 12; Joh. 6: 63; 17:3). Ka 122 2 De scheppende kracht die de werelden deed ontstaan, ligt in het Woord van God. Dit Woord verleent kracht; het verwekt leven. Elk gebod is een belofte; wanneer het door de wil wordt aangenomen en in de ziel opgenomen, brengt het met zich het leven van de Oneindige. Het verandert de natuur en herschept de ziel naar het beeld Gods. Het onderhoudt het leven Ka 122 3 Het aldus toebedeelde leven wordt op dezelfde manier onderhouden. "Van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat" (Matth. 4 :4) zal de mens leven. Ka 122 4 Het verstand, de ziel wordt opgebouwd door dat waarmee zij zich voeden, en bij ons ligt de beslissing waarmee zij gevoed zullen worden. Het ligt binnen de macht van een ieder, de onderwerpen te kiezen die de gedachten zullen bezighouden en het karakter vormen. Van elk menselijk wezen dat het voorrecht heeft de Bijbel te bezitten, zegt God: "Ik schrijf hem tienduizendvoudig Mijn wetten voor". "Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden en u grote, ondoorgrondelijke dingen verkondigen, waarvan gij niet weet" (Hos. 8: 12; Jer. 33 : 3). Mogelijkheden der gemeenschap Ka 122 5 Met het Woord Gods in zijn handen, kan ieder mens, wat ook zijn levenslot mag zijn, die gemeenschap hebben welke hij verkiest. Op de bladzijden van het Boek kan hij spreken met de nobelsten en besten der mensheid, en luisteren naar de stem van de Eeuwige wanneer Hij spreekt met de mensen. Ka 122 6 Wanneer hij de onderwerpen, "waarin zelfs engelen begeren een blik te slaan" (1 Petr. 1:12) bestudeert en overpeinst, kan hij in hun gezeischap verkeren. Hij kan treden in de voetstappen van de hemelse Leraar en luisteren naar Zijn woorden, zoals Hij leerde op de berghelling, aan de oever van het meer, of in het veld. Hij kan in deze wereld verkeren in de atmosfeer des hemels terwijl hij bij de bedroefden en verzochten der aarde hoopvolle gedachten en een verlangen naar heiligheid verwekt. Juist daardoor zal hij dichter, steeds dichter in gemeenschap komen met de Onzienlijke om, evenals de mens uit het verre verleden die met God wandelde, steeds dichter de drempel van de eeuwige wereld te benaderen, tot de poorten opengaan en hij zal kunnen binnengaan. Geen vreemdeling Ka 123 1 Hij zal zich daar niet als een vreemdeling gevoelen. De stemmen die hem daar zullen begroeten, zijn de stemmen van de heiligen die, hoewel niet zichtbaar, op aarde zijn metgezellen waren -- stemmen die hij hier leerde kennen en liefhebben. Wie door het Woord van God in gemeenschap met de hemel heeft geleefd, zal zich in het gezelschap van de hemel thuis voelen. ------------------------Hoofdstuk 14--Bijbel en wetenschap Ka 124 0 "Wie onder deze alle weet niet dat de hand des Heren dit doet?" Harmonie tussen de natuur en de Openbaring Ka 124 1 Daar het boek der natuur en het Boek der Openbaring het zegel dragen van dezelfde grote Geest, kunnen ze slechts in harmonie met elkander spreken. Door verschillende werkwijzen en in verschillende talen getuigen ze van dezelfde grote waarheden. De wetenschap ontdekt steeds nieuwe wonderen, maar haar wetenschappelijke onderzoekingen brengen niets dat, wanneer het goed wordt begrepen, in strijd is met de goddelijke Openbaring. Het boek der natuur en het Boek der Openbaring belichten elkander. Ze maken ons bekend met God door ons iets te leren van de wetten waardoor Hij werkt. De evolutie der aarde Ka 124 2 Gevolgtrekkingen die men op onjuiste wijze heeft getrokken uit feiten, waargenomen in de natuur, hebben echter tot een veronderstelde tegenstelling tussen wetenschap en Openbaring geleid, en, in een pogen om de harmonie te herstellen, werden verklaringen van de Schrift aangenomen die de kracht van het Woord van God ondermijnen en vernietigen. Men heeft gedacht dat de geologie, de aardkunde, in tegenspraak was met de letterlijke uitlegging van het Mozaïsche scheppingsverhaal. Men heeft beweerd dat miljoenen jaren nodig waren voor de evolutie der aarde uit de chaos, en om nu de Bijbel aan te passen aan deze veronderstelde open-baring der wetenschap, nam men aan dat de scheppingsdagen onbepaalde perioden waren die zich uitstrekten over duizenden, misschien wel miljoenen jaren. Het Bijbelverhaal van de schepping Ka 124 3 Een dergelijke gevolgtrekking is absoluut ongewettigd. Het Bijbelverhaal is in harmonie met zichzelf en met de leer der natuur. Van de eerste dag in het scheppingswerk staat geschreven: "Toen was het avond geweest en het was morgen geweest; de eerste dag." Gen. 1:5. En datzelfde wordt gezegd van elk der eerste zes dagen van de scheppingsweek. Ka 125 1 De Schrift zegt, dat elk van deze perioden een dag is, bestaande uit avond en morgen, evenals elke andere dag sinds die tijd. Wat het scheppingswerk zelf betreft, luidt het Goddelijke getuigenis: "Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er." Psalm 33 :9. Waarom zou God, die op dezelfde wijze ontelbare werelden het aanzien gaf, dan zo'n lange tijd nodig hebben voor de evolutie van de aarde uit de chaos? Moeten wij, om Zijn werken te verklaren, Zijn Woord geweld aan doen? Veranderingen door de Zondvloed Ka 125 2 Het is waar dat in de aarde gevonden overblijfselen getuigen van het bestaan van mensen, dieren en planten, veel groter dan we nu kennen. Men ziet ze als het bewijs van het bestaan van een plantenen dierenwereld vóór de tijd van het Mozaïsche scheppingsverhaal. Maar wat deze dingen betreft geeft de Bijbelse geschiedenis voldoende verklaring. Vóór de Zondvloed stond de ontwikkeling van het plantenen dierenleven ver boven die welke sindsdien gekend is. Bij de Zondvloed werd de aardkorst opengereten, ge-weldige veranderingen vonden plaats en in de herformatie van de aardkorst werden vele bewijzen van het leven dat voordien bestond, bewaard. De uitgestrekte bossen die ten tijde van de Zondvloed in de aarde werden begraven en in steenkool veranderden, vormen nu de uitgebreide kolenvelden, en verschaffen ons de olie, waarvan we heden ten dage het profijt hebben. Toen deze dingen aan het licht werden gebracht, waren ze even zovele stomme getuigen van de waarheid van Gods Woord. De evolutie van de mens Ka 125 3 Verwant aan de theorie van de evolutie van de aarde, is die welke beweert dat uit kiemen, weekdieren en viervoetige dieren in een opgaande lijn de evolutie van de mens, het kroonstuk der schepping, is ontstaan. Ka 125 4 Wanneer men de gelegenheden der mensen voor een wetenschappelijk onderzoek eens nagaat, hoe kort is dan zijn leven, hoe begrensd zijn actiegebied, hoe beperkt zijn visie, hoe veelvuldig en groot de dwalingen in zijn conclusies, vooral wanneer het gebeurtenissen betreft waarvan men aanneemt dat ze voorafgaan aan de Bijbelse geschiedenis, hoe vaak worden de veronderstelde deducties (afleidingen) der wetenschap herzien of terzijde geschoven; hoe gemakkelijk worden de aangenomen perioden van de ontwikkeling der aarde van tijd tot tijd met miljoenen jaren vermeerderd of verminderd, en hoe dikwijls komen de theorieën, verkondigd door verschillende mannen der wetenschap, niet met elkaar in botsing! Wanneer we dit alles nu nagaan, zullen we dan, ter wille van onze zogenaamde afstamming van kiemen, weekdieren en apen, de verklaring van de Heilige Schrift verwerpen, die zo verheven is in haar eenvoud: "God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem"? Gen. 1:27. Zullen wij dat verslag van onze stamboom verwerpen -- een stamboom veel verhevener dan welke ook die in de hoven der koningen wordt bewaard -- "....de zoon van Adam, de zoon van God"? Lucas 3 :38. De goddelijke werking in de natuur Ka 126 1 Bij een juist begrip zijn zowel de openbaringen van de wetenschap als de ervaringen van het leven in harmonie met het getuigenis van de Schrift aangaande de voortdurende werking van God in de natuur. Ka 126 2 In de door Nehemia opgetekende lofzang, zongen de Levieten: "Gij toch zijt alleen de Here. Gij hebt de hemel, de hemel der hemelen en al zijn heer gemaakt, de aarde en al wat daarin is, de zeeën en al wat daarin is, ja, Gij geeft hen allen het leven." Nehemia 9:6. De alles omvattende voorzienigheid Ka 126 3 Wat deze aarde betreft, zeggen de Schriften dat het scheppingswerk voltooid was. "Zijn werken waren van de grondlegging der wereld af gereed." Hebr. 4:3. Maar de kracht Gods wordt nog steeds uitgeoefend om hetgeen Hij geschapen heeft in stand te houden. Het is niet omdat het mechanisme, eenmaal in beweging gebracht, uit eigen inherente kracht blijft voortgaan, dat de pols slaat en de ademhaling geregeld gaat. Elke ademhaling, elke klop van het hart, is een bewijs van de zorg van Hem, in Wie wij leven, en ons bewegen, en zijn. Vanaf het kleinste insect tot de mens, is elk levend schepsel dagelijks aangewezen op Zijn voorzienigheid. Ka 127 1 "Zij allen wachten op U .... Geeft Gij hun die, zij zamelen op; Opent Gij Uw hand, zij worden met goed verzadigd. Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verdelgd; Neemt Gij hun adem weg, zij sterven. En keren weder tot hun stof. Zendt Gij uw Geest, zij worden geschapen. En Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem." (Psalm 104:27-30) Ka 127 2 "Hij spant het noorden uit over de baaierd, Hij hangt de aarde op aan het niet. Hij bindt de wateren bijeen in Zijn wolken Zonder dat het wolkendek daaronder scheurt .... Hij trok een kring over het watervlak Tot waar het licht aan de duisternis grenst." "Wie zou verstaan?" Ka 127 3 "De zuilen des hemels n stonden ontzet voor Zijn dreigen. Hij stilde de zee door Zijn kracht .... Door Zijn adem werd de hemel helder, Zijn hand doorboorde de snelle slang. Zie, dit zijn nog maar de uitlopers Zijner wegen, En slechts een fluisterend woord vernemen wij van Hem Wie zou dan den donder Zijner kracht kunnen verstaan?" (Job. 26: 7-10; 26:11-14) Ka 127 4 "In wervelwind en storm is Zijn weg, Wolken zijn het stof Zijner voeten." (Nahum 1:3) Een persoonlijk God Ka 127 5 De grote kracht die door heel de natuur werkt en alle dingen in stand houdt, is niet, zoals sommige mannen der wetenschap beweren, een alles doordringend beginsel, een aandrijvende energie. God is een geest, nochtans is Hij een persoonlijk wezen, want de mens werd gemaakt naar Zijn beeld. Als een persoonlijk wezen heeft God zich geopenbaard in Zijn Zoon Jezus, de afstraling van Zijn heerlijkheid, "en de afdruk van Zijn wezen," werd op aarde gevonden in de gedaante van een mens. Hij kwam naar de wereld als een persoonlijke Heiland. Als een persoonlijke Heiland voer Hij op naar de hemel. Als een persoonlijke Heiland bemiddelde Hij in de hemelse hoven. Vóór de troon van God dient om onzentwille "Een gelijk de Zoon der mensen." Daniel 7: 13. Ka 128 1 Wanneer hij door de Heilige Geest schrijft, zegt de apostel Paulus van Christus dat "alle dingen door Hem en tot Hem geschapen zijn; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem." Col. 1: 16, 17. De hand die de werelden in de ruimte schraagt, de hand die alle dingen door het hele universum Gods heen in hun vastgestelde loop en onvermoeide activiteit leidt, is de hand die voor ons aan het kruis werd genageld. Alomtegenwoordigheid, alwetendheid Ka 128 2 De grootheid van God is voor ons ondoorgrondelijk. "De Here heeft in de hemel Zijn troon" (Ps. 11:4); en toch is Hij door Zijn Geest overal aanwezig. Hij heeft een nauwkeurige kennis van, en een persoonlijke belangstelling in al de werken van Zijn hand. Ka 128 3 "Wie is als de Here, onze God Die zeer hoog woont, Die zeer laag neerziet in de hemel en op de aarde?" (Ps 113:5, 6) Ka 128 4 "Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht? Steeg ik op ten hemel -- Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde -- Gij zijt er; nam ik de vleugelen van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand mij geleiden, Uw rechterhand mij vastgrijpen." (Ps. 139:7-10) Ka 128 5 "Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten; Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd .... Gij omgeeft mij van achteren en van voren, Gij legt Uw hand op mij. Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij. (Ps. 139:2-6) "Een Vader voor u" Ka 129 1 De Maker van alle dingen verordende het zo, dat op wonderbaarlijke wijze de middelen zich aan het doel, de voorziening zich aan de behoefte aanpassen. Hij trof in de stoffelijke wereld voorziening dat aan elk ingeplant verlangen werd beantwoord. Hij schiep de menselijke ziel, in staat om te kennen en lief te hebben. En het ligt ook niet in Zijn aard om wat de ziel vraagt, onbevredigd te laten. Geen ontastbaar beginsel, geen onpersoonlijke geest kan bevrediging schenken aan de noden en verlangens der mensen in dit leven waarin geworsteld wordt met zonden en smarten en moeiten. Het is niet genoeg, te geloven in wet en kracht, in dingen die geen medelijden kennen en die nooit de roep om hulp horen. Wij moeten weten dat er een almachtige arm is die ons ondersteunt, een eeuwige Vriend die medelijden met ons heeft. We moeten vertrouwen op een vriendelijke, hulpvaardige hand, op een hart vol tederheid. En precies zó heeft God zich in Zijn Woord geopenbaard. Verborgenheden in de natuur Ka 129 2 Wie het diepst dóórdringt in de verborgenheden der natuur, zal het meest zijn eigen onwetendheid en zwakheid gaan beseffen. Hij zal gaan inzien dat er diepten en hoogten zijn die hij niet kan bereiken, geheimenissen die hij niet kan doorvorsen, uitgestrekte velden der waarheid die nog onbetreden voor hem liggen. Met Newton zal hij zeggen: "Ik kom mijzelf voor als een kind op het strand der zee, dat kiezelsteentjes en schelpen vindt, terwijl de grote oceaan der waarheid onontdekt voor mij ligt." "Door het geloof verstaan wij" Ka 129 3 Zij die het diepst in de wetenschap dóórdringen, moeten de werking van een oneindige kracht in de natuur erkennen. Wordt het verstand van de mens niet geholpen, dan is de leer der natuur voor hem slechts tegenstrijdig en teleurstellend. Alleen in het licht van de openbaring kan men die leer verstaan. "Door het geloof verstaan wij." Hebr. 11:3. Ka 130 1 "In den beginne schiep God." Gen. 1: 1. Hier alleen kan het verstand in zijn ijverig navorsen, evenals de duif die terugvloog naar de ark, rust vinden. Overal, aan alle kanten, is er de oneindige Liefde Die alle dingen uitwerkt om "het welbehagen van Zijn goedheid" te vervullen. 2 Thess. 1:11. Ka 130 2 "Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit Zijn werken met het verstand doorzien." Rom. 1:20. De goddelijke Leraar Ka 130 3 Maar hun getuigenis kan alleen worden verstaan met de hulp van de goddelijke Leraar. "Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is dan des mensen eigen geest die in hem is? Zo weet ook niemand wat in God is dan de Geest Gods." 1 Cor. 2:11. Ka 130 4 "Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid." Joh. 16: 13. Alleen met de hulp van die Geest die in den beginne "zweefde over de wateren;" van dat Woord, waardoor "alle dingen zijn geworden;" van dat "waarachtige Licht dat iedere mens verlicht, komende in de wereld," kan het getuigenis van de wetenschap in de rechte zin worden uitgelegd. Alleen door hun leiding kunnen haar diepste waarheden onderscheiden worden. Ka 130 5 Alleen onder de leiding van de Alwetende, zullen wij, bij het bestuderen van Zijn werken, in staat gesteld worden Zijn gedachten te doorvorsen. ------------------------Hoofdstuk 15--Beginselen en methoden in het zakenleven Ka 131 0 "Wie in oprechtheid wandelt, gaat veilig." Het handboek van de zakenman Ka 131 1 Er is geen onderdeel in het zakenleven, waarvoor de Bijbel niet een wezenlijke voorbereiding verschaft. Zijn beginselen van vlijt, eerlijkheid, spaarzaamheid, matigheid en reinheid, zijn het geheim van het ware succes. Deze beginselen, zoals ze naar voren komen in het Boek der Spreuken, vormen een schat van praktische wijsheid. Waar kan de koopman, de handwerksman, de directeur van een grote onderneming betere stelregels voor zichzelf en voor zijn ondergeschikten vinden, dan in deze woorden van de wijze man: Stelregels voor elke dag Ka 131 2 "Ziet gij een man, vaardig in zijn werk? hij zal ten dienste van koningen gesteld worden; ten dienste van onaanzienlijken wordt hij niet gesteld." Ka 131 3 "In alle moeitevolle arbeid zal voordeel zijn, maar het gepraat der lippen leidt enkel tot gebrek" (Spr. 22 :29; 14 :23). Ka 131 4 "De ziel van de luiaard is begerig, maar tevergeefs". "Een drinker en een doorbrenger verarmen, en slaperigheid doet vodden dragen" (Spr. 13:4; 23:21). Ka 131 5 "Wie als lasteraar rondgaat, openbaart geheimen; laat u dus niet in met een loslippige" (Spr. 20: 19). Ka 131 6 "De verstandige houdt zijn woorden in"; maar "elke dwaas barst los" (Spr. 17:27; 20:3). Ka 131 7 "Kom niet op het pad der goddelozen"; "zal iemand op gloeiende kolen lopen, zonder dat zijn voeten verbranden?" (Spr. 4: 14; 6 : 28). "Wie met wijzen omgaat, wordt wijs." Ka 131 8 "Een man die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden" (Spr. 13 :20; 18:24 Statenvert.). Ka 131 9 De totale som van onze verplichting tegenover elkander ligt opgesloten in dat woord van Christus: "Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus" (Matth. 7 :12). Financiële beveiliging Ka 132 1 Hoevelen zouden bankroet en financiële ondergang hebben kunnen voorkomen, indien zij acht hadden geslagen op de waarschuwingen, zo vaak en nadrukkelijk in de Schriften herhaald: Ka 132 2 "Wie naar rijkdom jaagt, blijft niet ongestraft" (Spr. 28:20). Ka 132 3 "Een vermogen uit niets verkregen, slinkt weg; maar wie met eigen hand vergadert, wordt rijk" (Spr. 13 : 11). Ka 132 4 "Schatten verwerven met een bedriegelijke tong is een verwaaiende nevel, dodelijke valstrikken." Ka 132 5 "De man die leent, is een knecht van de uitlener." Ka 132 6 "Slecht vergaat het hem die borg is voor een vreemde, maar wie de handslag vermijdt, gaat veilig" (Spr.21:6; 22:7; 11:15). "Verleg de aloude grenzen niet en kom niet op de akker der wezen, want hun Losser is sterk; Hij zal hun rechtsgeding tegen u voeren". "Die de arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en de rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek". "Die een kuil graaft, zal erin vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren" (Spr. 23 : 10, 11; 22 : 16; 26 : 27). Een basis van vertrouwen Ka 132 7 Dit zijn beginselen waarvan, zowel in wereldlijke als godsdienstige kringen, het welvaren der samenleving afhangt. Juist deze beginselen verlenen zekerheid aan eigendom en leven. Alles wat vertrouwen wekt en samenwerking mogelijk maakt, is de wereld verschuldigd aan de wet van God, zoals die geschreven staat in Zijn Woord, en die nog wel vaag, en bijna uitgewist, te vinden is in de harten der mensen. Goed kapitaal Ka 132 8 De woorden van de Psalmist: "De wet van Uw mond is mij beter dan duizenden stukken goud en zilver" (Ps. 119:72), bevestigen dat dit niet enkel waar is, wanneer men het beziet uit een godsdienstig oogpunt. Zij verkondigen een absolute waarheid die alom in de zakenwereld wordt erkend. Zelfs in deze tijd, waarin zo hartstochtelijk naar geld wordt gejaagd, met zijn scherpe concurrentie en twijfelachtige methoden, wordt het alom erkend dat voor een jonge man die het leven ingaat, onkreukbaarheid, vlijt, matigheid, reinheid en spaarzaamheid een beter kapitaal vormen dan een kapitaal aan geld. Rentmeesterschap Ka 133 1 Maar zelfs onder hen die de waarde van deze goede eigenschappen erkennen en weten dat ze hun oorsprong in de Bijbel hebben, zijn er maar weinigen die het beginsel inzien waarop ze berusten. Ka 133 2 Wat aan onkreukbaarheid in het zakenleven en aan waar succes ten grondslag ligt, is de erkenning van Gods eigendomsrecht. Hij, Die de Schepper is van alle dingen, is de oorspronkelijke eigenaar. Wij zijn Zijn rentmeesters. Alles wat wij hebben is ons door Hem toevertrouwd om naar Zijn aanwijzingen te gebruiken. Ka 133 3 Dit is een verplichting die rust op elk menselijk wezen. Dat heeft te maken met het hele gebied der menselijke werkzaamheid. Of we dat nu wel of niet erkennen, we zijn toch rentmeesters, door God voorzien van vermogens en talenten en in de wereld geplaatst om een door Hem aangewezen werk te doen. Ka 133 4 Aan een iegelijk mens is "zijn werk" (Marc. 13:34) gegeven -- het werk waartoe zijn vermogens toereikend zijn -- het werk dat tot zijn eigen bestwil en dat van zijn medemensen dient en dat tot de grootste eer van God strekt. "Maakt u niet bezorgd" Ka 133 5 Aldus is ons werk of onze roeping een deel van Gods verheven plan, en, zolang dat gedaan wordt in overeenstemming met Zijn wil, is Hijzelf verantwoordelijk voor de resultaten. Als "Gods medearbeiders" (1 Cor. 3:9) is het onze taak Zijn aanwijzingen trouw op te volgen. Dan is er helemaal geen reden om ons bezorgd te maken. Vlijt, trouw, zorg, spaarzaamheid en overleg worden verlangd. Ieder talent moet tot zijn uiterste vermogen worden aangewend. We moeten echter niet vertrouwen op de succesvolle resultaten van onze inspanning, maar op de beloften Gods. Het woord, dat Israël voedde in de woestijn, dat Elia in het leven hield in de tijd van hongersnood, bezit vandaag de dag dezelfde kracht. "Maakt u dus niet bezorgd, zeggende: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken?.... Zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden" (Matth. 6 : 31-33). Het betalen van tiende Ka 133 6 Hij Die de mensen kracht geeft welstand te verkrijgen, heeft aan deze gave een verplichting verbonden. Van alles wat wij verkrijgen, maakt Hij aanspraak op een bepaald gedeelte. De tiende is des Heren. "Alle tiende van het land, van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte", "alle tiende van runderen of klein vee ....is de Here heilig" (Lev. 27:30, 32). Ka 134 1 De gelofte die Jacob te Bethel deed, laat zien hoe ver die verplichting gaat. "Van alles wat Gij mij schenken zult," zei hij, "zal ik U stipt de tienden geven" (Gen. 28 :22). Ka 134 2 "Brengt de gehele tiende naar de voorraadkamer" (Mal. 3: 10), luidt het bevel van God. Er wordt geen beroep gedaan op dankbaarheid of vrijgevigheid. Dit is heel eenvoudig een kwestie van eerlijkheid. De tiende is des Heren, en Hij vraagt ons Hem terug te geven wat Hem toekomt. Ka 134 3 "Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken" (1 Cor. 4 : 2). Wanneer eerlijkheid een noodzakelijk beginsel is in het zakelijke leven, moeten wij dan niet onze verplichting tegenover God erkennen -- de verplichting die aan elke andere ten grondslag ligt? Het dienstwerk Ka 134 4 Door de voorwaarden van ons rentmeesterschap hebben we een verplichting op ons genomen, niet alleen tegenover God, maar tegenover de mens. Elk menselijk wezen heeft aan de oneindige liefde van de Verlosser de gaven des levens te danken. Voedsel, kleding, beschutting, lichaam en geest en ziel -- dat alles is gekocht door Zijn bloed. En door de daaruit voortvloeiende verplichting van dankbaarheid en van dienen, heeft Christus ons verbonden met onze medemensen. Hij gebiedt ons: "Dient elkander door de liefde" (Gal. 5 : 13). "In zoverre gij dit aan een van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan" (Matth. 25 :40). ,,Ik ben een schuldenaar" Ka 134 5 "Ik ben een schuldenaar," roept Paulus uit, "van Grieken en nietGrieken, van wijzen en onwetenden" (Rom. 1: 14). En dat zijn ook wij. Door alles wat ons leven boven dat van anderen gezegend heeft, zijn wij onder een verplichting geplaatst ten opzichte van elk menselijk wezen, dat we van dienst kunnen zijn. Ka 134 6 Deze waarheden zijn evengoed bestemd voor het kantoor als voor de huiskamer. De goederen die wij verhandelen zijn niet van ons en nooit kan men dit feit veilig uit het oog verliezen. We zijn slechts rentmeesters en van het kwijten van onze verplichting tegenover God en de mens, hangt zowel het welzijn van onze medemensen af, alsook ons eigen lot voor dit leven en voor het toekomende. Winst en verlies Ka 135 1 "Er zijn er die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden". "Werpt uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen". "De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt; wie laaft, wordt ook zelf gelaafd" (Spr. 11: 24; Pred. 11:1; Spr. 11: 25). Ka 135 2 "Tob u niet af voor rijkdom.... richt gij uw oog er op, hij is er niet meer; want plotseling maakt hij zich vleugels, als een arend vliegt hij ten hemel" (Spr. 23 : 4, 5). Ka 135 3 "Geeft en u zal gegeven worden; een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden" (Luc. 6 : 38). De voordeligste geldbelegging Ka 135 4 "Vereer de Here met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten; dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen" (Spr. 3 :9, 10). Ka 135 5 "Brengt de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in Mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. Dan zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet verderve, en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij... En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt" (Mal. 3 : 10-12). Ka 135 6 "Indien gij in Mijn inzettingen wandelt en Mijn geboden nauwgezet in acht neemt, dan zal Ik u te rechter tijd uw regens geven, zodat het land zijn opbrengst geeft en het geboomte des velds zijn vrucht draagt; de dorstijd zal bij u duren tot de wijnoogst en de wijnoogst tot de zaaitijd; gij zult uw brood eten tot verzadiging en veilig in uw land wonen. En Ik zal vrede in het land geven.... zonder dat iemand u opschrikt" (Lev. 26 : 3-6). Veiligheid der belegging Ka 136 1 "Tracht naar recht, houdt de geweldenaar in toom, doet recht aan de wees, verdedigt de rechtszaak der weduwe". "Welzalig is hij die acht slaat op de geringe; ten dage des onheils zal de Here hem uitkomst geven; de Here zal hem behoeden en hem in het leven behouden; hij zal geprezen worden op aarde; aan de lust van zijn vijanden geeft Gij hem niet prijs". "Wie zich over de arme ontfermt, leent de Here; Hij zal hem zijn weldaad vergelden" (Jes. 1: 17; Ps. 41: 2, 3; Spr. 19 : 17). Ka 136 2 Wie zijn geld zo belegt, vergaart zich een dubbele schat. Buiten dat, wat, hoe wijs ook besteed, hij ten slotte moet achterlaten, stapelt hij schatten op voor de eeuwigheid -- en wel die schat vanhet karakter, welke het waardevolste bezit is op aarde en in de hemel. Een levensverzekering Ka 136 3 "De Here kent de dagen der vromen, en hun erfdeel zal voor altoos bestaan; in boze tijd zullen zij niet beschaamd worden, in dagen van hongersnood zullen zij verzadigd worden" (Ps. 37 : 18,19). Ka 136 4 "Hij die onberispelijk wandelt, en doet wat recht is en waarheid spreekt in zijn hart.... ; heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het niet"; "hij die gewin, door afpersing verkregen, versmaadt; die zijn handen weerhoudt om een geschenk aan te nemen.... en zijn ogen toesluit om het slechte niet aan te zien; die zal op hoogten wonen; zijn brood is gewis, zijn water verzekerd. Uw ogen zullen de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen; zij zullen een wijd uitgestrekt land zien" (Ps. 15 : 2-4; Jes. 33 :15-17). Ka 136 5 God heeft in Zijn Woord een beeld geschilderd van een voorspoedig man -- iemand wiens leven in de waarste zin des woords een succes was, een man die geëerd werd door hemel en aarde. Een succesvolle loopbaan Ka 136 6 Van zijn belevenissen zegt Job zelf: -- Ka 136 7 "Zoals ik was in de bloeitijd van mijn leven, Toen Gods vertrouwelijke omgang in mijn tent toefde; Toen de Almachtige nog met mij was, En mijn kinderen rondom mij waren.... Wanneer ik uitging naar de stadspoort, Mijn zetel deed plaatsen op het plein, Dan verborgen knapen zich als ze mij zagen, Hoogbejaarden verhieven zich en bleven staan, Vorsten staakten hun gesprek En legden de hand op hun mond De stem der edelen verstomde.... Ka 136 8 "Wanneer een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig, En wanneer een oog mij zag, gaf het goede getuigenis van mij; Want ik redde de ellendige, die om hulp riep, De wees, en hem die geen helper had. Ka 136 9 "De zegenwens van wie dreigde onder te gaan, kwam op mij, En het hart der weduwe deed ik jubelen. Met gerechtigheid bekleedde ik mij, En mijn recht bekleedde mij als mantel en hoofddoek. Tot ogen was ik voor de blinde En tot voeten voor de kreupele, Een vader was ik voor de armen, En het rechtsgeding van mij onbekenden onderzocht ik." Ka 137 1 "Geen vreemdeling overnachtte buiten, Mijn deuren deed ik open voor de reiziger." De kroon der ere Ka 137 2 "Men luisterde naar mij en wachtte af .... Verkoos ik hen te bezoeken, dan zat ik op de eerste plaats, Ik troonde bij de schare als een koning, als een die treurenden troost" (Job. 29 : 4-16; 31:32; 29 : 21-25). Ka 137 3 "De zegen des Heren, die maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan toe" (Spr. 10 : 22). "Rijkdom en eer zijn bij mij, duurzaam goed en gerechtigheid" (Spr. 8 : 18), zegt de Wijsheid. Een vruchteloos waagstuk Ka 137 4 De Bijbel toont ons ook de gevolgen wanneer we in onze handelwijze met God en met anderen van de rechte beginselen afwijken. Van hen, wie Hij Zijn gaven heeft toevertrouwd, maar die onverschillig staan tegenover Zijn eisen, zegt God: -- "Bedenkt wat u wedervaren is. Gij hebt veel gezaaid, maar weinig binnengehaald; gij hebt gegeten, maar zonder dat gij verzadigd werd; gij hebt gedronken, maar zonder dat gij voldaan werd; gij hebt u gekleed, maar zonder dat gij warm werd; en wie zich voor loon verhuurde, ontving zijn loon in een doorboorde buidel Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik er in". "Kwam men bij een hoop van twintig maten, dan waren er slechts tien; kwam men bij de wijnpers om vijftig maten uit de bak te scheppen, dan waren er slechts twintig". "Waarom dat? luidt het woord des Heren. Om Mijn huis dat verwoest ligt". "Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij. En dan zegt gij: waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing". "Daarom heeft de hemel over u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst" (Hag. 1:6-10; 2 : 17; 1:10; Mal. 3 : 8). Voorspoed die arm maakt Ka 138 1 "Daarom, omdat gij de geringe vertrapt ook al hebt gij huizen van gehouwen steen gebouwd, gij zult er niet in wonen, ook al hebt gij kostelijke wijngaarden geplant, gij zult er de wijn niet van drinken". "De Here zal over u de vloek, de verwarring en de bedreiging doen komen in alles wat gij onderneemt". "Uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd, terwijl gij het met eigen ogen ziet en de gehele dag naar hen smacht zonder iets te kunnen doen" (Amos 5: 11; Deut. 28 : 20, 32). Ka 138 2 "Wie zich rijkdom verwerft, maar op onrechtmatige wijze, zal die op de helft zijner dagen moeten achterlaten, en bij zijn einde zal hij een dwaas zijn" (Jer. 17 :11). Ka 138 3 De verslagen van elke zaak, de bijzonderheden van elke handels-overeenkomst, worden nauwkeurig nagegaan door onzichtbare controleurs, werktuigen van Hem Die Zich nooit inlaat met ongerechtigheid, nooit het kwade door de vingers ziet, en nooit het verkeerde verbloemt. Het nazien der verantwoording Ka 138 4 "Indien gij de onderdrukking des armen en de beroving des gerichts en der gerechtigheid ziet verwondert u niet over zulk een voornemen, want Die hoger is dan de hoge, neemt er acht op". "Geen donkerheid is er, noch diepe duisternis, waarin de bedrijvers van ongerechtigheid zich kunnen verbergen" (Pred. 5 : 7 statenvert.; Job 34:22). Ka 139 1 "Zij zetten een mond op tegen de hemel, en.... zeggen: Hoe zou God het weten? zou er ook wetenschap zijn bij de Allerhoogste?" "Dit hebt gij gedaan," zegt God, "en Ik heb gezwegen; gij beeldt u in dat Ik geheel en al ben als gij. Ik wil u berispen en het u onder het oog brengen" (Ps. 73 :9-11; 50 :21). Een nooit zwijgende getuige Ka 139 2 "Ik sloeg mijn ogen op, ik zag toe en ziet, een vliegende boekrol.... Dit is de vloek die uitgaat over het ganse land: volgens deze wordt ieder die steelt, van dit ogenblik af weggevaagd en volgens deze wordt ieder die vals zweert van dit ogenblik af weggevaagd. Ik heb die doen uitgaan, luidt het woord des Heren, en hij komt tot het huis van de dief, en tot het huis van hem die bij Mijn naam vals zweert, en hij overnacht in zijn huis en vernietigt het, zowel zijn houtwerk als zijn stenen" (Zach. 5:1-4). Ka 139 3 Elke boosdoener staat onder het oordeel van Gods wet. Hij kan op die stem geen acht slaan, hij mag proberen zich aan die waarschuwing te onttrekken, maar dat alles is tevergeefs; zij volgt hem, zij laat zich horen; zij neemt zijn vrede weg. Zij vervolgt hem tot het graf, al wordt op haar geen acht geslagen. In het oordeel getuigt zij tegen hem. Als met een niet te blussen vuur verteert ze ten slotte lichaam en ziel. Ka 139 4 "Wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden? Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?" (Marc. 8 : 36, 37). De vraag aller vragen Ka 139 5 Dat is een vraag die de aandacht eist van elke ouder, elke onderwijzer, elke scholier -- van elk menselijk wezen, jong of oud. Geen zakelijk plan en ook geen levensplan kan gezond of volmaakt zijn, dat enkel de korte jaren van dit leven omvat en voor de eindeloze toekomst geen voorzieningen treft. Laat men de jeugd leren om met de eeuwigheid rekening te houden. Laat men hun leren die beginselen te kiezen en zich dat bezit te verschaffen, welke van eeuwige duur zijn; voor zichzelf weg te leggen die "schat in de hemelen, die nooit opraakt, waar geen dief bij komt en geen mot ze schaadt"; zichzelf vrienden te maken "met behulp van de onrechtvaardige Mammon", opdat, wanneer deze uitvalt, die vrienden hen mogen ontvangen "in de eeuwige tenten" (Luc. 12 :33; 16:9). Ka 140 1 Allen die dit doen, treffen de best mogelijke voorbereiding voor het leven in deze wereld. Niemand kan zichzelf een schat in de hemel wegleggen, zonder te ervaren dat zijn leven op aarde daardoor wordt verrijkt en veredeld. Ka 140 2 "De godsvrucht is nuttig tot alles, daar zij een belofte inhoudt van leven, in heden en toekomst" (1 Tim. 4: 8). ------------------------Hoofdstuk 16--Bijbelse levensbeschrijvingen Ka 141 0 "Die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend hebben .... in zwakheid hebben zij kracht ontvangen." Een ware beschrijving Ka 141 1 Geen deel van de Bijbel heeft groter opvoedkundige waarde dan de levensbeschrijvingen die daarin voorkomen. Deze levensbeschrijvingen verschillen van alle anderen daarin, dat ze absoluut naar het leven geschilderd zijn. Voor een begrensd verstand is het onmogelijk, in alle dingen de handelingen van een ander in de rechte zin weer te geven. Alleen Hij Die het hart kent, Die de verborgen bronnen van beweegredenen en handeling onderscheidt, kan waarheidsgetrouw het karakter schetsen of een betrouwbaar beeld van een mensenleven geven. Alleen in Gods Woord vindt men dergelijke schilderingen. Ka 141 2 Geen waarheid leert de Bijbel duidelijker dan die, welke zegt dat wat we doen het resultaat is van wat we zijn. Grotendeels zijn de belevenissen van het leven de vrucht van onze persoonlijke gedachten en daden. Vergelding Ka 141 3 "Een ongegronde vloek treft geen doel" (Spr.26:2). Ka 141 4 "Zegt van de rechtvaardige dat het hem zal welgaan.... ; tot de goddeloze, dat het hem slecht zal gaan; want het werk zijner handen zal hem worden vergolden" (Jes. 3 :10,11). Ka 141 5 "Hoor, gij aarde, zie, Ik breng onheil over dit volk, de vrucht van hun eigen overleggingen" (Jer. 6 :19). Ka 141 6 Deze waarheid is verschrikkelijk en moet diep in ons dóórdringen. Elke daad heeft zijn reactie op de dader. Altijd zal een menselijk wezen in het kwaad dat een vloek is voor zijn leven, de vrucht van zijn eigen zaaien moeten zien. Nochtans zijn wij zelfs in deze toestand niet zonder hoop. Jacobs ervaring Ka 141 7 Om het geboorterecht te verkrijgen, dat hem reeds toekwam door Gods belofte, nam Jacob zijn toevlucht tot bedrog, en hij oogstte de vergelding in de haat van zijn broeder. Gedurende de twintig jaar van zijn ballingschap werd hijzelf verongelijkt en bedrogen, en ten slotte moest hij de veiligheid zoeken door te vluchten; en ten tweede male kreeg hij loon naar werken toen de gebreken van zijn eigen karakter te voorschijn kwamen bij zijn zonen, -- een maar al te waar beeld van de vergelding in het menselijke leven. Maar God zegt: "Ik zal niet altoos twisten noch voor eeuwig toornig zijn, anders zou de geest voor Mijn aangezicht bezwijken, terwijl Ik toch Zelf de levensadem heb gegeven. Om de ongerechtigheid zijner hebzucht was Ik toornig en sloeg het volk, terwijl Ik Mij in toom verborg, maar het wendde zich en ging zijn eigengekozen weg. Zijn wegen heb Ik gezien doch Ik zal het genezen, het leiden en het weer vertroosting schenken, namelijk aan de treurenden ervan Vrede, vrede voor hem die verre en voor hem die nabij is, zegt de Here; en Ik zal hem genezen" (Jes. 57 : 16-19). Winst door verlies Ka 142 1 Jacob ging in zijn wanhoop niet ten onder. Hij toonde berouw, hij had zijn best gedaan, het onrecht zijn broeder aangedaan, goed te maken. En toen hij door de gramschap van Ezau met de dood werd bedreigd, zocht hij hulp bij God. "Hij streed tegen een Engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem om genade". "En Hij zegende hem daar" (Hosea 12 :5; Gen. 32 :29). In de kracht van Zijn macht stond hij die vergeving ontvangen had, op, niet langer de onderkruiper maar een vorst des Heren. Hij was niet alleen bevrijd uit de handen van zijn vertoornde broeder, maar hij was ook bevrijd uit zijn eigen handen. De kracht van het kwaad in zijn eigen natuur was gebroken, zijn karakter had een verandering ondergaan. Ka 142 2 Toen de avond viel, was er licht. Toen Jacob een terugblik in zijn leven wierp, zag hij de steunende kracht Gods, -- "God Die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; de Engel die mij verlost heeft uit alle nood" (Gen. 48: 15, 16). Ka 142 3 Dezelfde ervaring is te zien in de geschiedenis van Jacobs zonen -- zonde die vergelding verkreeg en berouw dat vrucht der gerechtigheid ten leven voortbracht. Ka 142 4 God doet Zijn wetten niet teniet. Hij werkt niet lijnrecht daartegen in. Hij maakt het werk der zonde niet ongedaan. Maar Hij brengt een verandering teweeg. Door Zijn genade wordt de vloek ten zegen. De levieten Ka 143 1 Van de zonen van Jacob was Levi een van de wreedste en wraakzuchtigste, die de grootste schuld had aan de verraderlijke moord op de Sichemieten. De karaktereigenschappen van Levi, weerspiegeld in zijn nakomelingen, deden hun het besluit Gods deelachtig worden: "Ik zal hen verdelen onder Jacob en verstrooien onder Israël" (Gen. 49: 7). Maar berouw deed een hervorming ontstaan; en door hun trouw tegenover God temidden van de afval der andere stammen, werd de vloek veranderd in een teken van de allerhoogste eer. Een vloek die veranderd werd Ka 143 2 "Toen zonderde de Here de stam der Levieten af om de ark van het verbond des Heren te dragen, vóór de Here te staan om Hem te dienen en in Zijn Naam te zegenen". "Mijn verbond met hem was: leven en vrede; Ik heb ze hem gegeven tot godsvrucht, opdat hij Mij zou vrezen en voor Mijn Naam beven In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bracht hij van ongerechtigheid terug" (Deut. 10 : 8; Mal. 2 :5,6). Ka 143 3 De aangewezen dienaren van het heiligdom, de Levieten, kregen geen land als erfdeel; zij woonden bij elkander in steden, speciaal voor hen afgezonderd en werden onderhouden van de tienden en giften en offers, gewijd aan de dienst van God. Zij waren de leraars van het volk, gasten op al hun feesten, en overal geëerd als dienstknechten en vertegenwoordigers van God. Aan het hele volk was het bevel gegeven: "Neem u ervoor in acht, dat gij de Leviet niet aan zijn lot overlaat, zolang gij in uw land woont". "Levi heeft geen bezit of erfdeel met zijn broederen; de Here is zijn erfdeel" (Deut. 12:19; 10:9). Het verslag der verspieders Ka 143 4 De waarheid dat zoals iemand "zijn eigen plannen maakt, zo is hij" (Spr. 23:7), vindt nog een beeld in de ervaring van Israël. Aan de grenzen van Kanaän gaven de spionnen, teruggekeerd van het verspieden van het land, hun verslag. Men had de schoonheid en vruchtbaarheid van het land uit het oog verloren door de vrees over de moeilijkheden om het land in bezit te nemen. De steden met de hemelhoge muren, de krijgsknechten als reuzen, de ijzeren wagens, deden hun geloof versagen. Daar zij voor dit probleem God geen raad vroegen, vond de zienswijze van de ongelovige verspieders weerklank bij de grote massa, want zij riepen: "Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij" (Num. 13 : 31) Hun woorden bleken maar al te waar te zijn. Zij konden niet optrekken en hun leven lang bleven ze in de woestijn. Door geloof naar de overwinning Ka 144 1 Maar twee van de twaalf die het land bespied hadden, redeneerden anders. "Wij zullen het wel kunnen overmeesteren," (Num. 13 : 30) zo drongen zij aan, want zij achtten Gods belofte sterker dan reuzen, ommuurde steden en ijzeren wagens. Voor hen was wat zij zeiden, waar. Ka 144 2 Hoewel Kaleb en Jozua de veertig jaren met hun broeders in de woestijn hebben gedwaald, hebben zij toch het beloofde land betreden. Nog even moedig van hart als toen hij met de heerscharen des Heren uit Egypte trok, vroeg en ontving Kaleb als zijn aandeel de burcht der reuzen. In de kracht Gods verdreef hij de Kanaänieten. De wijngaarden en olijvengaarden, waar hij zijn voeten had neergezet, werden zijn bezit. Hoewel de lafhartigen en opstandigen in de woestijn omkwamen, aten de mannen des geloofs de druiven van Eskol. 'Wanneer één zonde gekoesterd wordt Ka 144 3 Geen waarheid plaatst de Bijbel in een helderder licht dan het gevaar van slechts een enkele afwijking van het recht -- een gevaar zowel voor de kwaaddoener als voor allen die onder zijn invloed komen. Van een voorbeeld gaat een sterke kracht uit, en wanneer het gaat om de boze neigingen van onze natuur, wordt het bijna onweerstaanbaar. De sterkste vesting van de ondeugd in onze wereld is niet het ongerechtige leven van de verworpen zondaar of de ontaarde uitgeworpene; het is dat leven dat naar buiten deugdzaam, eerbaar en nobel is, maar waarin één zonde wordt gekoesterd, aan één ondeugd wordt toegegeven. Voor de ziel die in het verborgene worstelt tegen een of andere sterke verzoeking, die bevende staat aan de rand van de afgrond, is zo'n voorbeeld één van de krachtigste verlokkingen tot zonde. Lokvogels van de verzoeker Ka 145 1 Hij die begaafd is met verheven begrippen ten aanzien van leven, en waarheid en eer, maar nochtans opzettelijk één gebod van Gods heilige wet overtreedt, heeft zijn edele gaven veranderd in een verlokking tot zonde. Aanleg, talent, sympathie, ja zelfs edelmoedige en vriendelijke daden kunnen aldus lokvogels van Satan worden om zielen te lokken naar de afgrond van de ondergang. Ka 145 2 Juist daarom heeft God zoveel voorbeelden gegeven die de resultaten van zelfs één enkele verkeerde daad laten zien. Vanaf het droeve verhaal van die ene zonde die de dood in de wereld met al onze ellende en het verlies van het Paradijs bracht, tot het verhaal van hem die voor dertig zilverlingen de Here der heerlijkheid verkocht, geeft de Bijbelse levensbeschrijving tal van voorbeelden, geplaatst als bakens ter waarschuwing bij de zijwegen, die afvoeren van de levensweg. Ka 145 3 Ook ligt er een waarschuwing opgesloten in het achtslaan op de gevolgen van het eenmaal toegeven aan menselijke zwakheid en dwaling, hetgeen de vrucht is van het loslaten van het geloof. Een enkel falen in het geloof Ka 145 4 Door één keer te falen in zijn geloof verkortte Elia zijn levenstaak. Zwaar was de last die hij getorst had ten bate van Israël, trouw had hij zijn waarschuwingen gericht tegen de nationale afgodendienst, en groot was zijn bekommernis toen hij in die drie en een half jaar van hongersnood wakende wachtte op een teken van berouw. Op de berg Karmel stond hij alleen voor God. Door de kracht van het geloof had de afgodendienst de nederlaag geleden en de gezegende regen getuigde van de stromen van zegen, wachtende om over Israël te worden uitgestort. Dan, in zijn vermoeidheid en zwakheid, vluchtte hij voor de bedreigingen van Izebel, en eenzaam in de woestijn bad hij om te sterven. Verlies voor Elia Ka 145 5 Zijn geloof had schipbreuk geleden. Het werk, door hem begonnen, zou hij niet afmaken. God gebood hem een ander als profeet in zijn plaats te zalven. Ka 146 1 Maar God had de trouwe dienst van Zijn knecht gadegeslagen. Elia zou niet omkomen in ontmoediging en in de eenzaamheid der woestijn. Hij zou niet in het graf neerdalen, maar met Gods engelen ten hemel varen naar Zijn heerlijkheid. Ka 146 2 Déze levensverhalen zeggen wat elk menselijk wezen op een dag zal verstaan -- dat de zonde enkel schaamte en verlies brengt; dat ongeloof gelijk staat met nederlaag; maar dat Gods genade reikt tot de diepste diepten; dat het geloof de berouwvolle ziel opricht om te verkeren onder hen die als kinderen Gods zijn aangenomen. Tucht Ka 146 3 Allen die in deze wereld God of de mens trouw dienen, ontvangen een voorbereidende opleiding in de school van het lijden. Hoe zwaarder de opdracht en hoe verhevener de dienst, des te ernstiger is de beproeving en des te strenger de tucht. Ka 146 4 Bestudeer maar eens de ervaringen van Jozef en van Mozes, van Daniël en David. Vergelijk de vroegste geschiedenis van David met de geschiedenis van Salomo en ga dan de resultaten na. David Ka 146 5 David was in zijn jeugd nauw verbonden met Saul en zijn verblijf aan het hof en zijn aanwezigheid te midden van 's konings hofhouding gaven hem een inzicht in de zorgen en smarten en verwikkelingen, verborgen onder de schittering en de praal van het koningschap. Hij zag van hoe weinig waarde menselijke heerlijkheid is om vrede aan de ziel te brengen. En opgelucht en blij keerde hij van het hof des konings terug naar de schaapskooien en de kudden. Toen David door de jaloersheid van Saul moest vluchten in de woestijn, moest hij, geheel afgesneden van menselijke hulp, meer op God vertrouwen. De onzekerheid en de onrust van het woestijnleven, het aanhoudende gevaar, de noodzaak om steeds te moeten vluchten, het karakter der mannen die zich bij hem voegden -- "ieder die in moeilijkheden verkeerde, ieder die een schuldeiser had, ieder die verbitterd was" (1 Sam. 22:2) -- dat alles maakte een harde zelftucht noodzakelijk. Opgeleid voor de troon Ka 147 1 Deze belevenissen verwekten en ontwikkelden een gave om met mensen om te gaan, met de verdrukten te sympathiseren en de ongerechtigheid te haten. In jaren van afwachting en gevaar leerde David in God zijn vertroosting, zijn kracht, zijn leven te vinden. Hij leerde dat hij alleen door Gods kracht tot de troon zou kunnen komen; alleen in Zijn wijsheid kon hij met wijsheid regeren. Het was alleen door de opleiding in de school van ontbering en lijden, dat van David, hoewel later bevlekt door zijn grote zonde, gezegd kon worden dat hij "recht en gerechtigheid handhaafde onder zijn gehele volk" (2 Sam. 8 : 15). Ka 147 2 De tucht van Davids jeugdervaringen ontbrak in die van Salomo. In omstandigheden, in karakter en in leven scheen hij begunstigd boven alle anderen. Edel in zijn jeugd, edel toen hij volwassen was, door God bemind, begon Salomo een regering die hoge beloften van voorspoed en eer inhield. Natiën verbaasden zich over de kennis en het inzicht van de man, aan wie God wijsheid had gegeven. Maar de hovaardij der voorspoed trok hem van God af. Van de vreugde der Goddelijke gemeenschap wendde Salomo zich af om bevrediging te vinden in zinnelijke genoegens. De hovaardij van de voorspoed Ka 147 3 Van deze belevenissen zegt hij: "Ik deed grote dingen: ik bouwde huizen, plantte wijngaarden, legde hoven en parken aan....; ik kocht slaven en slavinnen....; ik vergaderde mij ook zilver en goud, schatten van koningen en landschappen; ik verschafte mij zangers en zangeressen en dingen die de mensen bekoren, alle mogelijke genietingen. Zo werd ik groter en rijker dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren.... En niets dat mijn ogen wensten ontzegde ik ze, noch hield ik mijn hart van enige vreugde terug, ja, mijn hart verheugde zich over al mijn zwoegen.... Toen ik mij nu wendde tot alle werken die mijn handen hadden gewrocht, en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te volbrengen -- zie, alles was ijdelheid en najagen van wind en er is geen voordeel onder de zon. En ik wendde mij om wijsheid beneyens verdwaasdheid en onverstand in ogenschouw te nemen, immers, hoe staat de mens die de koning opvolgen zal, tegenover wat deze al gedaan heeft?" Onvoldaan Ka 148 1 "Daarom kreeg ik een afkeer van het leven.... ja, ik kreeg een afkeer van al mijn zwoegen, waarmee ik mij had afgetobd onder de zon" (Pred. 2 : 4-12, 17, 18). Ka 148 2 Door zijn eigen bittere ervaring leerde Salomo de leegheid van een leven dat in aardse dingen zijn hoogste goed zoekt. Hij richtte altaren voor heidense goden op, alleen om te leren hoe ijdel hun belofte ten aanzien der zielerust is. De late terugkeer Ka 148 3 In zijn latere jaren, toen hij zich vermoeid en dorstig afwendde van de aardse gebroken regenbakken, keerde Salomo terug om te drinken uit de bron des levens. De geschiedenis van zijn verspilde jaren, met hun lessen ter waarschuwing, stelde hij, door de Geest der inspiratie, te boek voor de na hem komende geslachten. En al werd dan het zaad van zijn zaaien door zijn volk vergaard in oogsten des kwaads, toch was het levenswerk van Salomo niet geheel verloren. Voor hem deed ten slotte de tucht van het lijden zijn werk. Maar wanneer Salomo in zijn jeugd de les had geleerd, die anderen in hun leven door lijden leerden, hoe schitterend zou dan, met zo'n dageraad, zijn levensdag geweest zijn! Gods getuigen Ka 148 4 Voor degenen die God liefhebben, degenen "die volgens Zijn voornemen geroepen zijn" (Rom. 8:28), heeft de Bijbelse levensbeschrijving nog een verhevener les in de leerschool van het lijden. "Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de Here, dat Ik God ben" (Jes. 43: 12 statenvert.) -- getuigen dat Hij goed is en dat goedheid boven alles gaat. "Wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen" (1 Cor. 4 : 9). Beschuldiging van Satan Ka 148 5 Onzelfzuchtigheid, het beginsel van Gods Koninkrijk, is het beginsel dat Satan haat; hij loochent het bestaan daarvan. Vanaf het begin van de grote strijd heeft hij geijverd, te bewijzen dat Gods daadwerkelijke beginselen zelfzuchtig waren, en op dezelfde wijze handelt hij met allen die God dienen. Het is het werk van Christus en van allen die Zijn naam dragen, deze bewering van Satan te weerleggen. Ka 151 1 Jezus kwam in de gestalte eens mensen om in Zijn eigen leven een beeld van onzelfzuchtigheid te geven. En allen die dit beginsel aannemen, moeten Zijn medearbeiders zijn om dit beginsel in de praktijk van het leven te laten zien. Ka 151 2 Het recht te verkiezen, omdat het recht is; voor de waarheid op te komen ten koste van lijden en offers -- "dit is het deel van de knechten des Heren en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord des Heren" (Jes. 54: 17). De beproeving van Job Ka 151 3 Zeer vroeg in de geschiedenis der wereld is het levensverhaal gegeven van iemand, tegen wie Satan deze strijd voerde. Ka 151 4 Over Job, de patriarch van Uz, luidde het getuigenis van de Doorzoeker des harten: "Niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad". Ka 151 5 Tegen deze man bracht Satan een boze beschuldiging in: "Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gijzelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut?.... Strek daarentegen Uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit"; "tast zijn gebeente en zijn vlees aan; of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen". Ka 151 6 De Here zei tot Satan: "al wat hij bezit, zij in uw macht". "Zie, hij zij in uw macht; alleen spaar zijn leven". Ka 151 7 Met deze toezegging vaagde Satan alles weg wat Job bezat -- schapen en runderen, knechten en dienstmaagden, zonen en dochteren; en hij "sloeg Job met boze zweren van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe" (Job 1: 8-12; 2 : 5-7). Verkeerd begrip van tegenspoed Ka 151 8 Maar aan zijn beker werd nog een ander element van bitterheid toegevoegd. Zijn vrienden die in tegenspoed slechts de vergelding van zonde zagen, maakten zijn zielelast nog zwaarder door hem van onrecht te beschuldigen. Ka 151 9 Ogenschijnlijk door hemel en aarde verlaten, zich nochtans vasthoudend aan zijn geloof in God en zijn onkreukbaar geweten, riep hij in angst en vertwijfeling uit: -- Ka 151 10 "Mijn ziel heeft een afschuw van het leven". "Och, of Gij mij in het dodenrijk wildet versteken, mij verbergen tot Uw toorn geweken was; Dat Gij mij een tijd steldet en dan weer aan mij dacht!" (Job 10 :1; 14: 13). Heeft God hem verlaten? Ka 152 1 "Zie, ik schreeuw: geweld! maar ik krijg geen antwoord; Ik roep om hulp, maar er is geen recht.... Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon van mijn hoofd weggenomen.... Mijn nabestaanden zijn weggebleven En mijn bekenden hebben mij vergeten.... Ontfermt u, ontfermt u mijner, gij mijn vrienden Want Gods hand heeft mij getroffen!" De zekerheid des geloofs Ka 152 2 "O, dat ik Hem wist te vinden, Dat ik tot Zijn woning mocht komen!.... Zie, ga ik naar het Oosten, Hij is er niet; En naar het Westen, ik bespeur Hem niet; Werkt Hij in het Noorden, ik aanschouw Hem niet; Keert Hij zich naar het Zuiden, ik zie Hem niet; Want Hij weet, hoe mijn wandel is; Toetste Hij mij, ik kwam als goud te voorschijn". "Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen". Ka 152 3 "Ik weet: mijn Losser leeft, En ten laatste zal Hij op het stof optreden; Nadat mijn huid aldus geschonden is, Zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, Dien ikzelf mij ten goede aanschouwen zal, Dien mijn ogen zullen zien en niet een vreemde". (Job 19 : 7-21; 23 :3-10; 13 :15; 19:25-27). Wat Job ontving Ka 152 4 Job geschiedde naar zijn geloof. "Toetste Hij mij," zegt Job, "ik kwam als goud te voorschijn" (Job 23 :10). En zo gebeurde het ook. Door zijn geduldig verdragen rechtvaardigde hij zijn eigen karakter en aldus het karakter van Hem, Wiens vertegenwoordiger hij was. Ka 153 1 En "de Here bracht een keer in het lot van Job.... en de Here gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had.... Zo zegende de Here het verdere leven van Job meer dan het vroegere" (Job 42 : 10-12). Ka 153 2 In het getuigenis van hen die door zelfverloochening gemeenschap met het lijden van Christus hebben gehad, staan de namen van Jonathan en Johannes de Doper -- de een in het Oude, de andere in het Nieuwe Testament. Een trouwe vriend Ka 153 3 Jonathan, door geboorte de erfgenaam van de troon, wist nochtans dat hij door de Goddelijke beschikking opzij was geschoven; maar voor zijn mededinger was hij de beste en trouwste vriend, want met gevaar van zijn eigen leven beschermde hij dat van David. Hij schaarde zich aan de kant van zijn vader gedurende de donkere dagen van zijn ondergaande macht en viel dan ook op het laatst aan zijn zijde; zo wordt de naam van Jonathan als een schat in de hemel bewaard, terwijl deze op aarde getuigt van het bestaan en de kracht van een onbaatzuchtige liefde. De standvastige getuige Ka 153 4 Bij zijn optreden als de voorloper van de Messias, bracht Johannes de Doper het volk in beroering. Van plaats tot plaats werd hij gevolgd door grote mensenmenigten uit alle klassen en standen. Maar toen Degene kwam, van Wie hij had getuigd, veranderde alles. De menigten volgden Jezus en het werk van Johannes scheen ten einde te lopen. Maar zijn geloof bleef onwrikbaar. "Hij moet wassen," zei hij, "ik moet minder worden" (Joh. 3 :30). Ka 153 5 De tijd ging voorbij en het koninkrijk dat Johannes in alle zekerheid verwachtte, was nog niet opgericht. In de gevangenis van Herodes, afgesneden van de leven-gevende lucht en de vrijheid der woestijn, wachtte hij en zag uit. Ka 153 6 Wapengekletter werd niet gehoord en de gevangenisdeuren werden niet opengerukt; maar het genezen van de zieken, de prediking van het evangelie, de oprichting van mensenzielen getuigden van het werk van Christus. Gemeenschap door lijden Ka 153 7 Alleen in de eenzaamheid van de cel, terwijl hij zag, waarheen zijn weg, evenals die van zijn Meester voerde, aanvaardde Johannes wat hem werd opgelegd -- gemeenschap met Christus in het lijden. Gezanten van de hemel brachten hem naar het graf. De gevallen en niet-gevallen wezens van het heelal hadden gezien hoe zijn leven getuigenis had gedragen van een onbaatzuchtig dienen. "Er is niemand opgestaan die groter was" Ka 154 1 En in alle geslachten die sindsdien zijn voorbijgegaan, werden lijdende zielen geschraagd door het getuigenis van het leven van Johannes. In de gevangenis, op het schavot, op de brandstapel werden tijdens de duistere eeuwen mannen en vrouwen gesterkt door de herinnering aan hem van wie Jezus heeft gezegd: "Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper" (Matth. 11:11). "Door het geloof" Ka 154 2 "En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta.... en Samuël en de profeten die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der beloften verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen. Ka 154 3 "Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terug ontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. Anderen weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap; zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling -- de wereld was hunner niet waardig -- zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde. Ka 154 4 "Ook dezen allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen" (Hebr. 11: 32-40). ------------------------Hoofdstuk 17--Dichtkunst en lied Ka 155 0 "Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel in het huis van mijn vreemdelingschap." De dichtkunst in de Bijbel Ka 155 1 De vroegste, als ook de prachtigste poëtische vertolkingen, de mens bekend, worden gevonden in de Schriften. Vóór nog de oudste dichters der wereld hadden gezongen, had de herder van Midian reeds deze woorden van God tot Job te boek gesteld -- in hun majesteit niet geëvenaard, noch benaderd door de verhevenste voortbrengselen van de menselijke geest: -- Het eerste gedicht Ka 155 2 "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte?.... Wie heeft de zee met deuren afgesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam? Toen Ik wolken maakte tot haar kleed En duisternis tot haar windselen; Toen Ik de door Mij gestelde grens uitbrak, Grendel en deuren aanbracht; Toen Ik sprak: Tot hiertoe en niet verder zult gij komen, Hier zal de trots uwer golven blijven staan. Ka 155 3 "Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats aangewezen?.... Ka 155 4 "Zijt gij doorgedrongen tot de bronnen der zee, En hebt gij door de geheimenissen van de waterdiepte gewandeld? Ka 155 5 Zijn de poorten des doods voor u onthuld, En hebt gij de poorten der diepe duisternis aanschouwd? Reikt uw begrip zo ver als de breedte der aarde? Vertel het, indien gij dit alles weet. Ka 155 6 "Waar is de weg naar de woning van het licht, En de duisternis, waar is haar verblijf? .... Ka 156 1 "Zijt gij doorgedrongen tot de schatkamers van de sneeuw? En hebt gij de schatkamers van de hagel gezien?.... Waar is de weg naar de plaats waar het licht zich verdeelt, Vanwaar de oostenwind zich verbreidt over de aarde? Wie heeft voor de stortvloed een geul gegraven, En een weg voor de bliksemschichten, Om regen te geven op het onbewoonde land, op de steppe waar geen mens is; om woestijn en woestenij te verzadigen En de spruiten van het jonge groen te doen ontluiken?" Ka 156 2 "Kunt gij de banden der Pleiaden binden of de boeien van de Orion slaken? Doet gij de tekens van de Dierenriem te rechter tijd opgaan, En bestuurt gij de Beer met zijn jongen?" (Job 38: 4-27, 31, 32). Uit het Hooglied Ka 156 3 Vanwege de schoonheid van uitdrukking moet men ook de beschrijving van de lentetijd lezen, voorkomende in het "Hooglied". Ka 156 4 "Want zie, de winter is voorbij, De regen is over, verdwenen. De bloemen vertonen zich op het veld, De zangtijd is aangebroken, En 't gekir van de tortel wordt gehoord in ons land; De vijgeboom laat zijn vroege vrucht zwellen, En de wijnstokken in bloei geven geur. Sta op, kom, mijn liefste, Mijn schone, kom" (Hooglied 2 : 11-13). Ka 156 5 En niet minder in schoonheid is Bileam's ongewilde profetie, aangaande de zegen over Israël: -- Een oude profetie Ka 156 6 "Uit Aram voerde mij Balak, Moabs koning, uit de bergen van het Oosten: Kom, vervloek mij Jakob, En kom, verwens mij Israël. Ka 157 1 Hoe zal ik vervloeken die God niet vervloekt? Hoe zal ik verwensen, die de Here niet verwenst! Want van der rotsen top zie ik hem, Van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, een volk dat alleen woont, En onder de natiën zich niet rekent.... Ka 157 2 "Zie, ik heb bevel ontvangen te zegenen. En zegent Hij, dan keer ik het niet. Men schouwt geen onheil in Jakob, En ziet geen rampspoed in Israël. De Here, zijn God is met hem, En gejubel over de Koning is bij hem.... Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob, Noch waarzeggerij tegen Israël. Thans worde gezegd van Jakob en van Israël Wat God doet". Het visioen van de Almachtige Ka 157 3 "De spreuk van hem die de woorden Gods hoort, Die het gezicht des Almachtigen schouwt.... Hoe goed zijn uw tenten, o Jakob, Uw woningen, o Israël! Als valleien breiden zij zich uit, Als tuinen aan een rivier, Als aloë's die de Here plantte, Als cederen aan het water". Ka 157 4 "De spreuk van hem die de woorden Gods hoort, En die de wetenschap des Allerhoogsten kent:.... Ik zie hem, maar niet nu; Ik schouw hem, maar niet van nabij; Een ster gaat op uit Jakob, Een schepter rijst op uit Israël.... En hij zal heersen uit Jakob" (Num. 23 : 7-23; 24:4-6; 16-19). Het heilige lied Ka 157 5 De lofzang is de atmosfeer des hemels, en wanneer de hemel in aanraking komt met de aarde, is er muziek en zang -- "loflied en geklank van gezang" (Jes. 51:3). Ka 158 1 Boven de nieuw geschapen aarde, toen ze daar lag, schoon en onbevlekt, onder de glimlach van God, "juichten de morgensterren tezamen en jubelden al de zonen Gods" (Job 38:7). Zo hebben menselijke harten, in harmonie met de hemel, Gods goedheid beantwoord in lofzangen. Vele gebeurtenissen uit de geschiedenis der mensheid zijn in liederen bewaard gebleven. Bij de Rode Zee Ka 158 2 Het eerste in de Bijbel vermelde lied van de lippen van mensen was die glorievolle uiting van dank door de heirlegers van Israël bij de Rode Zee: -- Ka 158 3 "Ik wil de Here zingen, want Hij is hoog verheven, Het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee. De Here is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, De God mijns vaders, Hem prijs ik". Ka 158 4 "Uw rechterhand, Here, heerlijk door kracht; Uw rechterhand, Here, verpletterde de vijand.... Wie is als Gij, onder de goden, Here, Wie is als Gij, heerlijk in heiligheid, Vreselijk in Uw roemrijke daden?" Ka 158 5 "De Here regeert voor altoos en eeuwig.... Zingt de Here, want Hij is hoog verheven" (Ex. 15:1, 2, 6-11, 18-21). Ka 158 6 Groot zijn de zegeningen geweest, die mensen ontvingen in antwoord op hun lofzangen. De enkele woorden, welke een ervaring van Israël tijdens de woestijnreis vermelden, bevatten een les die onze aandacht waard is: Ontsloten door gezang Ka 158 7 "Vandaar ging het naar Beër. Dit is de bron, waarvan de Here tot Mozes gezegd had: Vergader het volk, dan zal Ik hun water geven" (Num. 21:16). Toen heeft Israël dit lied gezongen: -- Ka 159 1 "Wel op, gij bron; zingt haar in beurtzang toe; De bron die vorsten groeven, Die edelen des volks boorden met de schepter, met hun staven" (Num. 21:17, 18). Ka 159 2 Hoe vaak heeft in het geestelijke beleven deze geschiedenis zich herhaald! hoe vaak zijn door woorden van het heilige lied in de ziel de bronnen van berouw en geloof, van hoop en liefde en blijdschap ontsloten! Met lofzangen Ka 159 3 Het was met lofzangen dat de legers van Israël optrokken naar de grote overwinning onder Josafat. Josafat had bericht ontvangen van een dreigende oorlog. Ka 159 4 "Een grote menigte is tegen u opgetrokken", zo luidde de boodschap, "de Moabieten, de Ammonieten en met hen een deel van de Meünieten". "Toen werd Josafat bevreesd en besloot de Here te raadplegen; hij riep voor geheel Juda een vasten uit, en Juda kwam bijeen om hulp te zoeken bij de Here". En Josafat, staande in de voorhof des tempels vóór zijn volk, stortte zijn ziel uit in het gebed en pleitte op Gods belofte, terwijl hij verwees naar Israëls hulpeloosheid. "Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt," zei hij, "en wij weten niet wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd" (2 Kron. 20: 2, 1, 3, 4, 12). ,,Het is geen strijd van u" Ka 159 5 Toen kwam op Jahaziël, een Leviet, "de geest des Heren en hij zei: Luistert, geheel Juda en inwoners van Jeruzalem en koning Josafat! Zo zegt de Here tot u: weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt voor deze grote menigte, want het is geen strijd van u, maar van God.... Niet gij zult hierbij behoeven te strijden; stelt u op, blijft staan, dan zult gij zien dat de Here u de overwinning geeft.... weest niet bevreesd, wordt niet verschrikt; morgen moet gij tegen hen uittrekken, de Here is met u" (2 Kron. 20: 14-17). Ka 160 1 "De volgende morgen vroeg trokken zij uit naar de woestijn van Tekoa" (2 Kron. 20:20). Vóór het leger uit gingen de zangers, die hun stemmen verhieven in een lofzang tot God -- Hem lovende voor de beloofde overwinning. Ka 160 2 Op de vierde dag daarna keerde het leger, de buit van hun vijanden met zich mee voerende, naar Jeruzalem terug, terwijl zij opnieuw in hun lofzangen de Here loofden voor de behaalde overwinning. Door het lied hield David temidden van de veranderingen van zijn wisselvallig leven gemeenschap met de hemel. Hoe heerlijk zijn zijn ervaringen als herdersjongen, weergegeven in de woorden: De herderspsalm Ka 160 3 "De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren -- Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, Ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij" (Ps. 23:1-4). In de schaduw van Uw vleugelen Ka 160 4 Op zijn mannelijke leeftijd was hij een opgejaagde vluchteling die een schuilplaats zocht in de rotsen en holen der woeste plaatsen, nochtans schreef hij: -- Ka 160 5 "O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees smacht naar U, in een dor en dorstig land zonder water.... Want Gij zijt mij een hulp geweest, In de schaduw van Uw vleugelen jubel ik". Ka 160 6 "Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, En wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God". Ka 160 7 "De Here is mijn licht en mijn heil, voor wien zou ik vrezen? De Here is mijns levens veste, voor wien zou ik vervaard zijn?" (Ps. 63 : 2-8; 42 : 12; 27:1). Ka 161 1 Hetzelfde vertrouwen weerspiegelt zich in de woorden, geschreven toen David, als onttroont koning zonder kroon, uit Jeruzalem moest vluchten vanwege Absalom's opstand. Ellendig en vermoeid van zijn vlucht had hij met zijn gezellen enkele uren rust aan de oever van de Jordaan gezocht. Toen hij ontwaakte zag hij zich genoodzaakt opnieuw zijn heil in de vlucht te zoeken. In de duisternis moesten allen die bij hem waren, mannen, vrouwen en kleine kinderen, de diepe, snelstromende rivier doorwaden, want vlak achter hen waren de legerscharen van de verraderlijke zoon. Zangen in de nacht Ka 161 2 In dat uur van de donkerste beproeving, zong David: -- Ka 161 3 "Als ik luide roep tot de Here, Antwoordt Hij mij van Zijn heilige berg. Ka 161 4 "Ik legde mij neder en sliep, Ik ontwaakte, want de Here schraagt mij. Ik vrees niet voor tienduizenden van mijn volk Die zich rondom tegen mij stellen" (Ps. 3 : 5-7). Ka 161 5 Na zijn grote zonde, toen hij zichzelf vol angst verweet en verafschuwde, keerde hij nochtans tot God terug als zijn beste vriend: Ka 161 6 "Wees mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid; Delg mijn overtredingen uit naar Uw grote barmhartigheid.... Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, Was mij, dan ben ik witter dan sneeuw" (Ps. 51:3-9). Verlangens naar Huis Ka 161 7 Tijdens zijn lang leven vond David op aarde geen rustplaats. "Wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht," zei hij, "gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop" (1 Kron. 29 : 15). Ka 161 8 "God is ons een toevlucht en sterkte, Ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde, Al wankelden de bergen in het hart van de zee". "Een rivier -- haar stromen verheugen de stad Gods, De heiligste onder de woningen des Allerhoogsten. God is in haar midden, zij zal niet wankelen. God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.... De Here der heerscharen is met ons, Een burcht is ons de God van Jakob". Ka 161 9 "Waarlijk, zo is God, onze God voor eeuwig en altoos; Tot de dood toe zal Hij ons leiden" (Ps. 46 : 2, 3, 5-9; 48 :15). Ka 162 1 Tijdens Zijn leven op aarde weerstond Jezus verzoeking met een lied. Vaak wanneer scherpe stekelige woorden werden gesproken, vaak wanneer rond Hem heen de atmosfeer geladen was van moedeloosheid, van ontevredenheid, wantrouwen of onderdrukte vrees, werd Zijn lied van geloof en heilige blijmoedigheid gehoord. Het lied van de Heiland Ka 162 2 Op die laatste droeve avond van het Paasmaal, toen Hij weldra verraden en gedood zou worden, verhief Hij Zijn stem in de Psalm: Ka 162 3 "De Naam des Heren zij geprezen, Van nu aan tot in eeuwigheid. Van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, Zij de Naam des Heren geloofd". Ka 162 4 "Ik heb de Here lief, Want Hij hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij heeft Zijn oor tot mij geneigd, Daarom zal ik mijn leven lang tot Hem roepen. Ka 163 1 "Banden van de dood hadden mij omvangen, Angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen, Ik ondervond benauwdheid en smart. Maar ik riep de Naam des Heren aan: Ach Here, red mijn leven. Genadig is de Here en rechtvaardig, Onze God is een ontfermer. "De Here bewaart de eenvoudigen; Ik was verzwakt, maar Hij heeft mij verlost. Keer weder, mijn ziel, tot uw rust, Omdat de Here u heeft welgedaan. Want Gij hebt mijn leven van de dood gered, Mijn oog van tranen, mijn voet van aanstoot" (Ps. 113: 2, 3; 116: 1-8). Tijdens de laatste crisis Ka 163 2 Temidden van de zwartste schaduwen van de laatste grote crisis op aarde, zal Gods licht op zijn helderst schijnen en het lied van hoop en vertrouwen zal gehoord worden in de meest klare en verheven woorden. Ka 163 3 "Te dien dage zal in het land Judea dit lied gezongen worden: Ka 163 4 "Wij hebben een sterke stad; Hij stelt heil tot muren en voorwal. Opent de poorten, Opdat een rechtvaardig volk binnenga dat zijn trouw bewaart. Standvastige zin bewaart Gij in volkomen vrede, Omdat men op U vertrouwt. Vertrouwt op de Here voor immer, Want de Here, Here is een eeuwige rots" (Jes. 26: 1-4). ,,Met gejubel in Sion" Ka 163 5 "De vrijgekochten des Heren zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer en zuchten zullen wegvlieden" (Jes. 35 : 10). Ka 163 6 "Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des Heren en hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten" (Jer. 31:12). De macht van het lied Ka 163 7 De geschiedenis van de liederen in de Bijbel is vol aanwijzingen over de toepassing en de zegeningen van muziek en zang. Vaak staat muziek op een laag peil om verkeerde doeleinden te dienen en dan wordt het een van de meest verleidelijke middelen der verzoeking. Maar op de juiste wijze gebruikt, is het een kostbare gave Gods met de bedoeling de gedachten op te voeren naar verheven, nobele onderwerpen en de ziel te inspireren en te verheffen. Ka 164 1 Zoals de kinderen Israëls op hun tochten door de woestijn hun weg opmonterden door de muziek van het heilige lied, zo gebiedt God Zijn kinderen van deze tijd eveneens door gezang blijdschap op hun pelgrimsreis te brengen. Er zijn weinig middelen die krachtiger zijn om Zijn woorden in het geheugen te prenten dan ze te herhalen in het lied. En zo'n lied bezit een wonderbaarlijke kracht. Het bezit de kracht om ruwe, ongecultiveerde naturen te overwinnen; kracht om de gedachten te verkwikken en sympathie te verwekken, harmonische samenwerking te bevorderen en duisternis en sombere voorgevoelens die de moed vernietigen en de inspanning verzwakken, te verdrijven. Een opvoedingsmiddel Ka 164 2 Het is een van de doeltreffendste middelen om geestelijke waarheden in het hart te planten. Hoe vaak gebeurt het niet, wanneer de overbelaste ziel bijna bezwijkt, dat enkele woorden Gods in de gedachte komen -- bijvoorbeeld een lang vergeten liedje uit de kindertijd -- waardoor de verzoekingen hun kracht verliezen, het leven weer een andere betekenis en nieuwe doelstellingen krijgt, waardoor men aan andere zielen weer moed en blijdschap kan verschaffen! Ka 164 3 De waarde van het lied als opvoedingsmiddel moet men nooit uit het oog verliezen. Laat men zich in het gezin toeleggen op het zingen van liederen, waardoor een prettige, zuivere atmosfeer wordt geschapen, dan zal er minder kritiek en meer opgewektheid en hoop en blijdschap zijn. Laat ook op school het lied weerklinken, dan zullen de leerlingen dichter tot God, tot hun onderwijzers en tot elkaar komen te staan. Ka 164 4 Als onderdeel van de kerkdienst is het zingen even goed een daad van aanbidding als het gebed; ja, menig lied is een gebed. Wanneer het kind wordt geleerd om dit te erkennen, zal het meer nadenken over de betekenis van de woorden die het zingt en ontvankelijker zijn voor de kracht die daarvan uitgaat. Het lied der engelen Ka 165 1 Wanneer onze Verlosser ons leidt naar de drempel van de Oneindige, overgoten met de heerlijkheid van God, zullen we de onderwerpen van lofzang en dankzegging van het hemelse koor rondom de troon in ons op kunnen nemen; en wanneer de echo van het lied der engelen weerklinkt in onze woningen hier op aarde, zullen harten nauwer verbonden raken met de hemelse zangers. De gemeenschap met de hemel begint hier op aarde. Hier leren wij de grondtoon van haar lofzangen. ------------------------Hoofdstuk 18--Verborgenheden van de Bijbel Ka 166 0 "Kunt gij de geheimen Gods doorgronden?" Kunt gij God doorgronden? Ka 166 1 Geen begrensd verstand kan het karakter of de werken van de Oneindige ten volle begrijpen. Wij kunnen God niet doorgronden. Voor de sterkste en meest begaafde geesten evenals voor de zwakste en onwetendste, moet dat heilige Wezen gehuld blijven in verborgenheden. Maar al zijn "rondom Hem wolken en donkerheid", toch zijn "gerechtigheid en recht de grondslag van Zijn troon" (Ps. 97:2). Zover kunnen wij echter Zijn handelwijze met ons begrijpen dat we grenzeloze barmhartigheid verbonden met oneindige kracht kunnen ontdekken. Wij kunnen zoveel van Zijn be doelingen begrijpen als wij in ons kunnen opnemen; buiten dat kunnen wij ons vertrouwen stellen op de hand die almachtig, op het hart dat vol liefde is. Basis voor vertrouwen Ka 166 2 Het Woord van God evenals het karakter van zijn Maker, biedt verborgenheden die door sterfelijke wezens nooit ten volle begrepen kunnen worden. Maar God heeft in de Schriften voldoende bewijs gegeven van hun goddelijk gezag. Zijn eigen bestaan, Zijn karakter, de betrouwbaarheid van Zijn Woord zijn gefundeerd door een getuigenis dat een beroep doet op ons verstand; en dit getuigenis is overvloedig. Zeker, Hij heeft de mogelijkheid tot twijfel niet weggenomen: geloof moet rusten op ervaringen en niet op aanschouwen; wie willen twijfelen zijn daartoe in de gelegenheid, maar wie de waarheid willen kennen, vinden voor het geloof overvloedige grond. Ka 166 3 Wij hebben geen reden aan Gods Woord te twijfelen omdat we de verborgenheden van Zijn voorzienigheid niet kunnen begrijpen. In de natuurlijke wereld zijn wij aanhoudend omringd door wonderen die ons verstand te boven gaan. Moeten we dan verbaasd staan in de geestelijke wereld eveneens verborgenheden te vinden die we niet kunnen peilen? De moeilijkheid ligt enkel en alleen in de zwakheid en begrensdheid van de menselijke geest. Verborgenheden een bewijs van de Goddelijkheid Ka 169 1 Inplaats dat de verborgenheden een argument tegen de Bijbel vormen, zijn ze juist het sterkste bewijs van zijn Goddelijke inspiratie. Zou de Bijbel niets anders van God vermelden dan hetgeen wij zouden kunnen begrijpen; zou Zijn grootheid en majesteit door sterfelijke wezens begrepen kunnen worden, dan zou het Woord niet, zoals nu, de onmiskenbare bewijzen van Goddelijkheid dragen. Ka 169 2 De verhevenheid van zijn onderwerpen moet ons doen geloven dat het Gods Woord is. Eenvoud en aanpassing Ka 169 3 De Bijbel ontvouwt de waarheid met een eenvoud en aanpassing aan de noden en verlangens van het menselijk hart, welke de geleerdste geesten verbaasd en verrukt hebben, terwijl voor de nederigen en onwetenden de weg des levens daarin duidelijk te vinden is. "Reizigers noch dwazen zullen er op dolen" (Jes. 35 :8). Ka 169 4 Geen kind hoeft zich in de weg te vergissen en geen angstige zoeker behoeft het wandelen in het reine en heilige licht te ontgaan.. En nochtans zijn de eenvoudigste waarheden daarin verweven met zeer verheven onderwerpen die ver boven de kracht van het menselijke begrip uitkomen -- verborgenheden die Zijn heerlijkheid verbergen -- verborgenheden welke het verstand in zijn onderzoekingen overweldigen, terwijl ze de oprechte zoeker naar waarheid eerbied en geloof inboezemen. Hoe meer wij de Bijbel onderzoeken, des te dieper wordt onze overtuiging dat het 't Woord is van de levende God en de menselijke rede buigt zich voor de majesteit van de Goddelijke openbaring. Grenzen voor het begrip Ka 169 5 Het is Gods bedoeling dat voor de oprechte zoeker de waarheden van Zijn Woord zich steeds zullen ontvouwen. Terwijl "de verborgen dingen voor de Here, onze God, zijn", "zijn de geopenbaarde voor ons en onze kinderen" (Deut. 29:29). De gedachte dat bepaalde gedeelten van de Bijbel niet begrepen kunnen worden, heeft er toe geleid dat enkele van zijn belangrijkste waarheden verwaarloosd zijn. Het feit moet onderstreept en vaak herhaald worden dat de verborgenheden van de Bijbel er niet zijn omdat God geprobeerd heeft de waarheid te verzegelen, maar omdat onze persoonlijke zwakheid of onwetendheid ons onbekwaam maken de waarheid te begrijpen of in ons op te nemen. De begrenzing is niet te wijten aan Zijn opzet maar aan ons bevattingsvermogen. Van diezelfde Schriftgedeelten die als onbegrijpelijk vaak worden overgeslagen, verlangt God dat we er zoveel van in ons opnemen als ons verstand kan ontvangen. "Al de Schrift is van God ingegeven" opdat we "tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust" (2 Tim. 3 :16, 17) mogen zijn. Onuitputtelijke rijkdommen Ka 170 1 Het is onmogelijk voor welke menselijke geest ook om zelfs één waarheid of belofte van de Bijbel uit te putten. De een grijpt de heerlijkheid vanuit dit standpunt, een tweede vanuit een ander standpunt en nochtans zien we slechts flitsen. De volle glans ligt buiten onze gezichtskring. Ka 170 2 Wanneer we de verheven dingen van Gods Woord beschouwen, zien we in een bron die zich beneden onze blik verbreedt en verdiept. Zijn breedte en diepte gaan ons verstand te boven. Wanneer we toezien, verwijdt zich de blik; uitgestrekt vóór ons zien we een oneindige zee zonder stranden. Van zo'n studie gaat een levenwekkende kracht uit. Het verstand en het hart ontvangen nieuwe kracht, nieuw leven. Getoetst aan de ervaring Ka 170 3 Dit beleven is het grootste bewijs van de Goddelijke oorsprong van de Bijbel. Wij ontvangen Gods Woord als voedsel voor de ziel langs dezelfde weg waardoor wij brood als voedsel voor het lichaam ontvangen. Brood voorziet in de behoeften van onze natuur; wij weten uit ervaring dat bloed, beenderstelsel en hersenen daardoor gevormd worden. Past dezelfde proef toe op de Bijbel: wanneer zijn beginselen in werkelijkheid de elementen van het karakter zijn geworden, wat is dan het resultaat? Welke veranderingen zijn in het leven ontstaan? "Het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen" (2 Cor. 5: 17). In zijn kracht hebben mannen en vrouwen de ketenen van zondige gewoonten verbroken. Zij hebben zelfzucht afgezworen. De onheiligen zijn eerbiedig geworden, de dronkaards geheelonthouder, de lasteraars rein. Zielen, die het evenbeeld van Satan waren, zijn veranderd naar het beeld Gods. Deze verandering op zichzelf is het wonder der wonderen. Een verandering gewrocht door het Woord, is een van de diepste verborgenheden van het Woord. Wij kunnen dat niet begrijpen; zoals de Schriften het verklaren, kunnen wij het enkel geloven dat het is "Christus in u, de Hoop der heerlijkheid" (Col. 1:27). Gelofte van eeuwige groei Ka 171 1 Een kennis van deze verborgenheid verschaft een sleutel tot elke andere. Zij legt voor de ziel de schatten van het heelal bloot, de mogelijkheden van een onbeperkte ontwikkeling. Ka 171 2 En deze ontwikkeling wordt verkregen door het bestendige ontvouwen voor ons van het karakter Gods -- de heerlijkheid en de verborgenheid van het geschreven Woord. Zou het voor ons mogelijk zijn, tot een volledig begrip van God en Zijn Woord te komen, dan zou er voor ons geen verdere ontdekking der waarheid, geen meerdere kennis, geen verdere ontwikkeling zijn weggelegd. God zou ophouden hoogverheven te zijn en de mens zou ophouden geestelijk te groeien. Gode zij dank is dat niet zo. Omdat God on-eindig is en in Hem al de schatten der wijsheid begrepen zijn, mogen we tot in alle eeuwigheid altijd onderzoeken, altijd leren zonder nochtans de rijkdommen van Zijn wijsheid, van Zijn goedheid of Zijn kracht uit te putten. ------------------------Hoofdstuk 19--Geschiedenis en profetie Ka 172 0 "Wie heeft dit vanouds doen horen, het van overlang verkondigt? Ben Ik het niet, de Here? Er is geen God behalve Ik." De vroegste annalen Ka 172 1 De Bijbel is de oudste en omvangrijkste geschiedenis welke de mensen bezittten. Hij kwam fris uit de bron van de eeuwige waarheid en door de eeuwen heen heeft een goddelijke hand zijn zuiverheid bewaard. Hij verlicht het verre verleden waar het menselijke onderzoek tevergeefs tracht in door te dringen. Alleen in Gods Woord aanschouwen wij de kracht die de fundamenten der aarde legde en die de hemelen uitspreidde. Hier alleen vinden we een betrouwbaar verslag aangaande de oorsprong der volken. Hier alleen wordt een geschiedenis van ons ras gegeven, niet besmet door menselijke trots en vooroordeel. Filosofie der geschiedenis Ka 172 2 In de annalen van de menselijke geschiedschrijvers treedt de groei van volkeren, de opkomst en ondergang van wereldrijken naar voren als afhankelijk van de wil en de dapperheid van de mens. De vorming van de gebeurtenissen schijnt grotendeels bepaald te worden door zijn macht, eerzucht of zijn grillen. Maar in het Woord van God wordt het gordijn open geschoven, en zien wij achter, boven en door het gehele spel en tegenspel van menselijke belangen en macht en driften, de werktuigen van de Almachtige, die in alle stilte en met geduld de raadslagen van Zijn eigen wil uitvoeren. Verspreiding der rassen Ka 172 3 De Bijbel openbaart de ware filosofie der geschiedenis. In die woorden van weergaloze schoonheid en minzaamheid, gesproken door de apostel Paulus tot de wijzen van Athene, wordt Gods doel met de schepping en de verspreiding van rassen en volkeren duidelijk gemaakt. Hij "heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten" (Hand. 17:26,27). God verkondigt dat een ieder die wil, kan komen "in de band van het verbond" (Ezech. 20:37). Bij de schepping was het Zijn doel dat de aarde bewoond zou worden door schepselen, wier bestaan een zegen zou zijn voor hen persoonlijk en voor elkander, en een eer voor hun Schepper. Allen die willen, kunnen zich met dit doel vereenzelvigen. Van hen wordt gezegd: "Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal Mijn lof verkondigen" (Jes. 43:21). Ka 173 1 God heeft in Zijn wet de beginselen geopenbaard die aan alle ware voorspoed zowel van volken als van personen ten grondslag liggen. "Dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn", verkondigde Mozes aan de Israëlieten betreffende Gods wet. "Dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven" (Deut. 4:6; 32 :47). Ka 173 2 De zegeningen aldus verzekerd aan Israël, worden op dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate verzekerd aan elk volk en aan iedere persoon onder de uitgestrekte hemelen. Nationale voorspoed Ka 173 3 De macht, uitgeoefend door elke heerser op aarde, is door de Hemel toebedeeld; en van zijn gebruik van de aldus geschonken macht, hangt zijn welslagen af. Voor ieder geldt het woord van de Goddelijke Wachter: "Ik gordde u, hoewel gij Mij niet kendet" (Jes. 45 :5). En voor een ieder bevatten de woorden, in het verleden tot Nebukadnezar gesproken de levensles: "Doe uw zonden teniet door rechtvaardigheid en uw ongerechtigheid door erbarming jegens ellendigen -- of er misschien verlenging van uw rust wezen moge" (Dan. 4:27). De bron van de kracht Ka 173 4 Deze dingen te begrijpen -- te begrijpen dat "gerechtheid een volk verhoogt"; dat "de troon door gerechtigheid wordt bevestigd", en "geschraagd door liefde" (Spr. 14:34; 16:12; 20:28); de uitwerking van deze beginselen te erkennen in de openbaring van Zijn macht die "koningen afzet en koningen aanstelt" (Dan. 2:21) -- betekent dat men de filosofie der geschiedenis begrijpt. Ka 173 5 Alleen in het Woord Gods wordt dit duidelijk naar voren gebracht. Hier wordt getoond dat de kracht van volken zowel als van personen niet gevonden wordt in de kansen of bekwaamheden die hen onoverwinnelijk schijnen te maken en evenmin in hun opgeblazen grootheid. Hun kracht wordt afgemeten naar de trouw, waarmede zij Gods doel in vervulling doen gaan. Doel van het regeren Ka 174 1 Deze waarheid vindt men uitgebeeld in de geschiedenis van het oude Babylon. Aan Nebukadnezar, de koning van dat rijk, werd het ware doel van de landsregering getoond in het beeld van een grote boom, welks hoogte "reikte tot aan de hemel en hij was te zien tot aan het einde der gehele aarde; zijn loof was schoon en zijn vrucht zo overvloedig, dat hij voedsel bood voor allen; onder hem zocht het gedierte des velds schaduw en in zijn takken nestelde het gevogelte" (Dan. 4: 11, 12). Deze schildering toont het karakter van een regering die Gods oogmerk vervult -- een regering die het volk beschermt en opbouwt. Het grote Babylon Ka 174 2 God maakte Babylon groot, opdat het dit doel zou verwezenlijken. Het volk leefde in voorspoed, tot het een hoogte van rijkdom en macht bereikte, die nadien nooit is geëvenaard. Het wordt in de Schriften zeer terecht voorgesteld door dat geïnspireerde symbool, een "gouden hoofd" (Dan. 2 :38). Ka 174 3 Maar de koning erkende de macht niet die hem had groot gemaakt. In de trots van zijn hart zei Nebukadnezar: "Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?" (Dan. 4 : 30). Zijn onderdrukkende macht Ka 174 4 Inplaats van een beschermer der mensen te zijn, werd Babylon een trotse en wrede verdrukker. De woorden der Inspiratie, die de wreedheid en de hebzucht van de heersers in Israël schilderen, openbaren het geheim van Babylon's val, en van de val van menig ander koninkrijk sinds het begin der wereld: "Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij" (Ezech. 34 :3, 4). Vergelding Ka 175 1 Het vonnis van de Goddelijke Wachter kwam tot de heerser over Babylon: o Koning "u wordt aangezegd: het koningschap is van u geweken" (Dan. 4:31); Ka 175 2 "Daal af, en zet u neer in het stof, dochter van Babel. Zet u neer ter aarde, zonder zetel.... Zet u zwijgend neer en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeeën, Want men zal u niet langer gebiedster der koninkrijken noemen" (Jes. 47:1-5). Ka 175 3 "Gij, die aan grote wateren woont, Die groot zijn van schatten, Uw einde is gekomen, de maat waarop gij afgesneden wordt". Ka 175 4 "Babel, het sieraad der koninkrijken, De trotse luister der Chaldeeën Zal worden als Sodom en Gomorra, Toen God ze onderstboven keerde." Ka 175 5 "Ik zal het maken tot een bezit van roerdompen en tot waterpoelen, en Ik zal het wegbezemen met de bezem der verdelging, luidt het woord van de Here der heerscharen" (Jer. 51:13; Jes. 13: 19; 14:23). Opkomst en ondergang van volken Ka 175 6 Elk volk dat op het wereldtoneel is verschenen, is in de gelegenheid gesteld zijn plaats op aarde in te nemen om te zien of het aan het doel van de "Wachter en de Heilige" zou beantwoorden. De profetie heeft de opkomst en ondergang van de grote wereldrijken Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome geschilderd. In elk van deze rijken en van minder machtige volken heeft de geschiedenis zich herhaald. Elk volk kreeg zijn proeftijd, elk volk faalde daarin, zijn glorie verschrompelde, het verloor zijn macht en zijn plaats werd ingenomen door een ander. Ka 175 7 Terwijl de volken Gods beginselen verwierpen en in deze verwerping hun eigen ondergang bewerkstelligden, trad nochtans aan het licht dat het Goddelijke alles overheersende doel zich door al hun bewegingen vervulde. Visioen der cherubs Ka 176 1 Deze les wordt geleerd in een wonderbaarlijke symbolische voorstelling die de profeet Ezechiël tijdens zijn ballingschap in het land der Chaldeeën gegeven werd. Dit visioen kreeg Ezechiël toen hij gebukt ging onder smartelijke herinneringen en sombere voorgevoelens. Het land zijner vaderen was een woestenij. Jeruzalem was verlaten. De profeet zelf was een vreemdeling in een land waar eerzucht en wreedheid de overhand hadden. Aan alle kanten zag hij tirannie en onrecht, zijn ziel was in wanhoop en hij treurde dag en nacht. Maar de symbolen die hem getoond werden, openbaarden een macht ver verheven boven die van aardse heersers. De leidende hand Ka 176 2 Aan de oevers van de rivier de Kebar zag Ezechiël een stormwind die uit het Noorden scheen te komen, "een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnen, midden in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal". Een aantal raderen die in elkaar grepen, werden in beweging gebracht door vier levende wezens. Hoog boven hun hoofden was "wat er uitzag als lazuursteen dat de vorm had van een troon, en daarboven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens". "Bij de cherubs was onder hun vleugelen iets zichtbaar, dat de vorm had van een mensenhand" (Ezech. 1:4, 26; 10:8). De raderen waren in hun samenstelling zo gecompliceerd, dat het leek alsof alles in verwarring was; maar zij bewogen zich in een volmaakte harmonie. Hemelse wezens, ondersteund en geleid door de hand onder de vleugels van de cherubs, dreven deze raderen aan; boven hen op de troon van saffier zat de Eeuwige; en rondom de troon was een regenboog, het embleem van Goddelijke genade. Ka 176 3 Zoals dat bijzonder ingewikkelde raderstelsel geleid werd door de hand onder de vleugels van de cherubs, zo staat het gecompliceerde spel van menselijke gebeurtenissen onder Goddelijk beheer. Temidden van de strijd en het tumult der volken leidt Hij Die boven de cherubs troont, nog steeds de aangelegenheden hier op aarde. Een plaats in Gods doel Ka 177 1 De geschiedenis van de volken die de een na de ander de hun toegewezen tijd en plaats hebben ingenomen en onbewust getuigen van de waarheid waarvan zijzelf de betekenis niet begrijpen, spreekt tot ons. Aan elk volk en aan elk mens van deze tijd heeft God een plaats in Zijn groot plan toegekend. Vandaag worden mensen en volken gemeten door het schietlood in de hand van Hem Die zich niet vergist. Allen bepalen door hun persoonlijke keuze hun lot en God heeft alles in Zijn macht om Zijn doel te bereiken. Vervulling der profetie Ka 177 2 De geschiedenis, welke de grote "Ik ben" in Zijn Woord heeft uitgestippeld door vanaf de eeuwigheid van het verleden tot de eeuwigheid van de toekomst in de profetische keten schakel aan schakel te verbinden, zegt ons waar wij in de loop der eeuwen zijn aangeland en wat wij in de komende tijd kunnen verwachten. Alles wat de profetie heeft voorzegd dat tot op heden zou gebeuren, staat opgetekend op de bladzijden der geschiedenis, en we kunnen verzekerd zijn dat wat nog komen moet, eveneens zijn vervulling zal krijgen. Ka 177 3 De uiteindelijke vernietiging van alle aardse heerschappij is in het Woord der waarheid duidelijk voorzegd. In de profetie, verkondigd toen het vonnis Gods werd uitgesproken over de laatste koning van Israël, komt een boodschap naar voren: -- Ka 177 4 "Zo zegt de Here Here: Neem weg die tulband! zet af die kroon! ....verhoog wat laag is; verlaag wat hoog is. Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat Hij komt die er recht op heeft en aan Wie Ik het geven zal" (Ezech.21:26, 27). Ka 177 5 De kroon, van Israël weggenomen, ging achtereenvolgens over op de koninkrijken Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome. God zegt: "Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat Hij komt die er recht op heeft en aan Wie Ik het geven zal". Tekenen der tijden Ka 177 6 Die tijd is nabij. Heden verkondigen de tekenen der tijden dat we staan aan de vooravond van grote en plechtige gebeurtenissen Alles in onze wereld is in beweging. Voor onze ogen gaat de profetie van de Heiland in vervulling aangaande de gebeurtenissen die aan Zijn wederkomst vooraf gaan: "Gij zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen.... volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn" (Matth. 24: 6, 7). Aan de vooravond van een crisis Ka 178 1 Het heden is een tijd van enorm belang voor alle levenden. Heersers en staatslieden, mannen die op hoge vertrouwensposten staan, denkende mannen en vrouwen uit alle standen, hebben hun aandacht gericht op de gebeurtenissen om ons heen. Zij zien de gespannen, rusteloze verhoudingen onder de volken. Zij zien hoe zich van alle aardse activiteit een geweldige drift meester maakt en zij moeten wel tot de slotsom komen dat iets van beslissende betekenis spoedig zal plaats grijpen -- dat de wereld aan de vooravond van een geweldige crisis staat. Ka 178 2 Engelen houden nu de oorlogswinden in toom, opdat ze niet zullen waaien tot de wereld gewaarschuwd is voor haar komende ondergang; maar een storm is in aantocht die straks over de aarde zal losbarsten; en wanneer God Zijn engelen zal bevelen de winden los te laten, zal er zo'n strijd ontstaan als geen pen kan beschrijven. De slottonelen Ka 178 3 De Bijbel en de Bijbel alleen geeft een juiste kijk op deze dingen. Hierin worden de grote slottonelen in de geschiedenis onzer wereld beschreven, gebeurtenissen welke hun schaduw reeds vooruit werpen, waarvan het geluid hunner nadering de aarde doet beven en de harten der mensen van vrees doet bezwijken. Ka 178 4 "Zie, de Here ontledigt en verwoest de aarde, keert haar onderstboven en verstrooit haar inwoners.... omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken. Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewoners boeten De vrolijke tamboerijnen zwijgen, het rumoer der uitgelatenen heeft opgehouden, de vrolijke citer zwijgt" (Jes. 24: 1-8). "Slag na slag" Ka 178 5 "Wee die dag, want nabij is de dag des Heren; als een verwoesting komt hij van de Almachtige.... Verschrompeld zijn de zaadkorrels onder haar aardkluiten; verwoest zijn de voorraadschuren; gescheurd staan de korenbakken, want het koren is verdroogd. Hoe kreunt het vee! De runderkudden dolen rond, want er is voor hen geen weide; ook de schapenkudden lijden zwaar". "De wijnstok is verdord en de vijgeboom is verwelkt; granaatappelboom, ook palm en appel-boom, alle bomen des velds zijn verdord. Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht" (Joël 1:15-18, 12). Ka 179 1 "Ik moet ineenkrimpen, o wanden mijns harten! Mijn hart jaagt in mij. Ik kan niet zwijgen; want bazuingeschal hoor ik, strijdrumoer! Slag na slag wordt gemeld, ja, het gehele land is verwoest". "Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden. Ik zag, en zie, er was geen mens en al het gevogelte des hemels was weggevlogen. Ik zag, en zie, de gaarde was woestijn en al zijn steden waren in puin gestort" (Jer. 4: 19, 20, 23-26). "De tijd van Jakobs benauwdheid" Ka 179 2 "Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden" (Jer. 30:7). Ka 179 3 "Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is" (Jes. 26:20). Ka 179 4 "Want Gij, o Heer, zijt mijn toevlucht, De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld; Geen onheil zal u treffen En geen plaag zal uw tent naderen" (Ps. 91:9,10). "Onze God komt" Ka 179 5 "De God der goden, de Here spreekt en roept de aarde van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat. Uit Sion, de volkomen schoonheid, verschijnt God in lichtglans. Onze God komt, en zal niet zwijgen". Ka 179 6 "Hij roept tot de hemel daarboven, En tot de aarde om Zijn volk te richten.... Daar verkondigt de hemel Zijn gerechtigheid Want God is rechter" (Ps. 50 : 1-6). Ka 180 1 "Dochter Sions.... de Here zal u verlossen uit de macht van uw Ka 180 2 vijanden. Wel zijn nu vele volken tegen u vergaderd die zeggen: Zij worde ontwijd en moge onze ogen zich aan Sion verlustigen! Maar zij kennen de gedachte des Heren niet en verstaan Zijn raadslag niet". "Omdat men u, Sion, de verstotene noemt, degene naar wie niemand vraagt", "zal Ik u genezing schenken, u van uw wonden genezen, zegt de Here". "Ik breng een keer in het lot van de tenten van Jakob en over zijn woningen zal Ik Mij ontfermen" (Micha 4: 10-12; Jer. 30: 17, 18). ,,Hij zal verlossen" Ka 180 3 "En men zal te dien dage zeggen: Zie, Deze is onze God, Van Wie wij hoopten dat Hij ons zou verlossen; Dit is de Here, op Wie wij hoopten; Laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft". Ka 180 4 "Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen.... en de smaad van Zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Here heeft het gesproken" (Jes. 25 : 9, 8). Ka 180 5 "Aanschouw Sion, de stad onzer feestelijke bijeenkomsten. Uw ogen zullen Jeruzalem zien als een veilige woonstede, als een tent die niet verplaatst wordt.... Want de Here is onze Rechter, de Here is onze Wetgever, de Here is onze Koning" (Jes. 33 : 20-22). Ka 180 6 "Hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid recht spreken" (Jes. 11:4). De regering des vredes Ka 180 7 Dan zal Gods doel vervuld zijn; de beginselen van Zijn koninkrijk zullen door allen onder de zon geëerd worden. Ka 180 8 "Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden, Van verwoesting noch verderf in uw gebied; En gij zult uw muren Heil noemen En uw poorten Lof". "Door gerechtigheid zult gij bevestigd worden. Weet u verre van onderdrukking, Want gij hebt niet te vrezen. (Jes. 60: 18; 54: 14). Bestudering der profetie Ka 181 1 De profeten aan wie deze verheven tonelen werden geopenbaard, verlangden de betekenis daarvan te kennen. Zij "hebben gezocht en gevorst.... terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde.... Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan" (1 Petr. 1:10-12). Ka 181 2 Van welk een diepe betekenis, van welk een groot belang zijn voor ons die aan de vooravond van hun vervulling staan, deze schilderingen van de komende dingen -- gebeurtenissen, waarop sinds onze stamouders het Paradijs moesten verlaten, Gods kinderen onder waken en bidden hebben gewacht, en waarnaar zij steeds hebben verlangd! Ka 181 3 In deze tijd, vlak voor de grote eindcrisis, zijn de mensen, evenals voor de eerste verwoesting der wereld, verdiept in genoegens en zinnelijke lusten. In beslag genomen enkel door wat men ziet en wat voorbij gaat, hebben ze het onzienlijke en het eeuwige uit het oog verloren. Voor dingen die vergaan terwijl ze worden gebruikt, offeren ze onmetelijke rijkdommen. Hun gedachten moeten op een hoger doel worden gericht, hun levensblik moet verwijd worden. Zij moeten uit de verdoving van hun wereldse dromen worden opgewekt. Een les voor deze tijd Ka 181 4 Uit de opkomst en ondergang van volken, zo duidelijk gemaakt op de bladzijden van de Heilige Schrift, moeten ze leren hoe waardeloos die enkel uiterlijke en wereldse glorie is. Daar is Babylon, met al zijn pracht en praal, welks gelijke de wereld sindsdien nooit heeft aanschouwd -- een pracht en een praal, welke de volken van die tijd stabiel en duurzaam leken -- hoe volkomen is het ten onder gegaan! Als "de bloem des velds" is het vergaan. Ka 182 1 Zo vergaat alles dat niet op God is gegrondvest. Alleen dat wat met Zijn doel verbonden is en Zijn karakter uitdrukt, kan blijven bestaan. Zijn beginselen zijn de enige blijvende dingen, die onze wereld kent. Ka 182 2 En juist deze grote waarheden moeten door jong en oud geleerd worden. Wij moeten de vervulling van Gods doelwit in de geschiedenis der volken en in de openbaring van de toekomende dingen bestuderen, opdat wij het zienlijke en het onzienlijke kunnen schatten op hun juiste waarde, om te kunnen weten wat het ware levensdoel is; opdat, wanneer we de dingen des tijds zien in het licht der eeuwigheid, wij daarvan het beste en nobelste gebruik maken. Wanneer wij zo hier de beginselen van Zijn koninkrijk leren en daarvan onderdanen en burgers worden, kunnen wij voorbereid zijn op Zijn komst om met Hem Zijn koninkrijk binnen te gaan. Het einde is nabij Ka 182 3 De dag is nabij. Wat betreft de nog te leren lessen, het nog te verrichten werk, de nog aan te brengen karakterverandering, rest ons nog maar een korte spanne tijds. Ka 182 4 "Zie, het huis Israëls zegt: het gezicht dat hij schouwt, heeft betrekking op een verwijderde toekomst, en hij profeteert aangaande verre tijden. Daarom, zegt tot hen: zo zegt de Here Here: Geen van Mijn woorden zal nog langer worden uitgesteld. Het woord dat Ik spreken zal, zal in vervulling gaan, luidt het woord van de Here Here" (Ezech. 12 : 27, 28). ------------------------Hoofdstuk 20--Bijbelonderricht en bijbelstudie Ka 183 0 "Doet uw oren naar wijsheid opmerken; speurt daarnaar als naar verborgen schatten." Een Bijbelonderzoeker Ka 183 1 Als kind, als jongeling en als man bestudeerde Jezus de Schriften. Als kleine jongen stond Hij elke dag aan de knieën van Zijn moeder die Hem onderwees uit de boeken der profeten. In Zijn jeugd was Hij vaak in de vroege morgen en in de avondschemering in alle eenzaamheid te vinden op de berghelling of tussen de bomen van het bos om een rustig uur door te brengen in gebed en in de bestudering van Gods Woord. Gedurende Zijn dienstwerk op aarde getuigde Zijn nauwgezette kennis van de Schrift en van de vlijt waarmede Hij deze bestudeerde. En omdat Hij kennis vergaderde zoals ook wij die kunnen vergaderen, is Zijn wonderbaarlijke kracht, verstandelijk zowel als geestelijk, een getuigenis van de waarde van de Bijbel als opvoedingsmiddel. Verhalen voor de kleinen Ka 183 2 Toen de hemelse Vader ons Zijn Woord gaf, vergat Hij de kinderen niet. Waar kunnen we in alles wat mensen geschreven hebben, iets vinden dat zo tot het hart spreekt, iets dat zo de belangstelling bij de kleinen kan opwekken, als de verhalen uit de Bijbel? Ka 183 3 In deze eenvoudige verhalen kunnen de grote beginselen van Gods wet duidelijk gemaakt worden. Zo kunnen ouders en onderwijzers door illustraties die de kinderen gemakkelijk kunnen begrijpen, heel vroeg beginnen, gehoor te geven aan de aanwijzingen des Heren aangaande Zijn geboden: "Gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat" (Deut. 6: 7). Aanschouwelijk onderwijs Ka 183 4 Aanschouwelijk onderwijs met behulp van schoolborden, landkaarten en platen, zal medehelpen deze lessen duidelijk te maken en ze in het geheugen in te prenten. Ouders en onderwijzers moeten steeds zoeken naar betere methoden. Aan het Bijbelonderricht moeten wij onze zuiverste gedachten, onze beste methoden en krachten schenken. Gemeenschappelijke studie in het gezin Ka 184 1 Om liefde voor het onderzoek van de Bijbel op te wekken en te versterken, moet men er nauwkeurig op letten hoe het wijdingsuur benut wordt. De uren van de morgenen avondwijding moeten de beste en de nuttigste zijn van de hele dag. Laat men goed begrijpen dat tijdens deze uren geen troebele, onvriendelijke gedachten gekoesterd mogen worden; dat ouders en kinderen samenkomen om Jezus te ontmoeten en heilige engelen binnen de muren van hun huis uit te nodigen. De diensten moeten kort en vooral levendig zijn, zich aanpassend aan de omstandigheden, terwijl van tijd tot tijd variatie gebracht moet worden. Laat allen deelnemen aan het lezen van de Bijbel, het leren en vooral vaak herhalen van Gods wet. Het zal de belangstelling van de kinderen groter maken wanneer ze af en toe mogen kiezen wat er gelezen zal worden. Stel hun vragen over dat onderwerp en geef ze de gelegenheid, eveneens vragen te stellen. Wijs op datgene wat de betekenis van het onderwerp kan verduidelijken. Wanneer de dienst op deze wijze niet te lang wordt gemaakt, laat dan de kleinen ook deelnemen aan het gebed en laat ze meezingen, al is het maar een enkel vers. Ka 184 2 Wil men zo'n dienst in alle opzichten doen slagen, dan moet aandacht geschonken worden aan de voorbereiding. En ouders moeten elke dag de tijd nemen om met hun kinderen de Bijbel te onderzoeken. Dat zal zeer zeker wat inspanning, voorbereiding en opoffering vereisen, maar de moeite zal rijkelijk beloond worden. Persoonlijke invloed en voorbeeld Ka 184 3 Als een voorbereiding om Zijn geboden aan de kinderen te leren, beveelt God dat ze verborgen moeten liggen in de harten van de ouders. "Wat Ik u heden gebied, zal in uw hart zijn", zegt Hij; "en gij zult het uw kinderen inprenten" (Deut. 6:6,7). Willen we dat onze kinderen belangstelling hebben voor de Bijbel, dan moeten wij er zelf belang in stellen. Willen we in hen liefde wekken voor Bijbelonderzoek, dan moeten ook wijzelf daarvan houden. De waarde van ons onderricht aan hen zal slechts bepaald worden door ons eigen voorbeeld en onze eigen geest. Abraham een voorbeeld Ka 184 4 God riep Abraham om een leraar van Zijn Woord te zijn; Hij verkoos hem om de vader van een groot volk te worden, omdat Hij zag dat Abraham zijn kinderen en zijn huisgenoten in de beginselen van Gods wet zou onderrichten. Wat het onderricht van Abraham kracht verleende, was de invloed die uitging van zijn eigen leven. Zijn grote gezin bestond uit meer dan duizend zielen, onder wie vele gezinshoofden en een groot aantal van hen was pas bekeerd van het heidendom. Zo'n huishouding vereiste een vaste hand aan het roer. Zwakheid en aarzeling zouden hier niet veel baten. Van Abraham heeft God gezegd: "Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren". En toch oefende hij zijn gezag met zo'n wijsheid en minzaamheid uit, dat harten werden gewonnen. Het getuigenis van de Goddelijke Wachter luidt: "Zij zullen de weg des Heren bewaren door gerechtigheid en recht te doen" (Gen. 18: 19). En de invloed van Abraham strekte zich ook uit buiten zijn eigen huis. Waar hij ook zijn tent neerzette, hij plaatste daarnaast het altaar tot offerande en aanbidding. Wanneer de tent werd opgebroken, bleef het altaar achter en menig rondzwervende Kanaäniet die uit het leven van Abraham Zijn knecht God had leren kennen, vertoefde bij dat altaar om de Here een offer te brengen. Ka 185 1 En heden zal het onderwijs van Gods Woord evenveel succes hebben wanneer het een even trouwe weerspiegeling vindt in het leven van de leraar. Onderzoek bij de bron Ka 185 2 Het is niet voldoende wanneer we weten wat anderen aangaande de Bijbel hebben gedacht en geleerd. Iedereen moet in het oordeel God rekenschap van zichzelf geven en ieder moet nu voor zichzelf leren wat waarheid is. Maar om dat onderzoek nuttig te doen zijn, moet de belangstelling van de leerling worden gewekt. Vooral voor degene die te maken heeft met kinderen met een zeer uiteenlopende aanleg, opleiding en gedachtenkring, is dit een zaak die men niet uit het oog mag verliezen. Bij Bijbelonderricht aan kinderen zal het goed zijn hun neigingen na te gaan, op te merken waarin zij belangstellen en hun belangstelling op te wekken door te laten zien wat de Bijbel aangaande deze dingen zegt. Hij die ons schiep met al onze verschillende neigingen, heeft in Zijn Woord voor ieder iets gegeven. Wanneer de leerlingen zien dat de lessen van de Bijbel van toepassing zijn op hun eigen leven, breng hun dan onder het oog dat ze ook daaruit raad kunnen putten. Schoonheid van gedachten en uitdrukking Ka 186 1 Help hen ook de wonderlijke schoonheid van de Bijbel te leren waarderen. Tal van boeken zonder werkelijke waarde, boeken die opwindend en schadelijk zijn, beveelt men aan, of laat men lezen vanwege hun zogenaamde letterkundige waarde. Waarom zouden we onze kinderen laten drinken uit deze vergiftigde wateren, wanneer ze vrije toegang hebben tot de zuivere bronnen van Gods Woord? De Bijbel bezit een volheid, een kracht, een diepte van betekenis, die onuitputtelijk is. Spoor de kinderen en opgroeiende jeugd aan naar zijn schatten, zowel van gedachte als van uitdrukking, te zoeken. Ka 186 2 Wanneer de schoonheid van deze kostelijke dingen hun gedachten in beslag neemt, zal een verzachtende, onderwerpende kracht hun harten beroeren. Zij zullen getrokken worden tot Hem Die Zich op deze wijze aan hen heeft geopenbaard. En er zijn slechts weinigen, die niet méér zullen willen weten van Zijn werken en wegen. Doel der studie Ka 186 3 De Bijbelonderzoeker moet geleerd worden, dat hij de Bijbel moet gaan onderzoeken in de geest van een leerling. Wij moeten zijn bladzijden bestuderen, niet als een bewijs om onze meningen te ondersteunen, maar alleen om te weten wat God zegt. Juiste kennis van de Bijbel kan alleen verkregen worden met de hulp van de Heilige Geest, door Wie het Woord gegeven is; en om ons die kennis eigen te maken, moeten we ook daarnaar leven. Alles wat Gods Woord beveelt, moeten we gehoorzamen. En op alles wat het belooft, mogen we aanspraak maken. Het leven dat ons door de Schrift wordt voorgeschreven, is het leven dat we door haar kracht kunnen leven. Alleen wanneer de Bijbel zo wordt aanvaard, kan het onderzoek daarvan de juiste resultaten afwerpen. Grondigheid en concentratie Ka 186 4 De bestudering van de Bijbel vraagt onze grootste inspanning en een aanhoudende gedachtenconcentratie. Zoals de mijnwerker delft naar de gouden schatten in de aarde, zo vlijtig en volhardend moeten wij speuren naar de schat van Gods Woord. Ka 187 1 In de dagelijkse studie is de methode van vers tot vers doorgaans de j beste. Laat de leerling een vers nemen en daarop de geest concentreren om achter de gedachte te komen die God voor hem in dat vers heeft gelegd, en die te overpeinzen tot deze zijn persoonlijk bezit geworden is. Een enkele passage, aldus bestudeerd, heeft meer waarde dan het doorlezen van een aantal hoofdstukken zonder een omlijnd doel, waaruit ten slotte niets geleerd wordt. Ka 187 2 Een van de hoofdoorzaken van geringe geestelijke groei en zedelijke zwakheid ligt daarin dat men zijn gedachten niet op één punt concentreert om tot een goed resultaat te komen. Wij gaan er prat op dat er zoveel boeken verschijnen en er zoveel gelezen wordt; maar de vermenigvuldiging van boeken, zelfs boeken die op zichzelf niet schadelijk zijn, kan nochtans een positief kwaad inhouden. Door de aanhoudende stroom van boeken die steeds van de persen komen, ontstaat bij jong en oud de gewoonte oppervlakkig te lezen, waardoor de bezielende, levenwekkende gedachte verloren gaat. Ongezonde literatuur Ka 187 3 Daar komt nog bij dat een groot deel van de tijdschriften en boeken die, evenals de kikvorsen van Egypte het land overdekken, niet alleen laag bij de grond, onbeduidend en schadelijk is, maar ook onrein en vernederend. Het lezen daarvan verdooft en vernietigt niet alleen de geest, maar verderft en verdelgt ook de ziel. De geest, het hart, dat traag is en geen doel heeft, valt gemakkelijk ten prooi aan het kwaad. Juist op zieke, levenloze organismen ontwikkelen zich de zwammen. In een leeg verstand heeft Satan zijn werkplaats. Laat het verstand gericht zijn op hoge en heilige idealen, laat het leven een hoogstaand doel, een alles in beslag nemend streven hebben en het kwaad zal geen voedingsbodem vinden. Een schild tegen verleiding Ka 187 4 Laat men de jeugd dan leren het Woord van God nauwgezet te onderzoeken. Wanneer dat wordt opgenomen in de ziel, zal het een sterk bolwerk tegen verleiding blijken te zijn. De Psalmist zegt: "Ik berg Uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige". "Naar het woord Uwer lippen heb ik mij gewacht voor de paden van de geweldenaar" (Ps. 119 :11; 17 :4). Omvangrijke studie Ka 188 1 De Bijbel is zijn eigen uitlegger. De ene tekst moet met de andere worden vergeleken. De onderzoeker moet niet alleen leren het Woord te zien als één geheel, maar ook het verband tussen zijn onderdelen. Hij moet kennis verkrijgen van zijn grote kerngedachte, van Gods oorspronkelijk doel met de wereld, van het ontstaan van de grote strijd, en van het werk der verlossing. Hij moet de natuur van de twee grondbeginselen die om de oppermacht strijden, verstaan en hun werking uit de verslagen van de geschiedenis en de profetie tot aan de grote voleinding toe, kunnen aanwijzen. Hij moet zien hoe deze strijd binnen sluipt in elke fase van de menselijke ervaring; hoe in elke levensdaad hijzelf òf de een óf de andere van de twee met elkaar in strijd zijnde beweegredenen openbaart; en hoe, of hij al of niet wil, hij op dit ogenblik beslist aan welke kant van de strijd hij gevonden zal worden. Ka 188 2 Elk deel van de Bijbel is ontstaan door de inspiratie van God en heeft zijn nut. Aan het Oude Testament moet niet minder aandacht geschonken worden dan aan het Nieuwe. Wanneer we het Oude Testament bestuderen, zullen we ervaren dat levende fonteinen opspringen, waar de oppervlakkige lezer enkel een woestijn ontdekt. Daniël en de Openbaring Ka 188 3 Vooral de Openbaring van Johannes, in samenhang met het boek Daniël, vraagt een bijzonder onderzoek. Het is de taak van iedere Godvrezende leraar na te gaan hoe hij het evangelie, dat onze Heiland persoonlijk bekend maakte aan Zijn dienstknecht Johannes, duidelijk en begrijpelijk kan maken. "De Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen weldra moet geschieden" (Openb. 1: 1). Niemand moet zich in de studie van de Openbaring laten ontmoedigen door haar ogenschijnlijk geheimzinnige symbolen. "Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, Die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt" (Jac. 1:5). Ka 188 4 "Zalig hij, die voorleest, en zij die horen de woorden der profetie, en bewaren hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij" (Openb. 1: 3). Voortdurend studeren Ka 189 1 Wanneer een wezenlijke liefde voor de Bijbel is ontwaakt, en de onderzoeker begint te beseffen hoe uitgestrekt het terrein en hoe kostbaar zijn schat is, zal hij elke kans willen grijpen om met Gods Woord bekend te worden. Het onderzoek daarvan zal niet beperkt worden tot een bepaalde tijd of plaats. En deze voortdurende studie is een van de beste middelen om liefde voor de Schriften aan te kweken. De onderzoeker moet zijn Bijbel altijd bij zich hebben. Wanneer u maar de gelegenheid hebt, lees dan een tekst en denk daarover na. Grijp de kans, wanneer u op straat wandelt, of op het station wacht of met iemand een afspraak hebt om een of andere kostelijke gedachte uit de schatkamer der waarheid te verkrijgen. Resultaten der studie Ka 189 2 De voornaamste beweegredenen der ziel zijn geloof, hoop en liefde en juist naar die krachten verwijst een goed doorgevoerd Bijbelonderzoek. De uiterlijke schoonheid van de Bijbel, de schoonheid van verbeelding en uitdrukking, is als het ware de achtergrond van zijn wezenlijke schat -- de schoonheid der heiligheid. In zijn verslag van de mannen die mei God wandelden, kunnen wij flitsen van Zijn heerlijkheid opvangen. In Degene Die "zeer liefelijk" is, aanschouwen we Hem, van Wie alle schoonheid van hemel en aarde slechts een flauwe weerspiegeling is. "Als Ik van de aarde verhoogd ben," sprak Hij, "zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh. 12 :32). Wanneer de Bijbelonderzoeker de Verlosser aanschouwt, is in de ziel de geheimzinnige kracht des geloofs, der aanbidding en der liefde ontwaakt. De ogen zijn gevestigd op Christus, en de aanschouwer groeit naar het evenbeeld van Hem Die hij vereert. De woorden van de apostel Paulus worden de taal der ziel: "Ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat.... Dit alles om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden" (Fil. 3 : 8-10). Stromen van zegen Ka 189 3 De bronnen van hemelse vrede en blijdschap, in de ziel ontsloten door de woorden der Inspiratie, zullen een machtige rivier van invloed worden, die allen die binnen zijn bereik komen, zal zegenen. Laten de jonge mensen van heden, de jonge mensen die met de Bijbel in hun handen opgroeien, de ontvangers en de kanalen worden van zijn leven-gevende kracht; dan zullen stromen van zegen zich uitstorten over de wereld, invloeden, van welker kracht om te genezen en te troosten wij nauwelijks besef hebben, rivieren van levend water, fonteinen, "die opspringen ten eeuwigen leven"! Lichaamscultuur Ka 189 4 "Geliefde, ik bid dat het u in alles wel ga en gij gezond zijt, gelijk het uw ziel wel gaat." ------------------------Hoofdstuk 21--Studie der Fysiologie Ka 193 0 ,,Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid." Belangrijkheid van lichaamscultuur Ka 193 1 Daar het verstand en de ziel door het lichaam tot uitdrukking komen, is zowel verstandelijke als geestelijke kracht in hoge mate afhankelijk van lichamelijke kracht en werkzaamheid; wat de lichamelijke gezondheid bevordert, bevordert ook de ontwikkeling van een sterke geest en een evenwichtig karakter. Zonder gezondheid kan niemand zijn verplichtingen ten opzichte van zichzelf, zijn medemensen, of zijn Schepper duidelijk begrijpen of geheel vervullen. Daarom moet men even zorgvuldig over de gezondheid als over het karakter waken. Kennis van fysiologie en van gezondheidsleer moet de basis zijn van alle opvoedkundig werk. Veronachtzaming der beginselen Ka 193 2 Hoewel men tegenwoordig in het algemeen wel begrip heeft van de fysiologie, is er een angstwekkende onverschilligheid wat betreft de gezondheidsbeginselen. Zelfs onder degenen die met deze beginselen op de hoogte zijn, zijn er maar weinigen die ze in praktijk brengen. Men volgt zo blindelings zijn neigingen en ingevingen alsof het leven eerder door het toeval wordt beheerst dan door omlijnde, onveranderlijke wetten. Een oorzaak van het falen Ka 193 3 In hun jeugdige bloei en levenskracht zijn jonge mensen zich weinig bewust van de waarde van hun overvloeiende energie. Een schat, kostbaarder dan goud, belangrijker om in het leven vooruit te komen dan geleerdheid of stand of rijkdom, wordt lichtvaardig beoordeeld en schromelijk verkwist! Hoevelen hebben met opoffering van hun gezondheid in het streven naar rijkdom en macht, het doel van hun verlangen bijna bereikt om dan hulpeloos ineen te storten, terwijl anderen, die lichamelijk meer uithoudingsvermogen bezaten, het vurig begeerde doel bereikten! Door het verwaarlozen van de ge-zondheidswetten met al de nadelige gevolgen voor het lichaam, zijn velen tot verkeerde gewoonten gekomen, tot het opgeven van elke hoop voor deze wereld en de volgende. Onderricht in fysiologie Ka 194 1 In het bestuderen der fysiologie moeten de leerlingen de waarde van lichamelijke energie leren inzien en hoe deze het best bewaard en ontwikkeld kan worden om bij te dragen tot een zo groot mogelijk succes in de grote strijd des levens. Ka 194 2 Reeds vroeg moet men kinderen in eenvoudige, gemakkelijke lessen de grondbeginselen van fysiologie en gezondheidsleer bijbrengen. Het werk moet begonnen worden door de moeder in het gezin om daarna nauwgezet op school te worden voortgezet. Wanneer de leerlingen ouder worden, moet het onderricht op dit gebied voortgaan, tot ze in staat zijn zorg te dragen voor het huis waarin zij wonen. Zij moeten gaan begrijpen hoe belangrijk het is, tegen ziekte te waken door de kracht van elk orgaan te bewaren, en ook leren wat gedaan moet worden bij gewone ziekten en ongevallen. Elke school moet onderricht geven zowel in fysiologie als in gezondheidsleer en zoveel mogelijk moeten middelen aanwezig zijn om de bouw, het gebruik en de verzorging van het lichaam aanschouwelijk voor te stellen. De wetten der natuur zijn van Goddelijke oorsprong Ka 194 3 Bij het onderricht in de fysiologie komen onderwerpen voor, waaraan doorgaans niet die aandacht geschonken wordt welke nodig is -- onderwerpen van veel groter waarde voor de leerling dan de technische bijzonderheden welke gewoonlijk over dit onderwerp gegeven worden. Als het grondbeginsel van alle opleiding voor deze vakken moet men de jeugd leren dat de wetten der natuur de wetten Gods zijn -- even waarachtig van goddelijke oorsprong als de voorschriften van de tien geboden. De wetten die ons lichamelijk organisme beheersen, heeft God op elke zenuw, spier en vezel van het lichaam geschreven. Elke nalatige of opzettelijke schending van deze wetten is een zonde tegenover onze Schepper. Ka 194 4 Hoe nodig is het daarom grondige kennis van deze wetten te bezitten! Aan de beginselen van de gezondheidsleer, zoals die toegepast wordt bij diëet, oefening, verzorging van kinderen en behandeling van zieken en vele soortgelijke zaken, moet veel meer aandacht geschonken worden dan tot nu toe. Invloed van de geest op het lichaam Ka 194 5 Op de invloed van de geest op het lichaam, evenals van het lichaam op de geest, moet de nadruk gelegd worden. De electrische kracht van de hersenen, aangezet door geestelijke werkzaamheid, geeft levenskracht aan het gehele gestel, en is daarom een onschatbare hulp om weerstand te bieden aan ziekten. Dit moet duidelijk gemaakt worden. De macht van de wil en de belangrijkheid van zelfbeheersing, zowel in het behoud als in het herstel der gezondheid, het deprimerende en zelfs verderfelijke gevolg van boosheid, ontevredenheid, zelfzucht of onreinheid, en, anderzijds de wonderbaarlijke leven-gevende kracht welke gevonden wordt in opgewektheid, onbaatzuchtigheid en dankbaarheid moeten eveneens getoond worden. Opgewektheid, dankbaarheid Ka 195 1 Er ligt een fysiologische waarheid -- een waarheid waaraan wij onze aandacht moeten schenken -- in de Bijbeltekst "Een vrolijk hart bevordert de genezing". Ka 195 2 "Uw hart beware Mijn geboden," zegt God, "want lengte van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen". "Want zij zijn leven voor wie ze vinden, genezing voor hun ganse lichaam". "Vriendelijke woorden" zijn volgens de Schrift niet alleen "zoet voor de ziel", maar ook "medicijn voor het gebeente" (Spr. 17:22; 3 : 1, 2; 4:22; 16:24). Ka 195 3 De jeugd moet de diepe waarheid begrijpen die ten grondslag ligt aan het Bijbelse gezegde dat bij God "de bron des levens is" (Ps. 36: 10). Hij is niet alleen de oorsprong van alles maar Hij is het leven van alles dat leeft. Het is Zijn leven dat we ontvangen in de zonneschijn, in de zuivere, heerlijke lucht, in het voedsel dat ons lichaam opbouwt en onze kracht in stand houdt. Het is door Zijn leven dat we bestaan, van uur tot uur, van seconde tot seconde. Tenzij ze verdorven zijn door de zonde, leiden al Zijn gaven tot leven, tot gezondheid en vreugde. Juiste fysieke gewoonten Ka 195 4 "Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd" (Pred. 3: 11); en ware schoonheid zal verkregen worden, niet door Gods werk te bezoedelen, maar door in harmonie te komen met de wetten van Hem Die alle dingen geschapen heeft en Die een welbehagen vindt in hun schoonheid en volmaaktheid. Ka 195 5 Wanneer men het mechanisme van het lichaam bestudeert, moet men er aandacht aan schenken hoe wonderlijk het de middelen aanpast aan het doel en hoe de verschillende organen van elkaar afhankelijk zijn en hoe harmonisch zij samenwerken. Wanneer de belangstelling van de leerling aldus is opgewekt en hij de belangrijkheid van lichaamscultuur is gaan inzien, kan door de leraar veel meer gedaan worden tot het verkrijgen van een juiste ontwikkeling en goede gewoonten. Houding Ka 196 1 In de eerste plaats moet gestreefd worden naar een correcte houding, zowel bij het zitten als bij het staan. God heeft de mens rechtop geschapen, en het is Zijn verlangen dat hij niet enkel de lichamelijke, maar ook de geestelijke en zedelijke zegen, de gratie en waardigheid en zelfbeheersing, de moed en het zelfvertrouwen bezit, welke door een rechte houding zo zeer worden bevorderd. Laat de leraar door voorbeeld en voorschrift dit punt nader toelichten. Laat zien wat een correcte houding is en dring er op aan dat men zich daaraan zal houden. Ademhaling Ka 196 2 Behalve een juiste houding zijn ademhaling en stemverzorging van zeer veel belang. Wie rechtop zit en staat, kan beter dan anderen goed ademhalen. Vooral moet de leraar zijn leerlingen de belangrijkheid van diep ademen onder het oog brengen. Wijs er op hoe de gezonde werking van de ademhalingsorganen, welke bevorderlijk is voor de bloedsomloop, het gehele organisme kracht verleent, de eetlust opwekt, de spijsvertering bevordert en een goede, gezonde slaap teweeg brengt, en dus niet alleen het lichaam verkwikt, maar ook de geest kalmeert. Terwijl de belangrijkheid van een diepe ademhaling wordt aangetoond, moet men erop aandringen dat deze wordt beoefend. Laat oefeningen doen die dit bevorderen en let er op dat die goede gewoonte wordt gehandhaafd. Stemoefeningen Ka 196 3 De oefening van de stem neemt in de lichaamscultuur een bijzondere plaats in omdat ze de longen uitzet en versterkt, hetgeen ziekte kan voorkomen. Om goed te kunnen lezen en spreken, moet er op gelet worden dat de buikspieren voldoende ruimte hebben bij de ademhaling en dat de ademhalingsorganen op geen enkele wijze belemmerd worden. Laat de spanning daarbij liever komen op de spieren van de buik dan op die van de keel. Grote vermoeidheid en ernstige keelen longziekten kunnen daardoor voorkomen worden. Zorgvuldige aandacht dient gegeven te worden aan een duidelijke articulatie, zachte, welluidende tonen en een niet te snelle voordracht. Dit zal niet alleen de gezondheid bevorderen, maar zal er ook veel toe bijdragen dat de leerling op een prettige, doelmatige wijze zijn werk doet. Gezonde kleding Ka 197 1 Wanneer men deze dingen onderwijst, doet zich een prachtige gelegenheid voor om te wijzen op het dwaze en verkeerde van het zich inrijgen alsook van elke andere gewoonte welke de levensactiviteit belemmert. Een bijna eindeloze rij van ziekten komt voort uit ongezonde kleding en op dit punt moet nauwkeurig onderricht worden gegeven. Breng de scholieren onder het oog, dat, wanneer de kleren op de heupen drukken of druk uitoefenen op een of ander lichaamsorgaan, dit een gevaar inhoudt. De kleren moeten zo gemaakt worden dat een diepe ademhaling gewaarborgd is en dat de armen zonder enige moeite boven het hoofd geheven kunnen worden. Het samenpersen der longen belemmert niet enkel hun ontwikkeling maar hindert het proces van de spijsvertering en van de bloedsomloop, hetgeen aldus een verzwakking van het gehele lichaam betekent. Al zulke gewoonten verminderen zowel de lichamelijke als de geestelijke kracht en zijn een belemmering voor de vooruitgang van de scholier en dus ook van zijn succes. Reinheid, zonlicht, ventilatie Ka 197 2 Wanneer onderricht wordt gegeven in de gezondheidsleer zal de ernstige leraar elke kans aangrijpen om de noodzakelijkheid aan te tonen van volkomen reinheid, zowel wat betreft de persoonlijke gewoonten als ook de omgeving. Op de waarde van het dagelijkse bad ter bevordering van de gezondheid en als prikkel van de geestelijke werkzaamheid, moet de nadruk gelegd worden. Aandacht moet ook geschonken worden aan zonlicht en ventilatie, de hygiëne van de slaapkamer en van de keuken. Leer de scholieren dat een gezonde slaapkamer, een heldere keuken en een tafel, voorzien van smakelijke, gezonde spijzen, meer zullen bijdragen tot het geluk van het gezin en de achting van elke verstandige bezoeker dan vele kostbare meubelen in de ontvangkamer. Dat "het leven meer is dan het voedsel, en het lichaam meer dan de kleding" (Lucas 12 :23), is een les die nu niet minder nodig is dan ten tijde van de Goddelijke Leraar, ruim negentienhonderd jaren geleden. Kennis om te gebruiken Ka 198 1 Wie fysiologie studeert, moet leren dat het doel van zijn studie niet enkel is het verkrijgen van kennis ten aanzien van feiten en beginselen. Dit alleen werpt weinig baat af. Hij kan de belangrijkheid van ventilatie inzien; zijn kamer mag vol zuivere lucht zijn; maar wanneer hij zijn longen niet goed vult, zal hij van de gevolgen van een verkeerde ademhaling te lijden hebben. Zo kan hij ook de noodzakelijkheid van reinheid inzien en kunnen de nodige middelen daartoe aanwezig zijn; maar dat alles zal van geen nut zijn, als men ze niet toepast. Wanneer men deze beginselen onderwijst, is het een eerste vereiste, de leerling de belangrijkheid daarvan bij te brengen, zodat hij ze nauwgezet in praktijk brengt. Het lichaam Gods tempel Ka 198 2 Door een bijzonder prachtig en indrukwekkend beeld toont het Woord van God ons de waarde die Hij toekent aan ons lichaamsorganisme, evenals de verantwoordelijkheid die op ons rust om dit in de beste conditie te bewaren: "Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?" "Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig" (1 Cor. 6 : 19; 3 : 17). Ka 198 3 Leg bij de leerlingen de nadruk op de gedachte dat het lichaam een tempel is, waarin God wil wonen; dat het rein moet worden gehouden, de woonplaats van verheven, nobele gedachten. Wanneer zij in het bestuderen der fysiologie zien dat ze inderdaad "gans wonderbaar zijn toebereid" (Ps. 139:14), zullen ze van eerbied worden vervuld. Inplaats van het werk van Gods handen te bezoedelen, zullen ze graag van zichzelf willen maken wat mogelijk is om Gods glorievol plan in vervulling te doen gaan. Zo zullen zij de wetten der gezondheid gaan gehoorzamen, niet bij wijze van opoffering en zelfverloochening, maar zoals het inderdaad is, als een onschatbaar voorrecht en zegen. ------------------------Hoofdstuk 22--Matigheid en dieetleer Ka 199 0 "Al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles." Eenvoudig leven; nobele gedachten Ka 199 1 Elke leerling moet de verhouding tussen een eenvoudige levenswijze en hoogstaande gedachten begrijpen. Aan ons persoonlijk ligt de beslissing of we ons leven zullen laten beheersen door de geest of door het lichaam. De jeugd moet, ieder voor zichzelf, de keuze maken die aan het leven vorm geeft en wij moeten geen moeite sparen om hem de krachten waarmede hij te maken heeft en de invloeden die karakter en lot bepalen, te doen begrijpen. Het voorkomen van onmatigheid Ka 199 2 Onmatigheid is een vijand, waartegen ieder op zijn hoede moet zijn. De snelle toeneming van dit kwaad moet ieder die zijn medemensen liefheeft, opwekken om daartegen te strijden. De gewoonte op de scholen onderwerpen betreffende matigheid te behandelen is een stap in de goede richting. Op elke school en in elk gezin moet onderricht op dit gebied gegeven worden. De jeugd en de kinderen moeten begrip krijgen van de uitwerking van alcohol, tabak en andere soortgelijke vergiften, die verderfelijk zijn voor het lichaam, het verstand verduisteren en de ziel zinnelijk maken. Het moet duidelijk gemaakt worden dat iemand die deze dingen gebruikt, niet lang in het bezit kan blijven van de volledige kracht van zijn lichamelijke, verstandelijke en zedelijke vermogens. Oorzaken van onmatigheid Ka 199 3 Maar om tot de wortel der onmatigheid te komen, moeten we dieper gaan dan het gebruik van alcohol of tabak. Nietsdoen, doelloos leven of slechte omgang kunnen de aanleiding zijn. Vaak komt het voor in gezinnen die ervan overtuigd zijn dat ze volgens de matigheidsbeginselen leven. Alles wat de spijsvertering stoort, een verkeerde verstandelijke prikkeling veroorzaakt, of op een of andere wijze het organisme verzwakt, waardoor het evenwicht tussen de verstandelijke en lichamelijke krachten wordt verbroken, verzwakt de macht van de geest over het lichaam, en zo ontstaat een neighing tot onmatigheid. Als oorzaak van de ondergang van menige veelbelovende jonge man kan men een onnatuurlijke eetlust, verwekt door een ongezond diëet, aanwijzen. Prikkelend diëet Ka 200 1 Thee en koffie, sterke kruiden, zoetigheden en gebak dragen bij tot een slechte spijsvertering. Ook het gebruik van vlees is schadelijk. De daaruit voortvloeiende prikkelende werking moet voldoende bewijs zijn tegen het gebruik van vlees, terwijl de bijna algemene ziekelijke toestand der dieren het dubbel verwerpelijk maakt. Het prikkelt de zenuwen en wekt hartstochten op, waardoor de doorslag gegeven wordt aan de op lager peil staande neigingen. Ka 200 2 Wie zich gewennen aan overdadig, prikkelend voedsel, zullen na verloop van tijd constateren dat de maag niet meer genoeg heeft aan eenvoudig voedsel. De maag verlangt dan naar voedsel dat steeds meer gekruid, steeds scherper en prikkelender is. Wanneer de zenuwen worden gestoord en het organisme verzwakt, schijnt de wil machteloos om het onnatuurlijke verlangen te weerstaan. Het tere slijmvlies van de maag wordt geprikkeld en raakt ontstoken tot het meest prikkelende voedsel geen verlichting meer geeft. Er wordt een dorst verwekt die alleen door alcohol gelest kan worden. Zelfbeheersing als beveiliging Ka 200 3 In de eerste plaats moet men zich hoeden tegen het begin van het kwaad. Bij het onderricht aan de jeugd moet vooral gewezen worden op het gevolg van de geringste afwijking van wat goed is. Leer de scholier de waarde van een eenvoudig, gezond diëet ter voorkoming van het verlangen naar onnatuurlijke stimulansen. Leer hen zich vroeg te oefenen in zelfbeheersing. De jeugd moet de gedachte bij gebracht worden dat ze meesters moeten zijn en geen slaven. Over het koninkrijk dat binnenin hen is, heeft God hen als heersers gesteld, en nu moeten zij het hun door de Hemel gegeven koningschap uitoefenen. Wanneer zulk onderricht trouw wordt gegeven, zullen de gevolgen ver buiten de jeugd zichtbaar zijn. Daarvan zullen invloeden uitgaan welke duizenden mannen en vrouwen aan de rand van de ondergang, zullen redden. Dieet en verstandelijke ontwikkeling Ka 201 1 Aan de verhouding van het diëet tot de verstandelijke ontwikkeling moet veel meer aandacht geschonken worden dan men tot nu toe heeft gedaan. Geestelijke verwarring en traagheid zijn vaak het gevolg van verkeerde voeding. Ka 201 2 Vaak wordt beweerd dat bij de keuze van het voedsel, de eetlust een veilige gids is. Dit zou waar zijn, wanneer de wetten der gezondheid altijd waren gehoorzaamd. Maar door verkeerde gewoonten die van geslacht op geslacht zijn overgegaan, is de eetlust zo verdorven geworden dat deze voortdurend verlangt naar een schadelijke bevrediging. Men kan daarop niet meer als gids vertrouwen. Voedingswaarde der spijzen Ka 201 3 Bij de studie der gezondheidsleer moet men de leerlingen de voedingswaarde van de verschillende voedingsmiddelen leren. Het gevolg van een geconcentreerd, prikkelend diëet, evenals van voedingsmiddelen met te weinig voedingsstoffen, moet duidelijk aangetoond worden. Thee en koffie, wittebrood, uitjes en augurken in azijn, grovere groentesoorten, zoetigheden, specerijen en gebak geven niet de juiste voeding. Menige scholier is ziek geworden door het gebruik van zulk voedsel. Menig zwak kind, niet in staat tot een krachtige inspanning van geest of lichaam, is het slachtoffer van een gebrekkig diëet. Granen, vruchten, noten en groenten, in de juiste samenstelling, bevatten al de voedingsstoffen, en wanneer ze op de juiste wijze worden bereid, vormen ze het diëet dat zowel de lichamelijke als de verstandelijke kracht op de beste wijze bevordert. Keuze, samenstelling Ka 201 4 Niet alleen moet aandacht geschonken worden aan de eigenschappen van het voedsel, maar ook of dit geschikt is voor de verbruiker. Vaak is voedsel dat geschikt is voor mensen die lichamelijke arbeid doen, niet geschikt voor hoofdarbeiders. Ook moet aandacht geschonken worden aan de juiste samenstelling van het voedsel. Hoofdarbeiders en degenen die zittend werk doen, moeten bij een maaltijd maar een zeer kleine verscheidenheid van spijzen gebruiken. Ka 201 5 Ook moet gewaakt worden tegen teveel eten, zelfs van het gezondste voedsel. De natuur kan niet meer verbruiken dan voor de opbouw van de verschillende lichaamsorganen nodig is, en overmaat schaadt het organisme. Bij zo menige scholier wordt verondersteld dat hij ziek geworden is van te zware studie, terwijl de ware oorzaak teveel eten is. Wanneer voldoende aandacht wordt geschonken aan de wetten der gezondheid, is er weinig gevaar voor een geestelijke overbelasting; maar in vele gevallen van zogenaamde geestelijke inzinking, is het de overbelasting van de maag die het lichaam vermoeit en de geest verzwakt. Regelmaat in eten en slapen Ka 202 1 In de meeste gevallen zijn twee maaltijden per dag te verkiezen boven drie. Wanneer het avondmaal gebruikt wordt op een vroeg uur, wordt de spijsvertering van het voorafgaande maal gestoord. Wanneer het later wordt genomen dan is het nog niet verteerd wanneer men naar bed gaat. Hierdoor krijgt de maag niet voldoende rust. De slaap is niet rustig, de hersenen en zenuwen zijn vermoeid, men heeft geen trek in het ontbijt, het gehele lichaam is niet verkwikt en niet gereed voor de dagelijkse plichten. Ka 202 2 De belangrijkheid van regelmaat wat betreft de tijd van eten en slapen moet men niet onderschatten. Aangezien het werk van de lichaamsopbouw plaats vindt gedurende de rusturen, is het noodzakelijk, vooral onder de jeugd, dat men regelmatig en overvloedig slaap krijgt. Gezellig samenzijn Ka 202 3 Zoveel mogelijk moeten we haastig eten vermijden. Hoe korter de tijd voor een maaltijd is, des te minder moet men eten. Het is beter een maaltijd over te slaan dan te eten zonder goed te kauwen. De maaltijd moet een tijd zijn van gezelligheid en verkwikking. Alles wat de ziel bezwaart of irriteert, moet gemeden worden. Vertrouwen, vriendelijkheid en dankbaarheid tegenover de Gever van alle goede dingen moeten gekoesterd worden en de conversatie moet opgewekt zijn met aangename gedachten, die verheffen zonder te vermoeien. Zegeningen van matigheid Ka 202 4 Van de toepassing van matigheid en regelmaat in alle dingen gaat een wonderbaarlijke macht uit. Dat zal meer doen dan onze omstandigheden of natuurlijke begaafdheden om die rustige en prettige sfeer tot stand te brengen welke zo veel bijdraagt om de weg des levens te effenen. Tegelijk zal men inzien dat de aldus verkregen macht tot zelfbeheersing een van de waardevolste eigenschappen is om met succes het hoofd te bieden aan de zware plichten en werkelijkheden die iedereen op zijn weg tegenkomt. Ka 203 1 De wegen der wijsheid "zijn liefelijke wegen en al haar paden zijn vrede" (Spr. 3:17). Laat een elk van de jeugd, met vóór zich de mogelijkheden van een roeping, hoger dan die van gekroonde vorsten, de les overdenken die besloten ligt in de woorden van de wijze man: "Heil u, o land .... welks vorsten maaltijd houden te rechter tijd, als mannen en niet als dronkaards!" (Pred. 10: 17). ------------------------Hoofdstuk 23--Ontspanning Ka 204 0 "Alles heeft zijn tijd." Ontspanning, vermaak Ka 204 1 Tussen ontspanning en vermaak is een verschil. Ontspanning versterkt en bouwt op. Door ons van onze dagelijkse zorgen en bezigheden weg te roepen, geeft ze verkwikking voor geest en lichaam en stelt ons aldus in staat met nieuwe kracht tot de ernstige levenstaak terug te keren. Vermaak daarentegen wordt gezocht ter wille van het plezier en leidt vaak tot excessen; het verbruikt de krachten die nodig zijn voor nuttige bezigheid en wordt een beletsel voor het ware levenssucces. Lichamelijke rust; het kind Ka 204 2 Het gehele lichaam is bestemd voor werkzaamheid en wanneer de lichaamskrachten niet in gezonde staat worden gehouden door actieve bezigheid, kunnen de geestelijke krachten niet langer gebruikt worden tot hun hoogste capaciteit. Het niet werkzaam zijn van het lichaam, in het schoollokaal welhaast onvermijdelijk, -- met andere ongezonde toestanden -- maakt dit lokaal voor kinderen, vooral voor hen met een zwakke gezondheid, tot een onaangename plaats. Vaak is de luchtverversing onvoldoende. Verkeerd gemaakte banken leiden tot onnatuurlijke houdingen en belemmeren aldus de werking van hart en longen. Hier moeten kleine kinderen van drie tot vijf uren per dag verblijven en ademen ze onzuivere lucht in, misschien wel geïnfecteerd door ziektekiemen. Dan is het geen wonder dat in het klaslokaal zo vaak de grond gelegd wordt voor een levenslange ziekte. De hersenen, het teerste van alle lichaamsorganen, welke de bron zijn van de zenuwkracht van het gehele organisme, lijden wel het meest daaronder. Terwijl ze tot voortijdige of overmatige activiteit gedwongen worden, en dat nog vaak onder ongezonde toestanden, worden ze verzwakt en vaak is het een blijvend kwaad dat daaruit voortkomt. Buitenleven voor kinderen Ka 204 3 Kinderen moeten niet te lang in afgesloten ruimten verblijven; ook mag men van hen niet eisen dat ze zich hard op hun studie toeleggen, voordat er een goede basis gelegd is voor hun lichamelijke ontwikkeling. Voor de eerste acht of tien levensjaren van een kind is het veld of de tuin het beste schoollokaal, de moeder de beste onderwijzeres, de natuur het beste leerboek. Zelfs wanneer het kind oud genoeg is om naar school te gaan, moet zijn gezondheid als van groter belang gezien worden dan kennis uit de boeken. Voor zijn lichamelijke en zijn geestelijke groei moet hij geplaatst worden onder de gunstigste omstandigheden. Lichamelijke rust; de scholier Ka 205 1 Het kind loopt niet enkel gevaar wat betreft gebrek aan lucht en beweging. Zowel op de middelbare als lagere scholen wordt wat voor de gezondheid noodzakelijk is, maar al te dikwijls verwaarloosd. Menige scholier zit dag aan dag in een afgesloten ruimte over zijn boeken gebogen, met zijn borst zo ineengedrongen dat hij niet vol en diep kan ademhalen, met koude voeten en een warm hoofd, terwijl zijn bloed traag stroomt. Omdat het lichaam niet voldoende wordt gevoed, verslappen de spieren en het gehele organisme ver-zwakt en wordt ziek. Vaak worden zulke scholieren invalide voor hun leven lang. Hadden ze hun studies onder juiste omstandigheden verricht, met regelmatige beweging in de zon en de open lucht, dan hadden ze de school, sterker naar lichaam en geest, verlaten. Uitwerking op het verstand Ka 205 2 De scholier die met beperkte tijd en middelen worstelt om een opleiding te verwerven, moet zich bewust zijn dat tijd besteed aan lichaamsoefeningen geen verloren tijd is. Wie zich voortdurend verdiept in zijn boeken zal na verloop van tijd ervaren dat de geest zijn frisheid heeft verloren. Wie juiste aandacht besteden aan lichaamsontwikkeling, zullen in hun studie grotere vorderingen maken dan wanneer ze hun gehele tijd aan de studie hadden besteed. Ka 205 3 Wanneer men zich uitsluitend bepaalt bij een enkele gedachtengang, raakt de geest vaak uit zijn evenwicht. Elk talent kan zonder gevaar geoefend worden, wanneer de verstandelijke en lichamelijke krachten even zwaar zijn belast en de onderwerpen van gedachte variëren. Zedelijke uitwerking Ka 206 1 Lichamelijke nonactiviteit verslapt niet alleen de verstandelijke, maar ook de zedelijke kracht. De hersenzenuwen die in verbinding staan met het gehele organisme, zijn het middel waardoor de hemel in verbinding staat met de mens en het innerlijke leven beïnvloedt. Wat de circulatie van de electrische stroom in het zenuwstelsel hindert, waardoor de vitale krachten verzwakken en de verstandelijke ontvankelijkheid vermindert, maakt het moeilijker om de zedelijke natuur op te wekken. Ka 206 2 Door vermeerdering van de bloedstroom naar de hersenen, doet overmatige studie een ziekelijke prikkelbaarheid ontstaan met de neiging om de kracht der zelfbeheersing te verminderen, waardoor men grillig en onberekenbaar wordt. Daaruit komt onreinheid voort. Het verkeerd gebruiken of niet gebruiken van de lichamelijke krachten is grotendeels verantwoordelijk voor de golf van zonde die de wereld overspoelt. "Hovaardij, zatheid van brood en zorgeloze rust" zijn evenzeer de doodsvijanden van de menselijke vooruitgang in dit geslacht als toen zij leidden tot de vernietiging van Sodom. Onderwijzers moeten deze dingen begrijpen en moeten hun leerlingen op dit gebied onderrichten. Leert de scholieren dat een goed geleid leven afhankelijk is van een goed geleid denken en dat lichamelijke inspanning absoluut nodig is voor reinheid van gedachten. Gymnastische oefeningen Ka 206 3 De vraag van doelmatige ontspanning voor hun leerlingen bereidt de onderwijzers heel vaak moeilijkheden. Gymnastische oefeningen nemen op tal van scholen een goede plaats in, maar zonder nauwlettend toezicht leiden ze vaak tot buitensporigheden. In het gymnastieklokaal heeft menigeen onder de jeugd, door zijn streven naar een staaltje van kracht of vlugheid, voor zijn leven lang een of ander letsel gekregen. Aard van de sportbeoefening Ka 206 4 Oefeningen in een gymnastieklokaal, hoe goed ook geleid, kunnen de ontspanning in de open lucht niet vervangen. Daarom moet op onze scholen naar iets beters worden uitgezien. De leerlingen hebben inspannende lichaamsoefeningen nodig. Er zijn weinig verkeerde dingen die meer gevreesd moeten worden dan traagheid en doelloosheid. Nochtans hebben zij, wie het welzijn van de jeugd ter harte gaat, zich vaak het hoofd gebroken over de aard van de atletische sportbeoefening. Onderwijzers voelen zich ongerust wanneer zij de invloed van zulk soort sport zowel op de vorderingen van de scholier op school als op zijn succes in het latere leven, zien. De spelen die zoveel van zijn tijd in beslag nemen, houden hem van de studie af. Ze doen niets om de jonge mensen voor te bereiden op hun praktische levenstaak. Zij oefenen geen invloed uit op beschaving, karakteradel, of ware mannelijkheid. Voetbalsport en bokssport Ka 207 1 Sommige zeer populaire sporten, zoals voetbal en boksen, ontaarden in ruwheid. Ze ontwikkelen dezelfde karaktereigenschappen als de spelen van het oude Rome. Heerszucht, het trots zijn op ruwe kracht, minachting voor het leven, oefenen op de jeugd een demoraliserende macht uit die verbijsterend is. Ka 207 2 Andere atletische spelen, niet zo ruw van aard, zijn nauwelijks minder verwerpelijk omdat ze tot excessen leiden. Zij prikkelen het verlangen naar vermaak en opwinding, en kweken zo tegenzin voor nuttige arbeid, neiging om praktische plichten en verantwoordelijkheden van zich af te schuiven. Op den duur bederven ze het genoegen voor de eenvoudige dingen des levens en de vreugden daarvan. Zo wordt de weg bereid voor losbandigheid en wetteloosheid met al de daaruit voortkomende verschrikkelijke gevolgen. Feestjes Ka 207 3 Zoals ze gewoonlijk geleid worden, zijn ook feestjes een belemmering voor de werkelijke groei, hetzij van de geest of van het karakter. Lichtzinnig gezelschap, verkwistend vermaak zoekende gewoonten, oefenen op het leven een zeer nadelige invloed uit. Ouders en onderwijzers kunnen heel veel doen om, inplaats van zulke amusementen, gezonde en nuttige ontspanning te geven. Eenvoudige gewoonten in vroegere eeuwen Ka 207 4 In deze gevallen, zoals in alle dingen die ons welzijn betreffen, heeft de Bijbel ons de weg gewezen. Onder het volk dat onder Gods leiding was gesteld, was het leven in vroegere tijden eenvoudig. Hun leven was zeer innig met de natuur verbonden. De kinderen hielpen de ouders in hun arbeid en leerden de schoonheden en de verborgenheden van de schatkamer der natuur kennen. En in de stilte van bos en veld verdiepten ze zich in die machtige waarheden die van het ene geslacht op het andere waren overgegaan. Zo'n opvoeding schiep sterke mensen. Ka 208 1 In deze tijd is het leven gekunsteld geworden en de mensen zijn ontaard. Al kunnen we niet geheel en al terugkeren tot de eenvoudige gewoonten van het verleden, toch kunnen we daaruit wel lessen trekken die van onze ontspanningsuren zullen maken wat de naam reeds zegt -- uren van ware opbouw wat betreft lichaam en ziel en geest. Bezigheden in de open lucht Ka 208 2 De omgeving van het huis en de school staat met het ontspanningsvraagstuk in nauw verband. Bij de keuze van een plaats voor het huis en de school moet men met deze dingen rekening houden. Wie het geestelijk en lichamelijk welzijn van meer belang achten dan geld of de eisen en de gewoonten der maatschappij, moeten er voor zorgen dat hun kinderen de zegen ontvangen van de lessen der natuur en van ontspanning temidden van de natuur. Het zou in het belang van het opvoedingswerk zijn wanneer elke school zo was gelegen dat voor de scholieren land ter bebouwing beschikbaar was, met toegang tot bos en veld. Medewerking van de onderwijzer Ka 208 3 Op het gebied van ontspanning voor de scholier zullen de beste resultaten verkregen worden door de persoonlijke medewerking van de onderwijzer. De goede leraar kan zijn scholier weinig gaven schenken, zo waardevol als de gave van zijn persoonlijk gezelschap. Het is waar dat wij mannen en vrouwen en hoeveel te meer jonge mensen en kinderen, alleen kunnen begrijpen als er een band van sympathie bestaat; en we moeten hen begrijpen om hen zo goed mogelijk te kunnen helpen. Om de band van sympathie tussen onderwijzer en leerling te versterken zijn er weinig middelen zo doeltreffend als de prettige omgang buiten het schoollokaal. Op scholen is tijdens de ontspanningsuren de onderwijzer altijd bij zijn leerlingen. Hij is in alle opzichten één met hen in hun streven, vergezelt hen op hun excursies en schijnt zich geheel met hen te vereenzelvigen. Het zou voor onze scholen heel goed zijn wanneer deze gewoonte overal werd nagevolgd. Het zou voor de leraar een grote opoffering zijn, maar hij zou rijk beloond worden. Hulpvaardigheid aanmoedigen Ka 209 1 Geen ontspanning, enkel ten bate van henzelf, zal voor kinderen en jonge mensen zó'n grote zegen afwerpen als die welke hen behulpzaam maakt ten opzichte van anderen. Van nature enthousiast en ontvankelijk, is de jeugd gauw bereid op een ingeving te reageren. Wanneer plannen gemaakt worden om planten te gaan kweken, kan de onderwijzer proberen belangstelling te wekken om het schoolterrein en het klaslokaal met bloemen te versieren. Dit zal een dubbel voordeel opleveren. Wat de scholieren willen gaan verfraaien, zullen ze nooit vuil willen maken. Een verfijnde smaak, ordelievendheid en zorgzaamheid zullen worden aangemoedigd, en de geest van kameraadschap en samenwerking die ontwikkeld wordt, zal voor de leerlingen altijd een zegen blijken te zijn. Ka 209 2 Zo kan ook een nieuwe belangstelling voor de arbeid in de tuin of voor de excursies naar bos of veld gewekt worden, wanneer de scholieren worden aangemoedigd diegenen te gedenken die van al dat schoons zijn verstoken, om met hen het mooie van de natuur te delen. Ka 209 3 De oplettende onderwijzer zal tal van gelegenheden vinden om de scholieren te wijzen waar ze behulpzaam kunnen zijn. Vooral kleine kinderen staan tegenover de onderwijzer met eerbied en het grootste vertrouwen. Wat hij ook zal voorstellen -- bijvoorbeeld thuis behulpzaam te zijn, het dagelijkse werk trouw te verrichten, zieken en armen te dienen -- kan niet nalaten vruchten voort te brengen. En ook op die manier wordt een tweevoudige winst verkregen. Het vriendelijke voorstel zal ook zijn terugslag hebben op de ontwerper daarvan. Dankbaarheid en medewerking van de kant der ouders zullen de last van de onderwijzer lichter maken en zijn weg verlichten. Een beveiliging tegen het kwaad Ka 209 4 De aandacht geschonken aan lichaamscultuur en ontspanning zal zonder twijfel soms de geregelde gang van zaken op school onder breken; maar die onderbreking zal geen hinder blijken te zijn. Wat betreft de versterking van lichaam en geest, het aankweken van een onzelfzuchtige geest en de verbondenheid tussen de leerling en de onderwijzer door gemeenschappelijke belangstelling en vriendelijke omgang, zal het geven van tijd en inspanning honderdvoudig belonen. De rusteloze energie, die voor de jeugd zo vaak een bron van gevaar is, zal zich kunnen uiten tot zegen voor anderen. Wanneer de gedachten bij het goede worden bepaald is dat een betere beveiliging tegen het kwade dan talloze tuchtmiddelen. ------------------------Hoofdstuk 24--Opleiding tot handenarbeid Ka 211 0 "Wij vermanen u.... met uw handen te werken." Arbeid een zegen Ka 211 1 Bij de schepping was de arbeid bedoeld als een zégen. Het betekende ontwikkeling, kracht, geluk. De veranderde toestand der aarde door de vloek der zonde heeft een verandering in de arbeidsomstandigheden gebracht; en toch, hoewel de arbeid samen gaat met vrees, moeiten en zorgen, is hij nog steeds een bron van geluk en ontwikkeling. En ook is hij een beveiliging tegen verzoeking. De tucht die daarvan uitgaat, werkt remmend op genotzucht en bevordert vlijt, reinheid en vastberadenheid. Zo wordt de arbeid een deel van Gods grote plan voor ons herstel uit de zondeval. Arbeid adelt Ka 211 2 De jeugd moet de adel van de arbeid leren inzien. Laat hen zien dat God altijd werkt. Alle dingen in de natuur verrichten de hun opgelegde taak. Werkzaamheid bezielt de ganse schepping en om onze taak te vervullen moeten ook wij actief zijn. Gods medearbeiders Ka 211 3 In ons werk zijn we Gods medearbeiders. Hij geeft ons de aarde en haar schatten; maar we moeten die geschikt maken voor ons nut en gemak. Hij doet de bomen groeien, maar wij maken daar hout van om ons huis te bouwen. In de aarde heeft Hij verborgen het goud en zilver, het ijzer en de kolen; maar alleen door arbeid kunnen wij dat verkrijgen. Ka 211 4 Laat zien dat, terwijl God alle dingen geschapen heeft en voortdurend in stand houdt, Hij ons een macht geschonken heeft, die niet geheel ongelijk is aan de Zijne. Over de krachten der natuur is ons in zekere mate de macht gegeven om die te beheersen. Zoals God uit de chaos de aarde in haar schoonheid tevoorschijn riep, kunnen wij uit de verwarring orde en schoonheid tevoorschijn brengen. En hoewel alle dingen door de zonde zijn bevlekt, voelen wij na gedane arbeid een vreugde, gelijk aan de Zijne toen Hij Zijn ogen liet gaan over de schone aarde en zei dat ze "zeer goed" was. Ka 211 5 In de regel wordt de beste beweging voor de jeugd gevonden in nuttige bezigheid. Door het spel ontwikkelt het kleine kind zich en vindt daarin ook afleiding; en al zijn spelen moeten van die aard zijn dat ze niet alleen de lichamelijke, maar ook de verstandelijke en geestelijke groei bevorderen. Wanneer hij sterk en verstandig wordt, zal de beste ontspanning gevonden worden in een of andere bezigheid die nuttig is. Wat de hand oefent tot nuttige arbeid, en de jeugd leert om de lasten des levens mee te helpen dragen, bevordert het best de groei van geest en karakter. Een noodzakelijke tucht Ka 212 1 De jeugd moet beseffen dat leven vlijtige arbeid, verantwoordelijkheid en plichtsbesef betekent. Zij hebben een opleiding nodig die van hen praktische mannen en vrouwen maakt, die moeilijkheden het hoofd weten te bieden. Zij moeten leren dat de tucht tot systematische, geregelde arbeid noodzakelijk is, niet alleen als een beveiliging tegen de wisselvalligheden van het leven, maar als hulp tot een veelzijdige ontwikkeling. Nietsdoen veroorzaakt verwording Ka 212 2 Ondanks alles wat gezegd en geschreven is over de waardigheid van de arbeid, overheerst het gevoel dat hij vernedert. Jonge mannen willen liever leraar, boekhouder, koopman, dokter, advocaat worden of een of andere positie innemen, die geen lichamelijke arbeid vereist. Jonge vrouwen voelen niets voor het huishoudelijk werk en zoeken een andere opleiding. Zij moeten allen leren dat geen man of vrouw zich vernedert door eerlijke handenarbeid. Wat vernedert is nietsdoen en zelfzuchtige afhankelijkheid. Nietsdoen bevordert de zelfgenoegzaamheid, en het resultaat is een leeg, onvruchtbaar leven -- een veld dat open ligt voor de groei van alle boosheid. "De grond die de regen welke er telkens opvalt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking die uitloopt op verbranding" (Hebr. 6: 7, 8). Kennis van de dagelijkse plichten Ka 212 3 Vele leervakken die de tijd van de scholier in beslag nemen, dragen maar weinig bij tot zijn bruikbaarheid en geluk; maar wel is nodig dat elke jongen of meisje in de jeugdjaren gedegen kennis van de dagelijkse plichten bezit. Het is niet direct nodig dat een meisje frans of algebra leert, of pianoles krijgt; maar het is absoluut nodig dat ze leert goed brood te bakken, goed zittende kleren te maken, en al die kleine plichten weet te doen die tot het huishouden behoren. Ka 213 1 Voor de gezondheid en het geluk van het hele gezin is niets van zo vitaal belang als verstand en bekwaamheid bij degene die het eten bereidt. Zij kan door slecht bereide, ongezonde spijzen niet alleen de bruikbaarheid van de volwassenen, maar ook de ontwikkeling van het kind belemmeren. Maar wanneer ze spijzen bereidt die voorzien in de behoeften van het lichaam en die er tegelijkertijd aanlokkelijk en smakelijk uitzien, kan ze evenveel bereiken in de goede richting, als ze anders bereikt zou hebben in de verkeerde richting. Zo houdt levensgeluk op tal van manieren nauw verband met getrouwheid in de dagelijkse plichten. Ka 213 2 Omdat man en vrouw beiden hun deel doen in de stichting van een gezin, moeten zowel jongens als meisjes kennis van de huishoudelijke plichten hebben. Een bed opmaken en een kamer opruimen, borden wassen, een maal bereiden, zijn eigen kleren wassen en herstellen, is een arbeid die geen enkele jongeman minder mannelijk zal maken; het zal hem integendeel gelukkiger en bruikbaarder maken. En wanneer op hun beurt meisjes zouden leren een paard in'te spannen en te mennen, zaag en hamer te gebruiken en ook de hark en de schoffel, dan zouden ze beter in staat zijn de moeilijkheden van het leven het hoofd te bieden. Eert de arbeider Ka 213 3 De kinderen en jonge mensen kunnen uit de Bijbel leren hoe God het dagelijks werk heeft geëerd. Ze moeten eens lezen van de "zonen der profeten" (2 Kon. 6:1-7), scholieren op school die voor zichzelf een huis bouwden en voor wie een wonder werd verricht om een geleende bijl, die verloren was geraakt, weer te voorschijn te brengen. Laat ze eens lezen van Jezus de timmerman en Paulus de tentenmaker, die de hoogste menselijke en goddelijke dienst verbonden met het werk van een arbeider. Ook moeten ze eens lezen van de jongen wiens vijf broden door de Heiland werden gebruikt in dat grote wonder om de duizenden te spijzigen; van Dorkas, de naaister, die uit de dood werd opgewekt opdat zij kon doorgaan met het maken van kleren voor de armen; van de wijze vrouw, beschreven in Spreuken die "bezig is met wol en vlas en werkt met vaardige handen", die "haar huis het voedsel geeft, haar dienstmaagden haar deel", die "een wijngaard plant" (Spr. 31:13,15,16).... en "haar armen versterkt"; die "haar hand uitbreidt naar de ellendige; ja, haar handen uitstrekt naar de nooddruftige", die "toezicht houdt op de gang van haar huishouding en het brood der traagheid niet eet" (Spr. 31:17,20,27). Ka 214 1 Van zo iemand zegt God: "Zij is te prijzen. Geeft haar van de vrucht harer handen, dat haar daden haar roemen in de poorten" (Spr. 31:30,31). De eerste ambachtsschool Ka 214 2 Voor elk kind moet het ouderlijk huis de eerste ambachtsof huishoudschool zijn. En dan moet zo veel mogelijk elke school mogelijkheid tot handenarbeid geven. Zo'n opleiding zou grotendeels de plaats van het gymnastieklokaal innemen en bovendien van nut zijn door het bevorderen van een waardevolle tucht. Scholen voor handenarbeid Ka 214 3 Aan de opleiding tot handenarbeid moet veel meer aandacht besteed worden dan ze tot nu heeft ontvangen. Scholen moeten gesticht worden die, behalve de hoogste verstandelijke en zedelijke vorming, de beste middelen voor lichamelijke ontwikkeling en voor een vakopleiding bieden. Daar moet les worden gegeven in landbouw, in verschillende ambachten -- waartoe zoveel mogelijk de nuttigste vakken behoren -- en ook in de huishoudkunde, koken van gezonde spijzen, naaien, het maken van kleren, verzorging van zieken en dergelijken. Daar moeten dus akkers, werkplaatsen, zieken-kamers zijn en het werk op elk gebied moet onder leiding staan van bekwame leerkrachten. Het leren van een vak Ka 214 4 Het werk moet een bepaald doel hebben en moet grondig gedaan worden. Hoewel het goed is dat ieder van verschillende vakken enige kennis bezit, is het toch absoluut nodig dat men zich op minstens één vak speciaal toelegt. Elke jongeman die de school verlaat, moet een of ander vak of beroep kennen, waarmede hij zo nodig zijn brood kan verdienen. Kosten Ka 215 1 Vaak wordt tegen het ambachtsonderwijs op school het bezwaar geopperd dat er zoveel kosten mee gepaard gaan. Maar het doel dat bereikt wordt, is de kosten waard. Geen ander ons opgedragen werk is zo belangrijk als de opvoeding van de jeugd en alle kosten die voor de juiste uitvoering daarvan besteed worden, zijn wel besteed. Zelfs uit het oogpunt van de financiële resultaten, zullen de kosten besteed aan de opleiding tot handenarbeid de beste besparing blijken te zijn. Velen van onze jongens zouden op deze wijze van de straathoeken en uit de café's gehouden worden; de gelden, uitgegeven voor akkers, werkplaatsen en baden zouden meer dan verantwoord zijn door wat uitgespaard wordt op ziekenhuizen en tuchtscholen. En wie kan de waarde van de jeugd voor de mensheid en het volk schatten wanneer ze worden opgeleid om nuttige, productieve arbeid te verrichten? Landbouw Ka 215 2 Bezigheden, verricht in de open lucht, die het gehele lichaam in actie brengen, vormen de beste ontspanning na de studie. Geen handenarbeid is van meer waarde dan landbouw. Er moet veel meer gedaan worden om belangstelling voor landbouwwerk te wekken en aan te moedigen. Laat de leraar de aandacht der scholieren vestigen op wat de Bijbel aangaande de landbouw zegt, namelijk dat het Gods bedoeling was dat de mens de aarde zou bewerken; dat aan de eerste mens, de heerser over de gehele wereld, een hof werd gegeven om die te bebouwen; en dat velen van de groten der wereld zich niet geschaamd hebben om de grond te bewerken. Wijst op de kansen die een dergelijk leven bieden. De wijze Salomo zegt: "Een voordeel voor het land bij dit alles is een koning die de akkerbouw begunstigt" (Pred. 5 : 8). Van degene die de grond bebouwt, zegt de Bijbel: "Zijn God onderricht hem over de juiste wijze en onderwijst hem". En verder: "Wie de vijgeboom verzorgt, geniet de vrucht" (Jes. 28 : 26; Spr. 27 : 18). Wie zijn brood verdient door de akkerbouw ontkomt aan vele verzoekingen en geniet ontelbare voorrechten en zegeningen, waarvan degenen die hun werk in de grote steden hebben, verstoken blijven. En in deze dagen van enorme concerns en van concurrentie op zakelijk gebied zijn er maar weinigen die zich zo in een werkelijke onafhankelijkheid kunnen verheugen en de zekerheid hebben dat ze vruchten op hun arbeid zullen ontvangen als de landbouwer. Het onderricht moet ook praktisch zijn Ka 216 1 Aan de scholieren moet ten aanzien van de landbouw niet enkel theoretisch, maar ook praktisch onderricht worden gegeven. Terwijl zij in zich opnemen wat de wetenschap leert aangaande de natuur en de bewerking van de grond, de waarde van de verschillende gewassen en de beste productiemethoden, moeten ze hun kennis ook leren gebruiken. De leraars moeten de scholieren bij hun landbouwwerk helpen en laten zien welke resultaten door bekwame, verstandige werkwijze verkregen worden. Zo zal oprechte belang-stelling en lust gewekt worden om het werk zo goed mogelijk te doen. Met de versterkende werking van de arbeid in de open lucht, zonneschijn en frisse lucht, zal zo'n streven liefde voor het landbouwwerk wekken, waardoor menige jonge man dit werk als beroep zal kiezen. Zo zullen zich invloeden doen gelden welke de grote en sterke stroom van arbeiders van het platteland naar de steden zullen keren. Voor de werklozen Ka 216 2 Zo zouden onze scholen ook kunnen meehelpen om de vele werklozen bezigheid te verschaffen. Duizenden hulpeloze, hongerende mensen, van wie dagelijks sommigen in de rijen der misdadigers worden opgenomen, zouden in een gelukkig, gezond, onafhankelijk leven zelfstandig kunnen worden, indien ze zouden leren bekwaam en ijverig de grond te bewerken. Handenarbeid voor mensen van elk beroep Ka 216 3 Ook hoofdarbeiders in het algemeen moeten de zegen van de handenarbeid leren kennen. Iemand kan een briljante geest hebben; hij kan vaardig zijn in het ontwerpen van ideeën; zijn kennis en geschiktheid mogen hem de toelating tot ambt of beroep verzekeren dat hij gekozen heeft; toch zal hij misschien nog lang niet die geschiktheid bezitten om aan de eisen van dat ambt of beroep te voldoen. Een scholing, enkel verkregen uit boeken, leidt tot oppervlakkig denken. Praktisch werk houdt een aanmoediging in tot scherpe waarneming en onafhankelijk denken. Wanneer dat op de juiste wijze wordt verricht, leidt het tot ontwikkeling van praktische wijsheid, welke wij gezond verstand noemen. Het ontwikkelt een talent om plannen te maken en uit te voeren, schenkt moed en volharding, en brengt de mens er toe om takt en vaardigheid aan de dag te leggen. Ten zegen voor de dokter Ka 217 1 De arts die door zijn praktische werkzaamheid in de ziekenkamer een fundament voor zijn beroepservaring heeft gelegd, zal snel inzicht en veelzijdige kennis hebben, en bekwaamheid om in noodgevallen direct op de juiste wijze in te grijpen -- allemaal noodzakelijke eigenschappen die enkel door praktische oefening verkregen worden. Voor de predikant, zendeling, leraar Ka 217 2 De predikant, de zendeling, de leraar zullen zien dat hun invloed bij de mensen sterk toeneemt, wanneer blijkt dat zij de kennis en de vaardigheid bezitten voor de praktische plichten van het dagelijkse leven. En het succes, en misschien zelfs wel het leven van de zendeling, hangen vaak af van zijn kennis van praktische dingen. Te kunnen koken, bij ongevallen en rampen handelend op te treden, ziekten te behandelen, een huis of zelfs een kerk te bouwen als dat nodig is -- dat alles bepaalt vaak het verschil tussen succes en mislukking in zijn levenswerk. Scholieren die hun schoolgeld verdienen Ka 217 3 Vele scholieren zouden tijdens hun studie een waardevolle opleiding verkrijgen wanneer ze hun levensonderhoud zelf verdienden. In plaats van schulden te krijgen of aangewezen te zijn op de zelfverloochening van hun ouders, moeten jonge mannen en vrouwen leren op zichzelf te vertrouwen. Zo zullen zij de waarde van het geld, de waarde van de tijd, kracht en de kansen die zij hebben, leren kennen, en veel minder in verzoeking komen om aan ijdele en verkwistende gewoonten toe te geven. De lessen van spaarzaam-heid, vlijt, zelfverloochening, praktisch zakelijk beheer en volharding, aldus verkregen, zullen een zeer belangrijk onderdeel van hun uitrusting voor de strijd des levens blijken te zijn. En de les om zichzelf te helpen, die de scholier leert, zou de onderwijsinstellingen er voor bewaren in schulden te komen waarmee zo vele scholen te kampen hebben en waardoor ze zo vaak tot beperkingen zijn gedwongen. Ka 218 1 Prent de jeugd in dat hun opvoeding er niet toe dient hun te leren hoe ze aan 's levens onaangename taken en zware lasten kunnen ontkomen, maar dat het doel daarvan is het werk te verlichten door het leren van betere methoden en hogere doelstellingen. Leer de scholieren dat het ware levensdoel niet is voor zichzelf zo veel mogelijk winst te maken, maar hun Schepper te eren door hun deel te doen in het werk der wereld en de behulpzame hand te bieden aan hen die zwakker en onwetender zijn. Nauwgezetheid en gedegenheid Ka 218 2 Een van de voornaamste oorzaken, waarom men zo vaak op lichamelijke arbeid neerziet, is de nalatige en onnadenkende wijze, waarop dat werk vaak wordt gedaan. Het wordt gedaan uit noodzaak en niet uit vrije keuze. De arbeider doet het werk niet met geestdrift en zo heeft hij geen zelfrespect en ontvangt ook geen respect van anderen. De opleiding tot handenarbeid moet deze dwaling wegnemen. Die opleiding moet gewoonten van nauwgezetheid en degelijkheid aankweken. Scholieren moeten leren bij hun arbeid taktisch en systematisch te werk te gaan. Zij moeten leren tijd te sparen en elke kracht op de beste wijze te gebruiken. Zij moeten niet alleen onderricht ontvangen ten aanzien van de beste methoden, maar ook met lust bezield worden om die steeds te vervolmaken. Het moet hun doel worden om hun werk zo volmaakt te doen als menselijke hersenen en handen maar kunnen. Meesters in de arbeid Ka 218 3 Zo'n opleiding zal van de jeugd wat het werk betreft meesters en geen slaven maken. Zij zal het lot van de harde zwoegers verlichten, en zal zelfs de nederigste arbeid veredelen. Wie het werk louter als geestdodend beziet en daaraan begint met een zelfgenoegzame onwetendheid, zonder de lust daarin verbetering te brengen, zal het inderdaad een last vinden. Maar zij die in het nederigste werk een wetenschap zien, zullen daarin de nobelheid en schoonheid zien, en door dat werk trouw en doelmatig te doen, zullen zij er vreugde in vinden. Ka 219 1 Wanneer een jonge man zo wordt opgeleid, zal hij, wat ook zijn roeping in het leven is en zo lang hij eerlijk blijft, zijn werk op nuttige en eervolle wijze verrichten. Karaktervorming Ka 219 2 "Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model, dat u daarvan op de berg getoond is." ------------------------Hoofdstuk 25--Opvoeding en karakter Ka 223 0 "Uw tijden zullen bestendig zijn, een rijkdom van heil, wijsheid en kennis." Karakter het hoogste doel Ka 223 1 Een goede opvoeding erkent de waarde van wetenschappelijke kennis of literaire talenten; maar hoger dan kennis waardeert ze macht; en hoger dan macht, goedheid; hoger dan verstandelijke gaven, karakter. De wereld heeft niet zozeer gebrek aan mannen van groot intellect als aan mannen met een nobel karakter. Ze heeft mannen nodig wier talenten beheerst worden door standvastige beginselen. Ka 223 2 "Het begin der wijsheid is: verwerf wijsheid". "De tong der wijzen brengt degelijke kennis voort" (Spr. 4: 7; 15 :2). Een juiste scholing verschaft deze wijsheid. Zij leert het beste gebruik niet van één, maar van al onze vermogens en talenten. Op deze wijze omvat de opvoeding de gehele kring van onze verplichtingen, n.l. tegenover onszelf, tegenover de wereld, en tegenover God. Uitzicht voor onze jeugd Ka 223 3 Karaktervorming is het belangrijkste werk, ooit aan menselijke wezens toevertrouwd en nooit te voren was een nauwkeurige studie daarvan van zo groot belang als nu. Nooit is een vroeger geslacht geroepen om werken van zo'n geweldige omvang onder de ogen te zien; nooit eerder werden jonge mannen en vrouwen gesteld tegenover gevaren zo groot als waar tegenover ze zich heden geplaatst zien. Gevaren op schoot Ka 223 4 Wat is het streven van de opvoeding in een tijd als deze? Op welke beweegreden wordt het meest een beroep gedaan? -- Op zelfzucht. Veel van de opvoeding die gegeven wordt, doet de naam schande aan. In ware opvoeding vindt men een invloed tegen zelfzuchtige ambitie, begeerte naar macht, minachting voor de rechten en noden der mensheid, welke een vloek zijn voor onze wereld. Wedijver Ka 223 5 Gods plan voor het leven biedt een plaats voor elk menselijk wezen. Iedereen moet zijn talenten tot het uiterste ontwikkelen; of hij veel of weinig bezit, als hij trouw zijn plicht doet, heeft hij recht op eer. In Gods plan is geen plaats voor zelfzuchtige wedijver. "Die zich afmeten naar zichzelf en zich vergelijken met zichzelf' "zijn niet wijs". Wat wij ook doen, moet gedaan worden "als uit kracht door God verleend". Het moet gedaan worden "van harte, als voor de Here en niet voor mensen; gij weet toch dat gij van de Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als heer" (2 Cor. 10 : 12; l Petr.4:ll; Col. 3 :23, 24). Van bijzondere waarde is het gedane werk en de scholing die men verkrijgt wanneer men zich houdt aan deze beginselen. Maar hoe geheel anders is de opvoeding die nu gegeven wordt! Vanaf de vroegste jaren wordt bij het kind een beroep gedaan op wedijver en rivaliteit; zelfzucht wordt daardoor aangekweekt, wat de wortel is van alle kwaad. Ka 224 1 Zo ontstaat er een strijd om de hoogste plaats en wordt het syteem van "inpompen" aangemoedigd, hetgeen in zo vele gevallen de gezondheid aantast en de bruikbaarheid niet bevordert. In tal van gevallen leidt wedijver ook tot oneerlijkheid, en door eerzucht en ontevredenheid aan te kweken, verbittert de wedijver het leven en draagt ertoe bij de wereld te bevolken met die rusteloze, woelige geesten die voor de maatschappij een voortdurende bedreiging vormen. Het gevaar ligt niet enkel in de methoden. Dat wordt ook gevonden in het onderwijsmateriaal. Heidense schrijvers Ka 224 2 Op welke werken worden tijdens de ontvankelijkste levensjaren de gedachten van jonge mensen gericht? Uit welke bronnen wordt de jeugd geleerd te drinken bij hun taalen literaire studie? -- Uit de bronnen van het heidendom; uit fonteinen die gevoed worden door het verderf van het oude heidendom. Zij moeten schrijvers lezen van wie gezegd wordt dat ze geen achting hebben voor de beginselen der moraliteit. Ka 224 3 En van hoeveel hedendaagse schrijvers kan niet hetzelfde worden gezegd! Bij hoe velen zijn niet stijl en taalschoonheid slechts een vermomming van de beginselen die in hun wezenlijke mismaaktheid de lezer zouden afstoten! Romans Ka 224 4 Bovendien zijn er nog tal van romanschrijvers die in het rijk der verbeelding tot liefelijke dromen lokken. En al mag men die schrijvers niet openlijk beschuldigen van immoraliteit, toch prikkelen hun werken niet minder tot het kwade. Duizenden en duizenden worden daardoor beroofd van tijd, energie en zelftucht die zo nodig zijn voor de ernstige levensproblemen. Valse wetenschap Ka 225 1 In de doorgaans gevolgde lijn van de wetenschappelijke studie, doen zich even grote gevaren voor. Evolutieleer en soortgelijke dwalingen worden op scholen vanaf de kleuterschool tot de universiteit geleerd. Op die wijze wordt de studie van de wetenschap die eigenlijk tot het kennen van God moest leiden, zodanig vermengd met de speculaties en theorieën van mensen dat daaruit ongeloof ontstaat. ,,Hogere kritiek" Ka 225 2 Zelfs de Bijbelstudie, zoals die vaak op scholen wordt gehouden, berooft de wereld van de kostbare schat van Gods Woord. Het werk van de "hogere kritiek", met zijn ontleding, zijn gissing, zijn vervorming, vernietigt het geloof in de Bijbel als een goddelijke openbaring; zij berooft Gods Woord van de kracht om het leven van de mens te beheersen, te verheffen en te bezielen. Gevaren in de wereld Ka 225 3 Wanneer de jeugd de wereld ingaat om daar de verlokkingen van de zonde het hoofd te bieden -- de hartstocht naar geld, naar vermaak en uitspattingen, uiterlijk vertoon, weelde en verkwisting, bedrog, diefstal en corruptie -- welke geestelijke stromingen zullen zich dan voordoen? Ka 225 4 Het spiritisme beweert dat mensen niet-gevallen halfgoden zijn; dat "elke geest zichzelf zal richten", dat "ware kennis de mensen plaatst boven alle wetten"; dat "alle bedreven zonden onschuldig zijn"; want "wat is, is goed", en "God veroordeelt niet". Van de slechtste mensen wordt gezegd dat ze in de hemel zijn en daar bijzonder worden vereerd. Daarom houdt het alle mensen voor: "het hindert niet wat je doet, leef zoals je wilt, de hemel is je thuis". Vele mensen gaan daardoor geloven dat verlangen de hoogste wet is, dat losbandigheid vrijheid is en dat de mens alleen zichzelf rekenschap verschuldigd is. Ka 226 1 Wanneer men zulke leerstellingen tegenkomt juist in het begin van het leven, wanneer de impulsen het sterkst en zelfbeheersing en reinheid het allermeest nodig zijn, waar zijn dan de beveiligingen van de deugd? Wat moet de wereld ervoor bewaren een tweede Sodom te worden? Wetteloosheid Ka 226 2 Te zelfder tijd probeert de anarchie alle wetten, niet alleen de goddelijke maar ook de menselijke, weg te vagen. De opeenhoping van rijkdom en macht; de grote concerns om weinigen te verrijken ten koste van de velen; het verbond van de minder bedeelden ter verdediging van hun belangen en eisen; de geest van onrust, van opstand en bloedvergieten; de wereldwijde verspreiding van dezelfde leuzen die leidden tot de Franse Revolutie, dat alles schijnt de gehele wereld te verwikkelen in een strijd gelijk aan die welke Frankrijk in beroering bracht. Ka 226 3 Dat zijn de invloeden waar tegenover de jeugd van heden zich gesteld ziet. Om te midden van zulke beroeringen staande te blijven, moeten de jonge mensen nu de grondslagen voor het karakter leggen. De grondslag voor het karakter Ka 226 4 In elk geslacht en in elk land is het ware fundament en voorbeeld tot karaktervorming hetzelfde geweest. De goddelijke wet, "Gij zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart.... en uw naaste als uzelf", (Luc. 10:27) het grote beginsel, geopenbaard in het karakter en het leven van onze Heiland, is het enige, veilige fundament en de enige betrouwbare gids. Ka 226 5 "Uw tijden zullen bestendig zijn, een rijkdom van heil, wijsheid en kennis" (Jes. 33 : 6) die wijsheid en kennis welke alleen Gods Woord kan schenken. Gods geboden Ka 226 6 Het is evenzeer waar in deze tijd als toen tot Israël de woorden werden gesproken om Zijn geboden te gehoorzamen: "Dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken" (Deut. 4:6). Ka 226 7 Hier is de enige bescherming voor de persoonlijke onkreukbaarheid, voor reinheid van het gezin, het welzijn van de samenleving, of de stabiliteit van de natie. Te midden van alle moeilijkheden en gevaren des levens en de met elkaar in botsing komende stromingen, is de enige veilige en zekere levensregel te doen wat God zegt. "De bevelen des Heeren zijn waarachtig", en "wie zo handelt, zal nimmer wankelen". (Ps. 19 :9; 15 :5). ------------------------Hoofdstuk 26--Onderwijsmethoden Ka 228 0 "Om de onverstandige schranderheid, de jongeling kennis en bedachtzaamheid te geven." Oefening van het geheugen Ka 228 1 Eeuwen lang heeft de opvoeding hoofdzakelijk te doen gehad met het geheugen. Dit vermogen werd tot het uiterste belast, terwijl de andere verstandelijke krachten niet overeenkomstig ontwikkeld werden. Scholieren hebben hun tijd besteed met het overladen van hun geest met kennis, waarvan maar heel weinig in toepassing gebracht kon worden. Het verstand, aldus overladen met hetgeen het niet kan verwerken of in zich opnemen, wordt verzwakt; het is niet meer in staat zich krachtig en zelfstandig in te spannen en stelt zich tevreden met af te gaan op het oordeel en de waarneming van anderen. Niet in staat om te onderscheiden Ka 228 2 Toen de gebreken van deze methode werden geconstateerd, zijn sommigen tot het andere uiterste overgegaan. Volgens hun inzicht moet de mens enkel dat ontwikkelen wat binnen in hem is. Een dergelijke opleiding brengt de scholier tot zelfgenoegzaamheid, waardoor hij afgesneden wordt van de bron van ware kennis en macht. De opvoeding die bestaat in het oefenen van het geheugen, met de neiging om zelfstandig denken te verwaarlozen, heeft een zedelijke draagwijdte die te weinig wordt erkend. Wanneer de scholier de kracht om voor zichzelf te denken en te oordelen opoffert, wordt hij onbekwaam om onderscheid te maken tussen waarheid en dwaling en wordt dan een al te makkelijke prooi van de misleiding. Hij komt er gemakkelijk toe om overlevering en gewoonte na te volgen. Het is een bijna algemeen over het hoofd gezien feit, nochtans niet zonder gevaar dat de dwaling zich zelden voordoet zoals ze in werkelijkheid is. Juist omdat zij met de waarheid vermengd of verbonden is, wordt de dwaling aangenomen. Het eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads veroorzaakte de ondergang van onze stamouders en het aanvaarden van een vermenging van goed en kwaad is de ondergang van de mensen heden ten dage. Het verstand dat zich verlaat op het oordeel van anderen zal vroeg of laat misleid worden. Rede en geloof Ka 229 1 Het vermogen om onderscheid te zien tussen goed en kwaad, kunnen we alleen bezitten door een persoonlijke afhankelijkheid van God. Iedereen moet voor zichzelf van Hem leren door Zijn Woord. Onze verstandelijke vermogens werden ons gegeven om te gebruiken en God wil dat we die oefenen.,, Komt toch en laat ons tezamen richten," (Jes. 1: 18) luidt Zijn uitnodiging tot ons. Door op Hem te betrouwen kunnen we wijsheid verkrijgen om "het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen". (Jac. 1:5; Jes. 7 :15). Persoonlijke ontwikkeling Ka 229 2 Bij de goede onderwijsmethode is het persoonlijke element noodzakelijk. In Zijn onderwijs hield Christus zich met de mensen persoonlijk bezig, Hij leidde de twaalf discipelen op door persoonlijk contact en omgang. Het was in particulier onderhoud, vaak soms met één luisteraar, dat Hij Zijn kostbaarste onderwijzingen gaf. Voor de geëerde Rabbi tijdens het nachtelijke gesprek op de Olijfberg, voor de verachte vrouw bij de bron van Sichar legde Hij zijn rijkste schatten bloot; want bij deze toehoorders onderscheidde Hij het gevoelige hart, het onbevooroordeelde verstand, de ontvankelijke geest. Zelfs de menigte die zich zo vaak om Hem verdrong, was voor Christus geen niet te onderscheiden massa van menselijke wezens. Hij sprak rechtstreeks tot elk verstand en deed een beroep op ieders hart. Hij sloeg de gezichten van Zijn toehoorders gade, Hij zag de lichtglans in hun ogen die vertelde dat de waarheid contakt had met de ziel, en dan trilde Zijn hart van blijdschap. Ka 229 3 Christus onderscheidde de mogelijkheden in elk menselijk wezen. Hij liet zich niet afstoten door een onaantrekkelijk uiterlijk of door een ongunstige omgeving. Mattheus riep Hij uit het tolhuis en Petrus en zijn broeders uit het vissersscheepje opdat ze van Hem zouden leren. De nood van heden Ka 229 4 Dezelfde persoonlijke belangstelling, dezelfde aandacht voor persoonlijke ontwikkeling zijn nodig in het opvoedingswerk van heden. Tal van ogenschijnlijk weinig belovende jonge mensen zijn rijkelijk begiftigd met talenten die niet gebruikt worden. Hun vermogens liggen verborgen vanwege een gebrek aan onderscheiding van de kant van hun opvoeders. In menige jongen of meisje, naar het uiterlijk zo onaantrekkelijk als een ruw-gehouwen steen, kan kostbaar materiaal gevonden worden dat de proef van hitte, storm en verdrukking zal doorstaan. De goede opvoeder zal er op letten wat uit zijn leerlingen kan groeien en dan erkent hij ook de waarde van het materiaal waaraan hij zijn krachten besteedt. Hij zal voor elke leerling een persoonlijke belangstelling tonen en zal er naar streven al zijn vermogens te ontwikkelen. Hij zal elke poging, hoe onvolmaakt ook, om met het juiste beginsel in harmonie te raken, aanmoedigen. Vlijt Ka 230 1 Alle jonge mensen moeten op de noodzakelijkheid en de kracht van de vlijt gewezen worden. Want veelmeer dan van intellect of talent hangt succes hiervan af. Zonder vlijt hebben de grootste talenten weinig waarde, terwijl personen met een gewone natuurlijke begaafdheid door een juist gerichte inspanning wonderen hebben verricht. En het genie, over wiens verrichtingen wij verbaasd staan, heeft zijn succes vrijwel zonder uitzondering te danken aan onvermoeide, geconcentreerde arbeid. Ka 230 2 Jonge mensen moeten leren zich de ontwikkeling van al hun vermogens, de zwakkere zowel als de sterkere, ten doel te stellen. Velen hebben de neiging hun studie te beperken binnen bepaalde grenzen, waarvoor zij een natuurlijke voorliefde hebben. Tegen deze dwaling moet gewaakt worden. De natuurlijke begaafdheden wijzen de richting van de levenstaak aan, en deze moeten, wanneer ze iets goeds beogen, zorgvuldig worden aangekweekt. Te zelfder tijd moet men bedenken dat een evenwichtig karakter en doelmatige arbeid op welk gebied ook, grotendeels berusten op de symmetrische ontwikkeling die het gevolg is van een degelijke, veelzijdige opleiding. Eenvoud Ka 230 3 De leraar moet zich aanhoudend toeleggen op eenvoud en doelmatigheid. Zijn onderwijs moet aanschouwelijk zijn, en zelfs wanneer hij te maken heeft met oudere leerlingen, moet elke verklaring helder en duidelijk zijn. Tal van leerlingen, gevorderd in jaren, zijn verstandelijk nog kinderen. Geestdrift Ka 231 1 Een belangrijk element in het opvoedingswerk is geestdrift. Op dit punt gaf een beroemde toneelspeler eens een nuttige wenk. Ka 231 2 De Aartsbisschop van Canterbury had hem eens gevraagd hoe het kwam dat toneelspelers in hun spel hun gehoor zo in hun macht hadden, terwijl ze toch maar spraken over denkbeeldige dingen, terwijl predikanten wanneer ze het evangelie brengen, hun gehoor zo weinig beroeren terwijl zij toch over reële aangelegenheden spreken. "Met verschuldigde eerbied tegenover Uwe genade", antwoordde de acteur, "sta mij toe te zeggen dat de reden heel duidelijk is: die ligt namelijk in de kracht van de geestdrift. Wij op het toneel spreken van verzonnen dingen alsof ze reëel waren en U op de kansel spreekt van reële dingen alsof ze verzonnen zijn". Ka 231 3 De leraar heeft in zijn werk te doen met werkelijke dingen en daarover moet hij spreken met al de kracht en geestdrift, voortvloeiende uit de kennis van hun werkelijkheid en belangrijkheid. Elke onderwijzer moet er voor zorgen dat zijn werk bekroond wordt met omlijnde resultaten. Alvorens hij in de klas een onderwerp gaat behandelen, moet hij een omlijnd plan voor ogen hebben en weten wat hij wil bereiken. Bij de behandeling van een onderwerp moet hij niet eerder tevreden zijn, dan wanneer de leerling de daarin liggende grondgedachte begrijpt, de waarheid daarvan doorziet en in staat is een duidelijke uiteenzetting te geven van wat hij heeft geleerd. Het beheersen der grondbeginselen Ka 231 4 Zolang het belangrijke doel van de opvoeding in het oog wordt gehouden, moet de jeugd worden aangemoedigd zo ver te gaan als haar vermogens dat toestaan. Maar voor zij met de hogere studievakken begint, moet zij de lagere beheersen. Dit nu wordt maar al te vaak verwaarloosd. Zelfs onder de scholieren van de hogere scholen en onder de studenten der universiteiten komt een groot gebrek aan kennis voor van de lagere onderwijsvakken. Tal van scholieren wijden hun tijd aan hogere wiskunde terwijl ze niet in staat zijn een eenvoudige boekhouding te voeren. Velen studeren voordrachtskunst om welsprekendheid meester te worden, terwijl ze de kunst om begrijpelijk en vol uitdrukking voor te lezen, niet machtig zijn. Velen die de studie der welsprekendheid hebben voleindigd zijn niet in staat om een gewone brief op te stellen en zonder taalfouten te schrijven. Ka 232 1 Grondige kennis van de basisvakken moet niet enkel de voorwaarde zijn om naar een hogere klas over te gaan, maar moet ook voortdurend een proef zijn voor het vervolgen van de studie en de vooruitgang. De taal Ka 232 2 En in elk onderdeel van de opvoeding zijn objecten waarvan het bereiken van veel meer belang is dan van die, verkregen door louter technische kennis. Neem bijvoorbeeld de taal. Van veel meer belang dan het leren van vreemde talen, hetzij levende of dode, is het schrijven en spreken en in alle opzichten beheersen van de eigen taal; maar geen scholing, verkregen door kennis van de grammaticale regels kan wat betreft de belangrijkheid vergeleken worden met taalstudie vanuit meer verheven standpunt. Met deze studie is voor een groot deel 's levens wel en wee verbonden. De voornaamste eis Ka 232 3 De hoofdvereiste van de spreektaal is, dat ze zuiver, vriendelijk en waar is, -- "de hoorbare uitdrukking der innerlijke schoonheid". God zegt dienaangaande: "Al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welwillend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat". (Fil. 4:8). En zijn de gedachten dusdanig, dan zal alzo ook de uitdrukking zijn. Spreekgewoonten Ka 232 4 De beste school voor deze taalstudie is het gezin; maar aangezien het werk in huis zo vaak wordt verwaarloosd, komt het op de onderwijzer aan zijn leerlingen te helpen met het aankweken van goede spraakgewoonten. Geroddel Kannibalisme Ka 232 5 De onderwijzer kan veel doen om die slechte gewoonte die een vloek is voor de samenleving, voor de omgeving en voor het gezin, namelijk de gewoonte om te lasteren, te roddelen, onvriendelijke critiek uit te oefenen, tegen te gaan. Hierin moet geen moeite gespaard worden. Breng de leerlingen onder het oog dat deze gewoonte een gebrek aan beschaving, wellevendheid en goedheid des harten openbaart; het maakt iemand zowel ongeschikt voor de omgang, met de waarlijk beschaafde en welopgevoede mensen in deze wereld, als met de heiligen in de hemel. Met afschuw denken wij aan de kannibaal die zich te goed doet aan het nog warme vlees van zijn slachtoffer; maar zijn de resultaten van deze praktijk erger dan de angst en de ellende veroorzaakt door geroddel, het belasteren van een goede naam, het bezoedelen van iemands karakter? Leer de kinderen en de jeugd wat God aangaande deze dingen zegt: -- "Dood en leven zijn in de macht der tong". (Spr. 18:21). Ka 235 1 In de Schriften worden kwaadsprekers gelijk gesteld met "haters van God", met hen die "vindingrijk in het kwaad" zijn, met mensen "zonder hart of barmhartigheid", vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid". Het is "de rechtseis van God . . . namelijk dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen" (Rom. 1:30, 31, 29, 32). Wie door God tot een burger van Sion wordt gerekend, is degene die "waarheid spreekt in zijn hart", "die met zijn tong niet lastert" . . "en geen smaad op zijn naaste laadt" (Ps. 15:2, 3). Overdrijving, krachttermen Ka 235 2 Gods Woord veroordeeld ook het bezigen van die zinloze gezegden en uitdrukkingen die grenzen aan het profane. Het veroordeelt de onoprechte beleefdheden, het uit de weggaan van de waarheid, de overdrijvingen, de opzettelijke verkeerde voorstellingen in de handel, die in de maatschappij en in het zakenleven maar al te veelvuldig voorkomen. "Laat het ja dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen, wat daarboven uitgaat is uit de boze" (Matth. 5:37). Ka 235 3 "Zoals een dolleman die brandende pijlen en dodelijke schichten afschiet, zo is hij, die zijn naaste bedriegt, en zegt : Deed ik het niet voor de grap?" (Spr. 26: 18, 19). Insinuaties Ka 235 4 Nauw verbonden met laster is de bedekte toespeling, de sluwe insinuatie, waardoor de onoprechte van hart zo terloops op het kwaad wijst, dat hij niet ronduit durft te zeggen. De jeugd moet geleerd worden deze gewoonten uit de weg te gaan zoals zij de melaatsheid uit de weg zouden gaan. Overijld in woorden Ka 236 1 In het spreken is misschien geen fout, die door jong en oud zo lichtvaardig wordt gemaakt, als het bezigen van haastige, ongeduldige woorden. Zij denken zich voldoende te verontschuldigen door te zeggen: "Ik was even in de war en bedoelde helemaal niet wat ik gezegd heb". Maar Gods Woord neemt dat niet zo lichtvaardig. De Bijbel zegt: -- Ka 236 2 "Ziet gij iemand die met zijn woorden te haastig is, voor een dwaas is meer hoop dan voor hem" (Spr. 29 :20). Ka 236 3 "Een stad met omvergehaalde muren, zo is iemand die zijn geest niet in bedwang heeft" (Spr. 25:28). Ka 236 4 De haastige, driftige, losse tong kan in een enkel ogenblik meer kwaad doen dan het berouw van een geheel leven kan teniet doen. Harten zijn gebroken, vrienden vervreemd, levens stuk geslagen door ruwe, ondoordachte woorden van hen die hulp en genezing hadden kunnen brengen! Ka 236 5 "Er zijn er, wier gepraat werkt als dolksteken, maar de tong der wijzen brengt genezing aan" (Spr. 12 :18). Zelfverloochening Ka 236 6 Een van de karaktereigenschappen die in elk kind moet aangebracht en gekoesterd worden, is dat zich-zelf-vergeten, dat aan het leven zo'n onbewuste beminnelijkheid verleent. Van al de uitmuntende karaktereigenschappen is dit wel een van de mooiste, en voor elke ware levenstaak is het een van de noodzakelijkste eigenschappen. Kinderen hebben waardering, sympathie en bemoediging nodig, maar men moet er op passen dat bij hen geen eerzucht wordt gewekt. Ootmoed, waardigheid Ka 236 7 Het is niet verstandig veel aandacht aan hen te besteden en in hun tegenwoordigheid op hun knapheid te wijzen. De ouder of onderwijzer die het ware karakterideaal en de te bereiken mogelijkheden in het oog houdt, kan geen zelfvoldaanheid aankweken of aanmoedigen. Hij zal bij de jeugd het verlangen of het streven niet aanmoedigen om hun talenten of bekwaamheid te prijzen. Wie een ander meer acht dan zichzelf, zal nederig zijn, en nochtans zal hij een waardigheid bezitten die niet verlaagd of bezoedeld wordt door uiterlijk vertoon of menselijke grootheid. Ka 237 1 Karakterdeugden worden niet ontwikkeld door willekeurige wetten of voorschriften. Ze worden ontwikkeld door te verkeren in het zuivere, het nobele, het ware. En waar reinheid van hart en nobelheid van karakter is, zal dat geopenbaard worden door zuiverheid en nobelheid in woorden en daden. Ka 237 2 "Wie reinheid van hart bemint en wiens lippen vriendelijk zijn, de Koning is zijn vriend" (Spr. 22 : 11). Ka 237 3 En zoals het met de taal is, zo is het met elke andere studie, die zo moet geleid worden dat karaktervorming en karaktervastheid daaruit voortkomen. Geschiedenis Ka 237 4 Voor geen studie geldt dit meer dan voor geschiedenis. Laat men die bestuderen vanuit het goddelijke oogpunt. Ka 237 5 Zoals ze doorgaans geleerd wordt, is geschiedenis niet meer dan een verslag van de opkomst en ondergang van koninkrijken, hofintriges, de overwinningen en nederlagen van legers -- een verhaal van eerzucht en hebzucht, van bedrog, wreedheid en bloedvergieten. Geschiedenis, op deze wijze onderricht, kan niet anders dan nadelige resultaten hebben. De weerzinwekkende herhaling van misdaden en gruwelen, de snoodheden, de geschilderde wreedheden, zaaien een zaad dat in menig leven kwade oogst zal opleveren. Vanuit goddelijk oogpunt Ka 237 6 Veel beter kan men in het licht van Gods Woord de oorzaken nagaan welke aan de opkomst en ondergang van koninkrijken ten grondslag liggen. Men moet de jeugd deze verslagen laten bestuderen opdat ze zien hoe de ware bloei der volken verbonden is geweest met het aannemen van de goddelijke beginselen. Laat hen de geschiedenis van de grote Hervormingsbewegingen bestuderen om te zien hoe vaak deze beginselen, hoewel veracht en gehaat en terwijl de aanhangers daarvan in de kerker en op het schavot werden gebracht, juist door deze offers hebben overwonnen. Ka 237 7 Een dergelijke studie zal een brede, duidelijke kijk op het leven geven. Ze zal de jeugd helpen om iets van haar verhoudingen en haar samenhang te begrijpen, hoe wonderbaarlijk wij tezamen verbonden zijn in de grote broederschap van de maatschappij en van de volken en in hoe grote mate de verdrukking of vernedering van één lid verlies voor allen betekent. Rekenen Ka 238 1 Bij het lesgeven in rekenen moet het werk praktisch zijn. Men moet de jonge mensen en de kinderen niet enkel het oplossen van denkbeeldige problemen leren, maar ook hoe ze nauwgezet hun eigen inkomsten en uitgaven moeten noteren. Laat hen het juiste gebruik van geld leren door het te gebruiken. Of ze dat van hun ouders hebben gekregen of zelf hebben verdiend, laat de jongens en meisjes leren om hun eigen kleren, hun boeken en hun andere benodigd-heden zelf uit te kiezen en te kopen, en door al hun uitgaven te noteren zullen ze, als op geen andere manier, de waarde en het gebruik van geld leren kennen. Een nuttige opleiding Ka 238 2 Deze opleiding zal hen helpen om ware spaarzaamheid van gierigheid enerzijds en van verkwisting anderzijds te onderscheiden. Op de juiste wijze geleerd zullen gewoonten van weldadigheid worden aangekweekt. Het zal de jeugd helpen geld te leren geven, niet op een ingeving van het ogenblik, als hun gevoelens worden opgewekt, maar regelmatig en systematisch. Ka 238 3 Op deze manier zal elke scholing een hulp worden in de oplossing van dat grootste van alle problemen, de opvoeding van mannen en vrouwen die zich van 's levens plichten zo goed mogelijk zullen kwijten. ------------------------Hoofdstuk 27--Gedrag Ka 239 0 "De liefde kwetst niemands gevoel." Hoffelijkheid Ka 239 1 De waarde van hoffelijkheid wordt te laag aangeslagen. Velen die een vriendelijke aard hebben, hebben geen vriendelijke omgangsvormen. Velen die door hun eerlijkheid en oprechtheid respect afdwingen, ontbreekt het aan hartelijkheid. Dit gebrek staat hun eigen geluk in de weg en is een beletsel anderen van dienst te zijn. Juist door onnadenkendheid in dit opzicht vallen de prettigste ervaringen in het leven aan deze onhoffelijkheid ten offer. Ka 239 2 Vooral ouders en onderwijzers moeten zich toeleggen op blijmoedigheid en hoffelijkheid. Allen kunnen een vriendelijk uiterlijk, een prettige stem, een beleefde manier van doen bezitten en dit zijn inderdaad elementen waarvan kracht uitgaat. Kinderen voelen zich aangetrokken tot mensen van wie warmte en opgewektheid uitstralen. Weest tegenover hen vriendelijk en innemend en zij zullen tegenover u en onder elkaar dezelfde geest aan de dag leggen. Regels der etiquette Ka 239 3 Ware hoffelijkheid leert men niet door enkel de regels der etiquette na te volgen. Men moet zich steeds behoorlijk gedragen; waar beginselvastheid niet in het gedrang komt, zal eerbied voor anderen er toe leiden dat heersende gewoonten worden nagevolgd; maar werkelijke beleefdheid eist geen opoffering van beginsel aan vormelijkheid, conventie. Zij kent geen kastengeest. Zij leert zelfrespect, eerbied voor de waardigheid van de mens als mens, achting voor elk lid van de grote broederschap der mensen. Overschatting van vormelijkheid Ka 239 4 Het gevaar bestaat dat aan enkel de manieren en vormen een te hoge waarde wordt toegekend, en er te veel tijd aan opvoeding in deze richting wordt besteed. Het inspannende leven dat van de jeugd wordt gevraagd, het harde, vaak onsympathieke werk dat de gewone plichten des levens verlangen en nog meer de bemoeienissen voor de verlichting van 's werelds lasten ten aanzien van ontwetendheid en rampzaligheid -- dat alles laat weinig plaats over voor de beleefdheidsvormen. Ka 240 1 Velen die op de etiquette grote nadruk leggen, tonen weinig eerbied voor alles, hoe voortreffelijk ook, wat niet met hun gekunsteld standpunt overeenkomt. Dat is een verkeerde opvoeding. Kritische hovaardij en benepen exclusivisme worden daardoor bevorderd. Eerbied voor anderen Ka 240 2 Het kenmerk van ware beleefdheid is eerbied voor anderen. De wezenlijke, vruchtdragende opvoeding is die welke het medeleven op een breder basis stelt en algemene vriendelijkheid bevordert. De zogenaamde beschaving die jonge mensen geen eerbied voor hun ouders leert, die hen niet ontvankelijk maakt voor hun goede eigenschappen of verdraagzaam tegenover hun gebreken, en hulpvaardig in hun behoeften; die hen tegenover de jeugd en de ouderdom en de ongelukkigen niet toegewijd en vriendelijk, edelmoedig en hulpvaardig maakt, en beleefd tegen iedereen, is een mislukking. Werkelijke beschaving in gedachten en manieren wordt beter geleerd in de school van de Goddelijke Leraar, dan door het navolgen van gestelde regels. Zijn liefde die bezit neemt van het hart, verleent het karakter die beschaving, waardoor het op den duur gaat harmonieëren met Zijn eigen karakter. Deze opvoeding verleent een hemelse waardigheid en adel. Ka 240 3 Zij verleent innemendheid en beschaafde manieren, welke nooit geëvenaard kunnen worden door het oppervlakkige vernisje van de moderne maatschappij. Ka 240 4 De Bijbel schrijft hoffelijkheid voor en men vindt daarin tal van voorbeelden van de onzelfzuchtige geest, beminnelijkheid, de innemendheid welke ware beleefdheid kenmerken. En toch zijn dat slechts weerkaatsingen van het karakter van Christus. Al de waarachtige goedheid en hoffelijkheid in de wereld, zelfs onder degenen die Zijn Naam niet erkennen, zijn uit Hem. En het is Zijn verlangen dat deze kenmerken in Zijn kinderen volmaakt worden weer-spiegeld. Het is Zijn bedoeling dat de mensen in ons Zijn schoonheid zullen aanschouwen. De beste verhandeling over etiquette Ka 240 5 De beste verhandeling over etiquette ooit aan het papier toevertrouwd, is het kostelijke onderwijs gegeven door de Heiland, met de woorden van de apostel Paulus, ingegeven door de Heilige Geest -- woorden die onuitwisbaar gegrift moeten zijn in het geheugen van ieder mens, jong of oud: -- Ka 241 1 "Gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt" (Joh. 13:34). Ka 241 2 "De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig. de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe, zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid. Alles bedekt zij, alles gelooft zij, Alles hoopt zij, alles verdraagt zij. De liefde vergaat nimmer meer." (1 Cor. 13:4-8). Eerbied voor Gods tegenwoordigheid Ka 241 3 Een andere kostelijke deugd die zorgvuldig moet gekoesterd worden, is eerbied. Waarachtige eerbied voor God wordt ingegeven door een gevoel voor Zijn oneindige grootheid en een besef van Zijn tegenwoordigheid. Elk kind moet een diepe indruk hebben van dit gevoel van de Onzienlijke. Men moet het kind leren, het uur en de plaats van de gebedssamenkomst en de kerkdiensten als heilig te zien omdat God daar aanwezig is. En wanneer de eerbied tot uiting komt in houding en manieren, zal het gevoel dat hiertoe bezielt, zich verdiepen. Ka 241 4 Het zou voor jong en oud goed zijn die woorden van de Heilige Schrift, welke aantonen hoe de plaats die Gods bijzondere tegenwoordigheid aanduidt, beschouwd moet worden, te bestuderen, te overpeinzen en vaak te herhalen. Ka 241 5 "Doe uw schoenen van uw voeten", beval Hij Mozes bij de brandende braamstruik, "want de plaats waarop gij staat, is heilige grond." (Exod. 3 : 5). Ka 242 1 Nadat Jakob het visioen van de engelen had aanschouwd, riep hij uit: "waarlijk, de Here is in deze plaats, en ik heb het niet geweten.... Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels" (Gen. 28 :16, 17). Ka 242 2 "De Here is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Hem, gij ganse aarde" (Hab. 2 :20). Ka 242 3 "De Here is een groot God, Een groot Koning boven alle goden... Treedt toe, laten wij ons nederwerpen en ons buigen, Knielen voor de Here, onze maker". "Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe, "Zijn volk, de schapen die Hij weidt. Gaat met een loflied Zijn poorten binnen, Zijn voorhoven met lofgezang, Looft Hem, prijst Zijn Naam." (Ps. 95 : 3-6; 100 : 3, 4). Voor Zijn naam Ka 242 4 Eerbied moet ook getoond worden voor de naam van God. Nooit moet die naam lichtvaardig of gedachteloos worden uitgesproken. Zelfs in het gebed moet de veelvuldige of nodeloze herhaling daarvan vermeden worden. "Heilig en geducht is Zijn naam." (Ps. 111:9). Wanneer engelen die noemen, bedekken zij hun aangezichten. Met welk een eerbied moeten wij, gevallen en zondige mensen, die naam dan op onze lippen nemen! Eerbied voor Gods Woord Ka 242 5 Wij moeten eerbied hebben voor Gods Woord. Ook voor de gedrukte bijbel zullen wij eerbied tonen en die niet zien als een gewoon boek of er zorgeloos mee omgaan. En nooit mogen we met een aangehaalde tekst een grap of spitsvondige zinspeling maken. "Alle woord Gods is gelouterd"; "gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig gelouterd". (Spr. 30 : 5; Ps. 12 : 7). Ka 242 6 Bovenal moet de kinderen geleerd worden dat ware eerbied aan de dag wordt gelegd door gehoorzaamheid. God heeft niets bevolen wat onnodig is, en er is geen andere manier om eerbied te tonen, die Hem zo behaagt als gehoorzaamheid tegenover datgene wat Hij heeft gesproken. Eerbied voor superieuren Ka 243 1 Eerbied moet getoond worden voor Gods vertegenwoordigers -- voor predikanten, leraars, en ouders die geroepen zijn in Zijn plaats te spreken en te handelen. In de eerbied aan hen betoond, wordt Hij geëerd. Ka 243 2 God verlangt ook bijzonder minzame eerbied voor bejaarden. Hij zegt: "De grijsheid is een sierlijke kroon, zij wordt op de weg der gerechtigheid gevonden" (Spr. 16:31). Zij vertelt van strijd en van behaalde overwinningen; van gedragen lasten en weerstane verzoekingen. Zij vertelt van vermoeide voeten die hun laatste rust naderen, van plaatsen die weldra open zullen zijn. Leer de kinderen dat zij daaraan denken en door hun beleefdheid en eerbied zullen zij het pad van de bejaarde effenen, en in hun eigen leven deugd en schoonheid brengen, wanneer zij acht geven op het gebod: "Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen" (Lev. 19 :32). Vertolkers van God Ka 243 3 Vaders en moeders en onderwijzers moeten veel meer waardering tonen voor de verantwoordelijkheid en de eer, die God hun heeft opgelegd, Hem persoonlijk bij het kind te vertegenwoordigen. Het karakter, geopenbaard in het dagelijkse leven zal, ten goede of ten kwade voor het kind deze woorden van God vertolken: -- "Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt zich de Here over wie Hem vrezen" (Ps. 103:13). "Als iemand die zijn moeder troost, zo zal Ik u troosten" (Jes. 66: 13). Ka 243 4 Gelukkig is het kind, in wie zulke woorden liefde en dankbaarheid en vertrouwen doen ontwaken; gelukkig het kind, bij wie de tederheid en gerechtigheid en lankmoedigheid van vader en moeder en onderwijzer de liefde en gerechtigheid en lankmoedigheid van God vertolken; gelukkig het kind dat door vertrouwen en onderdanigheid en eerbied tegenover zijn aardse beschermers, leert zijn God te vertrouwen, gehoorzamen en eerbiedigen. Wie kind of leerling zo'n gave toebedeelt heeft hem begiftigd met een schat kostbaarder dan de rijkdom van alle eeuwen -- een schat die blijft in de eeuwigheid. ------------------------Hoofdstuk 28--Verband tussen kleding en opvoeding Ka 244 0 "In zedig gewaad." "Louter pracht is de koningsdochter daarbinnen." De rivaal van de onderwijzer Ka 244 1 Geen opvoeding kan volmaakt zijn die wat de kleding betreft, niet de juiste beginselen leert. Wanneer dat niet wordt geleerd, is het opvoedingswerk verkeerd en raakt het achterop. Verlangen naar mooie kleren en verslaafdheid aan de mode zijn de grootste tegenstanders van de onderwijzer en vormen grote hindernissen. Ka 244 2 De mode is een meesteres die heerst met ijzeren hand. In vele gezinnen worden de tijd en de kracht en de aandacht van ouders en kinderen in beslag genomen door het voldoen aan haar eisen. De rijken streven er naar elkaar te overtreffen in het navolgen van haar altijd-wisselende voorschriften; de middenstand en armere standen streven er naar de standaard gesteld door hen die zogenaamd boven hen staan te benaderen. Waar de middelen of de draagkracht beperkt zijn en het verlangen naar deftigheid groot is, wordt de last bijna ondraaglijk. Een last in het gezin Ka 244 3 Bij velen gaat het er niet om hoe passend of zelfs hoe mooi een kledingstuk is, want als de mode verandert, moet het vermaakt worden of anders ter zijde gelegd. Zo zijn de leden van het gezin gedoemd tot aanhoudende arbeid. Er is dan geen tijd de kinderen op te voeden, geen tijd voor gebed of Bijbelstudie, geen tijd om de kleinen te helpen dat ze met God bekend worden door Zijn werken. Er is geen tijd en geen geld voor weldadigheidswerk. Vaak wordt er ook bezuinigd op het eten. Aan de keuze der spijzen wordt geen aandacht besteed en ze worden in alle haast klaargemaakt, terwijl aan de eisen der natuur slechts ten dele wordt voldaan. Daaruit ontstaan verkeerde diëetgewoonten, wat ziekte kan veroorzaken of tot onmatigheid leidt. Bron van verleiding Ka 244 4 Het verlangen naar uiterlijk vertoon werkt verspilling in de hand en in vele jonge mensen wordt het streven naar een hoogstaand leven gedood. In plaats van een verdere scholing te volgen, nemen ze een of andere betrekking om geld te verdienen, ten einde aan hun verlangen naar kleren te voldoen. En door deze hartstocht vindt menig jong meisje haar ondergang. Ka 245 1 In vele gezinnen zijn de bronnen van inkomsten te zwaar belast. Niet in staat aan de eisen van de moeder en de kinderen te voldoen, wordt de vader tot oneerlijkheid verleid en opnieuw komen daaruit schande en ondergang voort. Mode en kerkdienst Ka 245 2 Zelfs de dag der aanbidding en de kerkdiensten ontkomen niet aan de heerschappij van de mode. Eerder bieden ze de kans tot een nog goter vertoon van haar macht. De kerk wordt een paradeveld en de mode wordt meer bestudeerd dan de preek. De armen die niet kunnen voldoen aan de eisen van de mode, blijven helemaal weg uit de kerkdienst. De rustdag wordt in ledigheid en door de jeugd vaak in slecht gezelschap doorgebracht. Ka 245 3 Op school is ongeschikte en ongerieflijke kleding voor de meisjes vaak een hinder in hun studie en ontspanning. Hun gedachten zijn bezig met andere dingen en de onderwijzer staat voor de moeilijke taak hun belangstelling op te wekken. Een tegengaande invloed Ka 245 4 Om de toverkracht van de mode te breken, is er voor de onderwijzer vaak geen beter middel dan contact met de natuur. Laat de leerlingen de vreugde smaken die gevonden wordt bij een rivier, of meer, of bij de zee; laat ze de heuvels beklimmmen of genieten van de schoonheid van een zonsondergang, of de schatten van bos en veld onderzoeken; leer ze het genoegen van het kweken van planten en bloemen; want daarbij zal de belangrijkheid van een bandje of strikje geheel in het niet verzinken. Hogere doelstellingen Ka 245 5 Laat de jeugd zien dat in de kleding evenals in het dieet eenvoud in het leven onmisbaar is voor een hogere gedachtenvlucht. Laat ze zien hoeveel er is te leren en te doen; hoe kostbaar de dagen der jeugd zijn als een voorbereiding tot de levenstaak. Help hen dat ze zien welke schatten er in het Woord van God liggen, in het boek der natuur en in de levensbeschrijvingen van hoogstaande mensen. Ka 246 1 Bepaal hun gedachten bij het lijden in de wereld opdat zij dat helpen verlichten. Laat hen zien dat door elke gulden die verspild wordt aan uiterlijk vertoon, de verkwister beroofd wordt van de middelen om de hongerigen te spijzigen, de naakten te kleden en de treurenden te troosten. Ka 246 2 Men mag niet toestaan dat ze in hun leven de beste kansen missen, dat hun denken zich niet ontwikkelt, hun gezondheid te gronde gaat, hun geluk verstoord wordt, enkel en alleen door te gehoorzamen aan modevoorschriften die niet het uitvloeisel zijn van gezond verstand, en niet praktisch en smaakvol zijn. Smaak en netheid in de kleding Ka 246 3 Te zelfder tijd moet de jeugd geleerd worden de les der natuur te zien. " Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd" (Pred. 3:11). Zowel in de kleding als in alle andere dingen is het ons voorrecht onze Schepper te eren. Hij wil dat onze kleding niet alleen netjes is zonder nadeel voor de gezondheid, maar ook praktisch en smaakvol. Ka 246 4 Het karakter van iemand wordt beoordeeld naar de wijze waarop hij zich kleedt. Een verfijnde smaak, een beschaafde geest zullen geopenbaard worden in de keuze van eenvoudige, gepaste kleding. Wanneer een kuise eenvoud in de kleding samen gaat met bescheidenheid, zal dat een jonge vrouw omgeven met een atmosfeer van geheiligde terughoudendheid die voor haar een schild tegen tal van gevaren zal zijn. Ka 246 5 Laat men de meisjes leren dat de kunst zich te kleden ook de kunde inhoudt om hun eigen kleren te maken. Naar dit verlangen moet het hart van elk meisje uitgaan. Het zal een middel zijn zich nuttig en onafhankelijk te maken, dat zij zich niet mag laten ontgaan. De verhevenste schoonheid Ka 247 6 Het is goed dat men houdt van wat mooi is en dat gaarne bezit; maar God wil dat ons hart in de eerste plaats uitgaat naar de hoogste schoonheid -- namelijk die welke onvergankelijk is. De beste producten van het menselijke vernuft bezitten niet die schoonheid welke de vergelijking kan doorstaan met de schoonheid van karakter, welke in Zijn oog van " grote waarde" is. Ka 247 1 Laat men de jonge mensen en kinderen leren voor zichzelf dat koninklijke kleed te kiezen, dat geweven is op de weefgetouwen des hemels -- "blinkend en smetteloos fijn linnen" (Openb. 19:8) dat al de heiligen der aarde zullen dragen. Dit kleed, het vlekkeloze karakter van Christus, wordt ieder menselijk wezen om niet aangeboden. Maar allen die dat ontvangen, zullen het hier ontvangen en dragen. Ka 247 2 Laat men de kinderen leren dat wanneer ze hun harten openen voor reine, liefdevolle gedachten en ze liefdevolle, goede werken doen, zij zich kleden met dat prachtige kleed van Zijn karakter. Dit gewaad zal hun hier op aarde schoonheid en minzaamheid verlenen, en zal hun in het hiernamaals toegang geven tot het paleis van de Koning. Zijn belofte luidt -- Ka 247 3 "Zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn" (Openb. 3 :4). ------------------------Hoofdstuk 29--De Sabbat Ka 248 0 "Dat is een teken tussen Mij en u . . . zodat gij weet dat Ik de Here ben". De Sabbat een teken Ka 248 1 De waarde van de Sabbat als opvoedingsmiddel is niet hoog genoeg te schatten. Wat God van ons verlangt, geeft Hij weer terug, verrijkt, verheerlijkt met Zijn eigen heerlijkheid. De tiende die Hij van Israel vroeg, was bestemd om onder de mensen het voorbeeld van Zijn tempel in de hemel, het teken van Zijn tegenwoordigheid op aarde, in zijn volle schoonheid te bewaren. Zo wordt ook het gedeelte van onze tijd dat Hij vordert, ons teruggegeven met Zijn Naam en Zijn zegel. Het is, zegt Hij, "een teken tussen Mij en u . . . zodat gij weet dat Ik de Here ben"; omdat "in zes dagen de Here de hemel en de aarde heeft gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag, daarom zegende de Here de Sabbatdag en heiligde die" (Ex 31: 13; 20: 11). De Sabbat is een teken van scheppende en verlossende kracht; hij wijst op God als de bron van leven en van kennis; hij roept herinneringen wakker aan de oorspronkelijke heerlijkheid van de mens en getuigt aldus van Gods bedoeling ons naar Zijn eigen beeld te herscheppen. De dag van het gezin Ka 248 2 De Sabbat en het gezin werden beiden in de hof van Eden ingesteld, en het is Gods bedoeling dat ze onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn. Op die dag meer dan op elke andere, is het ons mogelijk het leven van het Paradijs te leven. Het was het plan Gods dat de leden van het gezin verenigd zouden zijn, in arbeid en studie, in aanbidding en ontspanning, de vader als priester van zijn huis, en vader en moeder beide om hun kinderen te onderwijzen en te vergezellen. Maar de resultaten van de zonde, die de levensomstandigheden hebben gewijzigd, zijn voor deze nauwe band in hoge mate een beletsel. Het gebeurt vaak dat gedurende de week de vader de gezichten van zijn kinderen ternauwernood ziet. Hij krijgt bijna de kans niet, met zijn kinderen om te gaan of hen te onderwijzen. Maar Gods liefde heeft aan dat zwoegen een grens gesteld. Over de Sabbat houdt Hij Zijn genadige handen uitgespreid. Op Zijn eigen dag stelt Hij het gezin in de gelegenheid met Hem, met de natuur, en met elkander één te zijn. De Sabbat en de natuur Ka 249 1 Daar de Sabbat het gedenkteken is van de scheppingskracht, is hij boven alle andere de dag waarop wij door Zijn werken met God bekend zullen worden. In de gedachtengang van de kinderen moet de Sabbat verbonden worden met de schoonheid in de natuur. Gelukkig is het gezin dat op de Sabbatdag naar de plaats der aanbidding kan gaan zoals Jezus en de discipelen naar de synagoge gingen -- door de akkers, langs de oever van het meer en door de bossen. Gelukkig zijn de vader en moeder die hun kinderen kunnen onderwijzen uit Gods geschreven Woord met illustraties uit het opengeslagen boek der natuur; die kunnen gaan zitten onder de groene bomen, in de zuivere, open lucht, teneinde het Woord te bestuderen en de Vader hierboven lof te zingen. Ka 249 2 Door zo'n gemeenschappelijke omgang kunnen ouders hun kinderen met zichzelf verbinden en zo ook met God door banden die nooit verbroken kunnen worden. Bijbelstudie Ka 249 3 Als middel tot een verstandelijke opvoeding, zijn de kansen die de Sabbat biedt, van onschatbare waarde. Leer de Sabbatschoolles niet door een haastig overzicht van de desbetreffende teksten op Sabbatmorgen, maar door een zorgvuldige studie van de les der volgende week op Sabbatnamiddag, met een dagelijkse herhaling of verklaring gedurende de week. Zo zal de les in het geheugen gegrift worden, een schat die nooit geheel verloren zal gaan. Ka 249 4 Laten ouders en kinderen, wanneer ze de preek beluisteren de aangehaalde teksten met hun inhoud opschrijven en zoveel mogelijk de gedachtengang onthouden, om ze na thuiskomst onder elkaar te kunnen herhalen. Dit zal er toe bijdragen om de ongedurigheid weg te nemen, waarmee kinderen zo vaak naar de prediking luisteren, en bovenal zal het de gewoonte aankweken, aandachtig te luisteren. ,,Rijke beloning" Ka 249 5 Wanneer de scholier dan de onderwerpen nog eens overdenkt, zullen voor hem schatten zichtbaar worden, waarvan hij nooit heeft gedroomd. In zijn eigen leven zal hij de werkelijkheid laten zien van de ervaring die beschreven staat in de tekst: -- Ka 250 1 "Zo vaak Uw woorden gevonden werden, at ik ze op, Uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten" (Jer. 15:16). "Ik overdenk Uw inzettingen". "Kostelijker zijn zij dan goud, ja dan veel fijn goud . . . Ook laat Uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning" (Ps. 119:48; 19:11, 12). ------------------------Hoofdstuk 30--Geloof en gebed Ka 253 0 ,,Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt". "Gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zed u geschieden." Wat is geloof? Ka 253 1 Geloof is vertrouwen op God -- gelovende dat Hij ons liefheeft en het beste weet wat goed voor ons is. Het doet ons dus Zijn weg en niet onze weg kiezen. Het aanvaardt Zijn wijsheid in plaats van onze onwetendheid, Zijn kracht in plaats van onze zwakheid, Zijn rechtvaardigheid in plaats van onze zondigheid, Ons leven, wijzelf, komen Hem reeds toe; het geloof erkent Zijn eigendomsrecht en aanvaardt de zegen daaraan verbonden. Ka 253 2 Waarheid, oprechtheid, reinheid zijn aangewezen als de verborgenheden van succes in het leven. En het is het geloof, dat ons in het bezit stelt van deze beginselen. Ka 253 3 Elke goede aandrang of elk goed streven is de gave Gods; door het geloof wordt van God het leven ontvangen dat alleen de ware wasdom en doelmatigheid kan voortbrengen. Hoe geloof te oefenen Ka 253 4 Hoe geloof geoefend kan worden, moet bijzonder duidelijk gemaakt worden. Tegenover elke belofte van God staan voorwaarden. Wanneer we bereid zijn Zijn wil te doen, staat al Zijn kracht tot onze beschikking. Welke gave Hij ook belooft, deze ligt besloten in de belofte zelf. "Het zaad is het Woord Gods" (Luc. 8 :11). Zo zeker als de eik in de eikel is zo zeker is de gave Gods in Zijn belofte. Wanneer we de belofte aanvaarden, hebben we de gave. Ka 253 5 Het geloof dat ons in staat stelt Gods gaven te ontvangen, is op zichzelf een gave die elk menselijk wezen in een zekere mate wordt verleend. Het groeit wanneer het geoefend wordt door de toeëigening van Gods Woord. Willen we het geloof versterken, dan moeten we het vaak in contact met Gods Woord brengen. De kracht van Gods Woord Ka 253 6 Bij het bestuderen van de Bijbel moet men de scholier op de kracht van Gods Woord opmerkzaam maken. Bij de schepping "sprak Hij en het was er; Hij gebood en het stond er". Hij "roept het nietzijnde tot aanzijn" (Ps. 33:9; Rom. 4:17), want wanneer Hij dat roept, is het er. Resultaten van Gods Woord Ka 254 1 Hoe vaak hebben zij die hun vertrouwen stelden op Gods Woord, hoewel zijzelf totaal hulpeloos waren, de macht van de hele wereld weerstaan, bijvoorbeeld Henoch, rein van hart, heilig van leven, die zich vastklemde aan zijn geloof in de triomf van de gerechtigheid over een verdorven en spottend geslacht; Noach en zijn gezin tegen de mannen van zijn tijd, mannen die de grootste lichamelijke en verstandelijke kracht bezaten, maar het meeste gedegenereerd waren op zedelijk gebied; de kinderen Israëls aan de Rode Zee, een hulpeloze, verschrikte menigte van slaven tegen het machtigste leger van het machtigste volk op aarde; David, een herdersjongen, maar reeds in het bezit van Gods belofte van de troon, tegen Saul, de heersende vorst, vast besloten zijn macht te handhaven; Sadrach en zijn vrienden in de vurige oven en Nebukadnezar op de troon; Daniël tussen de leeuwen, die zijn vijanden had op de hoogste posten van het koninkrijk; Jezus aan het kruis en de Joodse priesters en oversten die zelfs de Romeinse landvoogd dwongen hun wil uit te voeren; Paulus in ketenen om de dood van een misdadiger te ondergaan onder Nero, de despoot van een wereldrijk. Ka 254 2 Zulke voorbeelden worden niet alleen in de Bijbel gevonden. In elk geschiedkundig boek over de menselijke vooruitgang kan men die vinden. De Waldensen en de Hugenoten, Wycliffe en Huss, Hieronymus en Luther, Tyndale en Knox, Zinzendorf en Wesley en nog tal van anderen hebben getuigd van de kracht van Gods Woord tegen menselijke kracht en politiek die het boze onder-steunden. Dit zijn inderdaad de edelen der wereld. Dit is hun koninklijke afstamming. En in deze tijd worden de jonge mensen geroepen in deze rij van edelen hun plaatsen in te nemen. In het dagelijkse leven Ka 254 3 Geloof is evenzeer nodig in de kleinere als in de grotere dingen van het leven. In al onze dagelijkse belangen en bezigheden wordt door een blijvend vertrouwen de ondersteunende kracht Gods voor ons een werkelijkheid. Ka 254 4 Van de menselijke kant bezien, is het leven voor allen een nog onbetreden pad. Het is een pad, waarop, wat onze diepere ervaringen betreft, ieder van ons alleen wandelt. Geen ander menselijk wezen kan in ons innerlijk leven een volledig inzicht hebben. Wanneer het kleine kind die reis begint, waarop het vroeg of laat zijn eigen weg moet bepalen en zelf de richtlijnen ten aanzien van de eeuwigheid moet kiezen, hoe ernstig moet men dan wel pogen, dat kind zo te leiden dat het zijn vertrouwen stelt op de veilige Gids en Helper! Een schild tegen verzoeking Ka 255 1 Als een schild tegen verleiding en een aansporing tot reinheid en waarheid, kan geen andere invloed op één lijn gesteld worden met het gevoel van Gods tegenwoordigheid. "Alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor Wie wij rekenschap hebben af te leggen". Hij is "te rein van ogen om het kwaad te zien en het onrecht kan Hij niet aanschouwen" (Hebr. 4: 13; Hab. 1: 13). Deze gedachte was het schild van Jozef te midden van de verdorvenheid van Egypte. Tegen de verlokkingen van de verleiding klonk zijn standvastig antwoord: " Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?" (Gen. 39:9). Wanneer zo'n geloof wordt geoefend, zal dat als een schild zijn voor elke ziel. Gods beschermende aanwezigheid Ka 255 2 Alleen het gevoel van Gods tegenwoordigheid kan de vrees uitbannen die anders voor het zwakke kind het leven tot een last zou maken. Het moet in zijn geheugen de belofte vastleggen: "De Engel des Heren legert zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen" (Ps. 34:8). Laat het de wonderlijke geschiedenis van Elisa lezen, tijdens diens verblijf in de stad tussen de bergen, waar tussen hem en het vijandige leger een machtige schare van hemelse engelen stond. Laat het kind leren hoe aan Petrus, die als een ter dood veroordeelde in de gevangenis zat, een engel Gods vescheen; hoe Gods dienaar hem langs de gewapende wachters, door de massieve deuren en ijzeren toegangspoort met hun grendels en kettingen, in vrijheid stelde. Laat het ook lezen van die storm op zee, toen Paulus de gevangene, op reis om verhoord te worden, tot de afgematte soldaten en zeelieden die verheven woorden van moed en hoop sprak: "Weest goedsmoeds, want het leven van niemand uwer zal verloren gaan . . . Want deze nacht heeft een engel van de God, wien ik toebehoor en dien ik vereer, bij mij gestaan en hij heeft mij gezegd: Wees niet bevreesd, Paulus, want gij moet voor de keizer staan; en zie, allen die met u varen heeft God u geschonken". Door in het geloof te vertrouwen op deze belofte kon Paulus zijn reisgenoten verzekeren: "Niemand uwer zal ook maar een haar van zijn hoofd gekrenkt worden". En zo gebeurde het ook. Omdat er op dat schip één man was door wie God kon werken, werd de hele bemanning van heidense soldaten en zeelieden gered. "Allen kwamen behouden aan land" (Hand. 27 :22-24, 34, 44). Ka 256 1 Deze dingen werden niet enkel geschreven opdat wij die zouden lezen en ons verbazen, maar opdat hetzelfde geloof dat werkte in Gods dienstknechten van het verleden, ook in ons zou werken. Op dezelfde kenmerkende wijze als God toen werkte, wil Hij nu werken, waar er maar gelovige harten zijn om Zijn kracht te openbaren. Hulp voor hen die zichzelf wantrouwen Ka 256 2 Zij die wantrouwend tegenover zichzelf staan, die door gebrek aan zelfvertrouwen terug deinzen voor alle verantwoordelijkheid, moeten leren op God te vertrouwen. Zo zal menigeen, die anders maar een nul of een hulpeloze last in de wereld zou zijn, met Paulus kunnen zeggen: "Ik vermag alle dingen in Hem Die mij kracht geeft" (Fil. 4: 13). De Beschermer van het goede Ka 256 3 Ook voor het kind, dat zich gauw beledigd gevoelt, heeft het geloof kostelijke lessen. De neiging om het kwade te weerstaan of het onrecht te wreken, ontspruit vaak aan een zuiver gevoel voor recht en een actieve, krachtige geest. Laat men zo'n kind leren dat God de eeuwige Beschermer van het goede is. Hij voelt een tedere zorg voor de mensen, die Hij zo heeft liefgehad dat Hij Zijn geliefde Zoon schonk om hen te redden. Met elke boosdoener wil Hij zich bezig houden. Ka 256 4 "Want wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan" (Zach. 2 :8). "Wentel uw weg op de Here en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken; Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht en uw recht als de middag" (Ps. 37 :5, 6). Ka 256 5 "Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood. Daarom vertrouwen op U wie Uw Naam kennen, want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o Here" (Ps. 9:10, 11). Volmaakt in Christus Ka 257 1 God wil dat wij de barmhartigheid die Hij voor ons aan de dag legt, aan anderen zullen openbaren. Zij die zo opvliegend, zo zelfvoldaan of wraakzuchtig zijn, zouden er verstandig aan doen te zien op de Zachtmoedige en Nederige, Die als een lam ter slachting werd geleid, als een schaap dat stom is voor zijn scheerders. Laten zij zien op Hem, Die onze zonden hebben doorboord en Die onze smarten heeft gedragen, en zij zullen leren te lijden, te verdragen, te vergeven. Ka 257 2 Door geloof in Christus kan elk karaktergebrek verbeterd, elke bezoedeling gereinigd, elke fout gecorrigeerd en elk talent ontwikkeld worden. Ka 257 3 "Gij hebt volheid gekregen in Hem" (Col. 2 : 10). Gebed Ka 257 4 Gebed en geloof staan met elkaar in nauw verband en ze moeten tezamen worden beoefend. In het gebed des geloofs ligt een goddelijke wetenschap; het is een wetenschap, die ieder moet verstaan die van zijn levenswerk een succes wil maken. Christus zegt: "Alwat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen" (Marc. 11:24). Hij maakt ons duidelijk dat ons vragen in overeenstemming met Gods wil moet zijn; wij moeten datgene vragen wat Hij heeft beloofd en wat we ook ontvangen moet gebruikt worden om Zijn wil te doen. Wordt aan de voorwaarden voldaan, dan is de vervulling van de belofte een zekerheid. We mogen vragen om vergeving van zonden, om de Heilige Geest, om een karakter gelijk aan dat van Christus; om wijsheid en kracht voor Zijn werk, om elke gave die Hij heeft beloofd; dan moeten we echter ook geloven dat we ontvangen, en God dank brengen dat we hebben ontvangen. "Gelooft dat gij het hebt ontvangen" Ka 257 5 Wij moeten niet uitzien naar een uiterlijk bewijs van de zegen. De gave ligt in de belofte besloten en we kunnen aan het werk gaan in de volle zekerheid dat wat God beloofd heeft, Hij machtig is te volbrengen, en dat de gave die wij alreeds bezitten, verwerkelijkt zal worden wanneer we die het meest nodig hebben. Het verborgen gebed Ka 257 6 Wanneer wij zo leven door het Woord van God, betekent dat, dat we ons hele leven aan Hem wijden. Aanhoudend zullen we gevoelen dat we op Zijn hulp zijn aangewezen en van Hem afhankelijk zijn; het hart zal naar God uitgaan. Gebed is noodzakelijk, want het is het leven der ziel. Het gebed in het gezin, het gebed in het openbaar zijn noodzakelijk maar het is de verborgen gemeenschap met God die het leven der ziel bewaart. Ka 258 1 Het was op de berg met God dat Mozes het voorbeeld van dat wonderbaarlijke gebouw aanschouwde, dat de woonplaats van Zijn heerlijkheid zou zijn. Het is op de berg met God -- in de verborgen plaats der gemeenschap -- dat wij Zijn heerlijk ideaal voor de mensheid moeten overpeinzen. Aldus zullen wij in staat gesteld worden ons karakter te vormen, opdat aan ons Zijn belofte vervuld mag worden: "Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn" (2 Cor. 6:16). Het voorbeeld van de Heiland Ka 258 2 Het was in de uren van het gebed in de eenzaamheid dat Jezus, toen Hij op aarde was, wijsheid en kracht ontving. Laten de jonge mensen Zijn voorbeeld volgen door in de ochtenden avondschemering een rustige gelegenheid te vinden tot gemeenschap met hun Vader in de hemel. En laten ze ook overdag hun harten keren tot God. Bij elke schrede op onze weg zegt Hij: "Ik, de Here, uw God, grijp uw rechterhand vast, . . . Vrees niet, Ik help u"(Jes. 41:13). Welk een kracht en verkwikking, welk een vreugde en blijdschap zouden er in het leven van onze kinderen zijn, wanneer zij deze lessen in het begin van hun leven zouden leren. Een oorzaak van twijfel Ka 258 3 Dit zijn lessen welke alleen degene die ze zelf geleerd heeft, aan anderen kan onderwijzen. Dat de leer van de Bijbel op de jeugd zo weinig uitwerking heeft, vloeit daaruit voort, dat zovele ouders en onderwijzers belijden het Woord te geloven, terwijl ze in hun leven de kracht daarvan verloochenen. Soms komen jonge mensen zover, dat ze de kracht van het Woord aanvoelen. Zij zien hoe kostbaar de liefde van Christus is. Zij zien de schoonheid van Zijn karakter, de mogelijkheden van een leven dat aan Zijn dienst wordt gewijd. Maar als tegenstelling zien zij het leven van hen die eerbied voor Gods geboden belijden. Op hoe velen zijn de woorden van toepassing, die gesproken werden tot de profeet Bzechiel: -- Ka 259 1 "Uw volksgenoten spreken . . . de een zegt tot de ander, ieder tot zijn naaste: Kom toch mee en hoor, welk woord er van de Here is uitgegaan. En zij komen bij u als in een volksoploop, zetten zich voor u neer als Mijn volk, en horen uw woorden, maar doen er niet naar; woorden van liefde zijn in hun mond, maar hun hart gaat uit naar hun woekerwinst. Zie, gij zijt voor hen als een liefdeslied, schoon van klank, passend bij snarenspel. Zij horen uw woorden, maar zij doen er geenszins naar" (Ezech. 33:30-32). De Bijbel om het leven te vormen Ka 259 2 Men kan de Bijbel beschouwen als een boek vol goede zedelijke lessen, waarop acht geslagen moet worden zover als dat overeen komt met de geest des tijds en met onze positie in de wereld; maar het is iets anders wanneer men het boek beschouwt zoals het werkelijk is, -- het Woord van de levende God -- het Woord dat ons leven is, het Woord dat onze daden, onze woorden en onze gedachten moet vormen. Ziet men Gods Woord als iets dat geringer is dan dit, dan staat dat gelijk met de verwerping daarvan. En deze verwerping door hen die belijden er in te geloven, is wel een van de eerste oorzaken van twijfel en ongeloof onder de jeugd. Tijd voor gebed Ka 259 3 Een intensiteit zoals nooit tevoren werd gezien is bezig de wereld in bezit te nemen. In vermaak, in geld-verdienen, in de strijd om de macht, ja in de worsteling om het bestaan ontketent zich een vreselijke kracht, die lichaam en ziel en geest in beslag neemt. Temidden van deze krankzinnige wedloop laat God zich horen. Hij nodigt ons uit in alle eenzaamheid met Hem gemeenschap te zoeken. "Laat af en weet, dat Ik God ben" (Ps. 46: 11). Ka 259 4 Zelfs in hun wijdingsuren ontgaat velen de zegen van een werkelijke gemeenschap met God. Zij hebben te veel haast. Met jachtende schreden haasten zij zich over de drempel van Gods liefdevolle tegenwoordigheid, misschien zijn zij een ogenblik binnen de geheiligde grenzen, zonder echter op Gods raad te wachten. Zij gunnen zich geen tijd met hun Leraar omgang te hebben. Met hun lasten gaan ze weer naar hun werk. Ka 259 5 Deze arbeiders kunnen nooit de hoogste graad van succes bereiken, tenzij zij het geheim van de kracht leren kennen. Zij moeten zich tijd gunnen te denken, te bidden, op God te wachten voor een hernieuwing van lichamelijke, verstandelijke en geestelijke kracht. Zij hebben behoefte aan de verheffende invloed van Zijn Geest. Wanneer zij die invloed ondergaan, zullen ze verkwikt worden door nieuw leven. Het afgetobde lichaam en de vermoeide hersens zullen nieuwe kracht ontvangen, en van het hart zullen de lasten worden weggenomen. Een kostelijke ervaring Ka 260 1 Niet een kort oponthoud in Zijn tegenwoordigheid, maar een persoonlijk contact met Christus, een zich nederzetten aan Zijn voeten om gemeenschap met Hem te hebben -- ziedaar onze grootste behoefte. Voor de kinderen van onze gezinnen en de scholieren van onze scholen zou het een geluk zijn, wanneer ouders en onderwijzers in hun eigen leven de kostelijke ervaring zouden leren die wij vinden in deze woorden van het Hooglied: -- Ka 260 2 "Als een appelboom onder de bomen des wouds, Zo is mijn geliefde onder de jonge mannen. In zijn schaduw begeer ik te zitten En zoet is zijn vrucht voor mijn gehemelte. Hij heeft mij gebracht naar het wijnhuis En zijn banier over mij was de liefde. (Hoogl. 2 :3, 4). ------------------------Hoofdstuk 31--De levenstaak Ka 261 0 "Dit ene doe ik." Een omlijnd doel Ka 261 1 Succes op een of ander gebied vereist een bepaald omlijnd doel. Wie waarlijk succes in het leven wil bereiken, moet steeds het doel dat zijn inspanning waard is, vast in het oog houden. Zo'n doel wordt de jeugd van heden gesteld. Het door de hemel vastgestelde plan, het evangelie aan de wereld te brengen in dit geslacht, is het edelste doel dat op elk menselijk wezen een beroep kan doen. Het opent een arbeidsveld voor ieder, wiens hart door Christus is beroerd. Ka 261 2 Gods doel met de kinderen die opgroeien in onze gezinnen, is wijder, dieper en hoger dan onze beperkte gezichtskring kan omvatten. Gods doel met de jeugd Ka 261 3 Vroeger heeft Hij uit de nederigste kringen mensen die volgens Hem trouw waren, geroepen om in de hoogste plaatsen der wereld van Hem te getuigen. En menige jongeman van deze tijd, die als Daniël in zijn ouderlijk huis in Judea opgroeit, Gods Woord en Zijn werken bestudeert, en onderlegd wordt tot een trouwe dienst, zal eenmaal staan voor volksvertegenwoordigingen, voor rechtbanken, in koninklijke hoven als een getuige van de Koning der koningen. Velen zullen geroepen worden om God in de wijde wereld te dienen. De ganse wereld staat open voor het Evangelie. Ethiopië strekt zijn handen uit naar God. Vanuit Japan en China en India, van de nog in duisternis verkerende landen van ons eigen continent, vanuit elke hoek van onze wereld komt de roep van zondige harten die de God der liefde willen leren kennen. Miljoenen en miljoenen hebben nog nooit iets gehoord van God of van Zijn liefde die geopenbaard is in Christus. Het is hun recht deze kennis te ontvangen. Zij hebben dezelfde aanspraak op de genade van de Heiland als wij. En het is de plicht van ons, die de kennis hebben ontvangen, met onze kinderen aan wie wij deze kennis kunnen overdragen, op die roep in te gaan. Tot elk gezin en elke school, tot elke ouder, onderwijzer, en het kind op wie het licht van het evangelie heeft geschenen, komt in deze crisistijd de vraag, welke ook aan koningin Esther werd gesteld in die crisis destijds in de geschiedenis van Israel: "Wie weet of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt?" (Esther 4:14). God een Deelgenoot in het lijden Ka 262 1 Zij wier gedachten uitgaan naar het bespoedigen of het belemmeren van het evangelie, overdenken dat doorgaans van hun eigen standpunt en met betrekking tot de wereld; slechts weinigen overdenken dat met betrekking tot God. Weinigen bepalen hun gedachten bij het lijden dat de zonde onze Schepper heeft veroorzaakt. De ganse hemel leed mee in de doodsstrijd van Christus, maar dat lijden begon of eindigde niet met Zijn verschijning in het vlees. Voor ons traag begrip is het kruis een openbaring van de pijn die de zonde, vanaf haar ontstaan, het hart van God heeft toegebracht. Elke afwijking van het recht, elke wrede dood, elk falen van de mens Zijn ideaal te benaderen, smart Hem. Toen over Israël de rampen kwamen als een zeker gevolg van hun afdwaling van God -- onderworpen door hun vijanden, een gruwzame behandeling, en dood -- wordt in verband daarmede gezegd dat "Hij Israëls ellende niet langer kon aanzien" "In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds." (Richteren 10:16; Jes 63:9). Zijn Geest "pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen". Zoals "de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is", (Rom. 8:26, 22) zo doet ook het hart van de oneindige Vader pijn door Zijn medeleven. Onze wereld is een groot ziekenhuis, een toonbeeld van ellende, waarbij wij met onze gedachten bijna niet durven vertoeven. Wanneer het einde zal komen Ka 262 2 Zouden wij daarvan een besef hebben, zoals de werkelijkheid is, dan zou de last te vreselijk zijn. En toch voelt God dit alles. Om de zonde en haar gevolgen te vernietigen, gaf Hij Zijn geliefde Zoon, en Hij heeft het in onze macht gesteld, door met Hem mede te werken, aan dit toneel van ellende een einde te maken. "Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen". (Matth. 24: 14). Het bevel van Christus tot Zijn volgelingen luidt: "Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping". (Marc. 16:15). Niet dat allen geroepen zijn om prediker of zendeling te worden in de gewone zin van het woord; maar allen mogen Zijn medearbeiders zijn in het brengen van de "blijde boodschap" aan hun medemensen. Aan allen, groot en klein, geschoolden en niet-geschoolden, aan jong en oud wordt het bevel gegeven. Fouten in de opvoeding Ka 263 1 Kunnen wij, in verband met dit bevel, onze zonen en dochters opvoeden tot een naar de uiterlijke vorm respectabel leven, een zogenaamd christelijk leven, waaraan echter Zijn zelfopoffering ontbreekt, een leven waarover het vonnis van Hem die de waarheid is, moet luiden: "Ik ken u niet"? Zelfzuchtig doel Ka 263 2 Duizenden doen dit. Zij denken voor hun kinderen de zegeningen van het evangelie zeker te stellen, terwijl zij de geest daarvan verloochenen. Maar dit is een onmogelijkheid. Zij die het voorrecht van de gemeenschap met Christus in het dienen verwerpen, verwerpen de enige opleiding welke iemand in staat stelt met Hem te delen in Zijn heerlijkheid. Zij verwerpen de scholing die in dit leven kracht en karakteradel verleent. Menige vader en moeder die hun kinderen niet gebracht hebben aan de voet van het kruis van Christus, hebben te laat geleerd, dat zij ze aldus overgaven aan de vijand van God en mens. Zij bezegelden hun ondergang, niet alleen voor het toekomstige, maar ook voor het huidige leven. De verzoeking overwon hen. Zij groeiden op als een vloek voor de wereld, tot verdriet en schande voor hen die hun het leven gaven. In beslag genomen door studie Ka 263 3 Velen werden, zelfs in hun voorbereiding om God te dienen, door verkeerde opvoedingsmethoden afkerig gemaakt. In het algemeen wordt hier het leven te vaak gezien als te bestaan uit verschillende perioden, de periode van het leren en de periode van het doen -- de theorie en de practijk --. Ter voorbereiding op een dienend leven worden jonge mensen naar school gezonden, om kennis op te doen uit boekenstudie. Terwijl ze aldus van de verantwoordelijkheden van het dagelijkse leven zijn afgesneden raken ze verdiept in de studie, en verliezen vaak het eigenlijke doel uit het oog. De geestdrift van hun eerste overgave verflauwt en maar al te velen komen onder de invloed van een persoonlijke, zelfzuchtige eerzucht. Wanneer zij zijn afgestudeerd bemerken duizenden dat zij van het leven vervreemd zijn. Zij zijn zo lang bepaald bij het abstrakte en theoretische, dat, waarneer alle krachten opgewekt moeten worden voor de harde strijd van het werkelijke leven, zij daarop niet voorbereid zijn. Inplaats van het edele werk dat zij zich hadden voorgesteld, wordt al hun energie opgebruikt in een strijd om louter het bestaan. Na herhaalde teleurstellingen, zelfs wanhopend aan de mogelijkheid zich een eerlijk bestaan te verzekeren, komen velen tot twijfelachtige of misdadige practijken. De wereld wordt beroofd van de dienst die ze had kunnen ontvangen, en God wordt beroofd van de zielen die Hij had willen verheffen en louteren en eren als Zijn vertegenwoordigers. Vele ouders maken de fout onderscheid tussen hun kinderen te maken wat de opvoeding betreft. Zij getroosten zich bijna elk offer om voor het kind met een helder verstand de beste kansen te verkrijgen. Maar deze kansen worden niet noodzakelijk geacht voor de kinderen die minder beloven. Voor de vervulling van de gewone plichten des levens wordt een gewone scholing voldoende geacht. Wie zullen wij een goede scholing geven? Ka 264 1 Maar wie is in staat uit een gezin met kinderen diegenen te kiezen op wie de zwaarste verantwoordelijkheden zullen rusten? Hoe vaak is het niet voorgekomen dat menselijk oordeel precies verkeerd was? Denk maar eens aan de ervaring van Samuel toen hij werd uitgezonden om van de zonen van Isaï een tot koning te zalven. Zeven edele jonge mannen gingen aan hem voorbij. Toen zijn ogen vielen op de eerste, schoon van aangezicht, goed gebouwd, met de houding van een vorst, riep de profeet uit: "zeker staat hier voor de Here Zijn gezalfde". Maar God zeide: "let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet, de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan". En van alle zeven klonk het getuigenis: "De Here heeft deze niet verkoren". (Sam. 16:6, 7, 10). En pas nadat David weggeroepen was van de kudde, werd de profeet toegestaan zijn taak te vervullen. ,,Niet zoals de mens ziet" Ka 265 1 De oudere broeders, uit wie Samuel zijn keuze had willen maken, bezaten niet de eigenschappen die God als noodzakelijk zag voor een heerser over Zijn volk. Hovaardig, egoïstisch, zelfvoldaan, werden zij opzij gezet voor degene op wie zij neerkeken, die de oprechtheid en de eenvoud van zijn jeugd had bewaard, en die, omdat hij gering was in eigen oog, door God kon worden opgeleid voor de verantwoordelijkheden van het koninkrijk. Zo ziet God ook heden in mening kind, dat de ouders wilden passeren, talenten ver boven die welke anderen openbaren, van wie men denkt dat ze zoveel beloven. Ka 265 2 En wie is eigenlijk bekwaam, wat betreft de mogelijkheden van het leven, te onderscheiden wat van belang en wat niet van belang is? En hoe menige werker van nederige afkomst, die zijn schouders zette onder een of andere onderneming die de wereld tot zegen werd, heeft resultaten bereikt welke koningen hem konden benijden! Laat elk kind daarom een opvoeding voor de hoogste dienst ontvangen. "Zaai uw zaad in de morgen en laat uw hand tegen de avond niet rusten, want gij weet niet of het ene gelukken zal of het andere". (Pred. 11:6). Het kiezen van een bezigheid Ka 265 3 De bijzondere plaats die ons in het leven wordt toegewezen, wordt bepaald door onze capaciteiten. Niet allen bereiken dezelfde ontwikkeling of doen hetzelfde werk met dezelfde bekwaamheid. God verwacht niet dat de hysop de afmetingen van de ceder of dat de olijfboom de hoogte van de statige palm bereikt. Maar ieder moet naar een doel streven, zo hoog, als de verbinding van de menselijke met de goddelijke kracht hem mogelijk maakt te bereiken. Oorzaak van mislukking Ka 265 4 Velen worden niet wat ze zouden kunnen worden omdat ze de kracht die in hen is, niet ontwikkelen. Zij leggen geen beslag op de goddelijke kracht, zoals ze dat zouden kunnen doen. Velen laten zich afleiden van de richting, waarin zij het beste succes zouden kunnen bereiken. Terwijl ze naar groter eer of een prettiger werkkring zoeken, gaan ze zich op iets toeleggen, waarvoor ze niet geschikt zijn. Menigeen die talenten bezit voor een of ander ambacht, kiest in zijn eerzucht een hoger beroep; en hij die een goede boer, handwerksman of ziekenverpleger zou kunnen zijn, neemt de positie in van een predikant, een advocaat of arts, terwijl zijn capaciteiten daartoe niet toereikend zijn. Dan zijn er weer anderen, die een verantwoordelijke positie zouden kunnen bekleden, maar die, door gebrek aan energie, vlijt of volharding, zich tevreden stellen met een gemakkelijker werkkring. Ka 266 1 Het is nodig dat we Gods levensplan meer navolgen. Ons best doen in het werk dat het meest voor de hand ligt, onze wegen aan God opdragen, en letten op de aanwijzingen van Zijn voorzienigheid -- ziedaar de voorschriften die een veilige leiding in de keuze van een werkkring garanderen. Ka 266 2 Hij die van de hemel nederdaalde om ons voorbeeld te zijn, bracht bijna dertig jaar van Zijn leven door in het dagelijkse gewone werk; maar in die tijd bestudeerde Hij het Woord en de werken Gods en hielp en onderwees Hij allen die onder Zijn invloed kwamen. Toen Hij Zijn openbaar dienstwerk begon, ging Hij het land door, genas de zieken, troostte de bedroefden en verkondigde het evangelie aan de armen. Dit is het werk van al Zijn volgelingen. Een voorbeeld in het dienen Ka 266 3 "De eerste onder u", zo sprak Hij, "worde als de jongste en de leider als de dienaar. Want Ik ben in uw midden als dienaar.(Luc. 22 :26, 27). Ka 266 4 Christus lief te hebben en trouw te zijn is de bron van alle waarachtig dienen. In het hart dat door Zijn liefde wordt beroerd, ontstaat een verlangen voor Hem te arbeiden. Men moet dit verlangen aanmoedigen en in de juiste banen leiden. Men moet de aanwezigheid van armen, bedroefden, onwetenden of ongelukkigen, hetzij in het gezin, de omgeving of de school, niet als een tegenslag beschouwen, maar daarin, wat het dienen betreft, een kostelijke gelegenheid zien. Ka 266 5 In dit werk, evenals in elk ander, wordt bekwaamheid verkregen door de practijk. Juist door zich te oefenen in de gewone plichten des levens en in het dienen van de nooddruftigen en zieken, wordt vaardigheid verkregen. Zonder dit worden de best bedoelde pogingen vaak nutteloos en zelfs nadelig. Zwemmen leert men immers in het water en niet op het droge. Kerkverband Ka 266 6 Een andere verplichting, vaak te oppervlakkig beschouwd, welke aan de jeugd die de eisen van Christus heeft leren kennen, duidelijk gemaakt moet worden, is de verplichting die zij als lid van de gemeente hebben. Ka 267 1 De verhouding tussen Christus en Zijn gemeente is zeer innig en heilig, Hij de Bruidegom, en de gemeente de bruid, Hij het hoofd en de gemeente het lichaam. Gemeenschap met Christus houdt dus ook in: gemeenschap met Zijn gemeente. Ka 267 2 De gemeente is georganiseerd om te dienen; en in een dienend leven voor Christus is gemeenschap met de gemeente een van de eerste schreden. Getrouwheid aan Christus eist de trouwe vervulling van kerkelijke plichten. Dit is een belangrijk onderdeel van iemands opleiding, en in een gemeente, doortrokken van 's Meesters leven, zal dat er toe leiden dat men zich met de wereld daarbuiten bezighoudt. Jeugdverenigingen Ka 267 3 Er zijn tal van richtingen, waarin de jeugd gelegenheid kan vinden om te helpen. Zij moeten zich in groepen verenigen tot een christelijke liefdedienst, en deze samenwerking zal blijken een hulp en bemoediging te zijn. Door belangstelling te tonen voor het werk van de jonge mensen, zullen ouders en onderwijzers in staat zijn hen te helpen met hun eigen grotere ervaring zodat hun pogingen succes zullen hebben. Zending in verre landen Ka 267 4 Bekendheid met iets wekt medeleven, en medeleven is de bron van succesvolle arbeid. Om bij de kinderen en bij de jeugd sympathie en de geest van zelfverloochening voor de lijdende miljoenen in verre gebieden te wekken, moet men hen met deze landen en volken bekend maken. Op dit gebied kan in onze scholen veel bereikt worden. Inplaats van hun aandacht te vestigen op de heldendaden van de Alexanders en Napoleons der geschiedenis, kan men de scholieren beter het leven laten bestuderen van mannen als de apostel Paulus en Maarten Luther, Moffat, Livingstone en Carey, en van de geschiedenis der zending zoals die zich in onze tijd ontwikkelt. Inplaats van hun geheugen te belasten met een lijst van namen en theorieën, die voor hun leven waardeloos zijn, en waaraan, eenmaal buiten de school, ze ternauwernood nog aandacht schenken, kunnen zij beter een studie maken van alle landen met betrekking tot het zendingswerk en bekend worden met de volken en hun noden. Arbeiders uit het gewone volk Ka 268 1 In dit afsluitingswerk van het evangelie moet nog een zeer groot veld bewerkt worden, en meer dan ooit tevoren moeten helpers uit het gewone volk in dit werk worden ingeschakeld. Zowel de jeugd als de ouderen zullen geroepen worden van de akker, uit de wijngaard en de werkplaats om door de Meester te worden uitgezonden en Zijn boodschap te verkondigen. Velen van hen hebben voor opleiding weinig gelegenheid gehad, maar Christus ziet in hen eigenschappen die hen in staat zullen stellen aan Zijn bedoeling te beantwoorden. Wanneer zij hun hart in het werk leggen en graag willen leren, zal Hij ze geschikt maken om voor Hem te werken. Ka 268 2 Hij die de diepten van 's werelds ellende en wanhoop kent, kent ook de middelen welke in de nood voorzien. Aan alle kanten ziet Hij zielen in duisternis, gebukt onder zonde en droefheid en pijn. Maar Hij ziet ook hun mogelijkheden; Hij ziet de hoogte, die zij kunnen bereiken. Hoewel menselijke wezens hun zegeningen misbruikhun talenten verknoeid en de waardigheid van een godzalig mensengeslacht verloren hebben, zal nochtans de Schepper in hun verlossing verheerlijkt worden. De keuze van de Heiland Ka 268 3 De last van de arbeid voor die nooddruftigen in de ruwe gebieden der aarde, legt Christus op hen die gevoel hebben voor de on wetenden en voor hen die zijn afgedwaald. Hij zal aanwezig zijn om diegenen te helpen, wier harten ontvankelijk zijn voor medeleven, al zijn hun handen misschien ruw en onbekwaam. Hij wil werken door hen die barmhartigheid in ellende, en winst in verlies zien. Wanneer het Licht der wereld voorbij gaat, zal in alle moeiten een voorrecht, in verwarring orde, en in ogenschijnlijke mislukking succes gezien worden. Rampen zullen gezien worden als zegeningen en ellende als barmhartigheid. Arbeiders uit het gewone volk die de smarten van hun medemensen delen zoals hun Meester de smarten deelde van de ganse mensheid, zullen in het geloof aanschouwen hoe Hij met hen medewerkt. Ka 268 4 "Nabij is de grote dag des Heeren, nabij en hij nadert haastig". (Zef. 1:14). En een wereld moet gewaarschuwd worden. Ka 269 1 Duizenden en nog eens duizenden van de jeugd en van de ouderen moeten zich met de voorbereiding die zij kunnen krijgen, aan dit werk wijden. Reeds gaan velen in op de roepstem van hun Here en Heiland en hun aantal zal nog groter worden. Laat elke christelijke opvoeder zulke arbeiders sympathie en medewerking verlenen. Laat hij de aan zijn zorg toevertrouwde jeugd bemoedigen en helpen opdat ze voorbereid worden om in de gelederen hun plaats in te nemen. Kans om geschoold te worden Ka 269 2 Er is geen beroep, waarin de jeugd groter zegening kan ontvangen. Allen die zich aan de dienst des Heren wijden, zijn Gods helpende hand. Zij zijn de medearbeiders van de engelen; veelmeer nog zijn ze de menselijke werktuigen door wie de engelen hun opdracht vervullen. Engelen spreken door hun stem en werken door hun handen. En de menselijke arbeiders, in samenwerking met hemelse machten, plukken de vruchten van hun opvoeding en ervaring. Welke "universiteitsopleiding" kan als scholingsmiddel hiermede gelijk staan? Het erfdeel onzer kinderen Ka 269 3 Hoe snel zou de boodschap van een gekruisigde, verrezen, en spoedig komende Heiland aan de wereld gebracht kunnen worden, wanneer we zo'n goed getraind leger van arbeiders hadden als onze jeugd met een goede opleiding zou kunnen vormen. Hoe spoedig zou dan het einde komen, het einde van lijden, van smart en zonde! Hoe spoedig zouden dan onze kinderen, inplaats van een erfdeel hier, bevlekt door zonde en smart, hun erfdeel ontvangen waar "de rechtvaardigen het land beërven en daarin voor immer wonen"; waar "geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek", en "niet meer gehoord zal worden het geluid van geween" (Ps. 37 :29; Jes. 33 :24; 65 :19). De Eerste Scholing Ka 269 3 "Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u." ------------------------Hoofdstuk 32--De voorbereiding Ka 273 0 "Maakt er ernst mede u wél beproefd ten dienste van God te stellen." De kans van de moeder Ka 273 1 Het kind ontvangt de eerste lessen van de moeder. Gedurende de periode van de grootste ontvankelijkheid en de snelste ontwikkeling ligt zijn opvoeding grotendeels in haar handen. Zij is de eerste die in de gelegenheid is het karakter ten goede of ten kwade te vormen. Zij moet de waarde van de kans die zij krijgt begrijpen en meer dan elke andere onderwijzer moet zij in staat zijn daarvan het beste gebruik te maken. En toch is er geen ander aan wiens opvoedingsarbeid zo weinig aandacht geschonken wordt als aan die van haar. De moeder, wier invloed op de opvoeding het krachtigst en meest vèr reikend is, is degene aan wie nagenoeg alle systematische hulp wordt onthouden. Gebrek aan voorbereiding Ka 273 2 Degenen aan wie de zorg van het kleine kind wordt opgedragen, zijn maar al te vaak niet op de hoogte van zijn lichamelijke behoeften; zij weten weinig van de wetten der gezondheid of de beginselen van de ontwikkeling. En zij zijn ook niet in staat zorg te dragen voor zijn verstandelijke en geestelijke groei. Zij zijn misschien bekwaam om zakén te leiden of in gezelschap een goed figuur te maken; zij nemen misschien een vooraanstaande plaats in in de literatuur of in de wetenschap, maar van de opvoeding van een kind weten ze maar weinig af. Het is hoofdzakelijk wegens deze tekortkoming, vooral wat betreft de vroegtijdige verwaarlozing van de lichamelijke ontwikkeling, dat zo velen van de mensheid sterven in de kinderjaren, en dat er onder degenen die volwassen worden zo velen zijn, voor wie het leven een last is. Scholing van de ouders Ka 273 3 Zowel op de vaders als op de moeders rust verantwoordelijkheid ten aanzien van de opvoeding van het kind in de jeugd als ook daarna, en het is nodig dat beiden zich op die taak terdege voorbereiden. Alvorens mannen en vrouwen de mogelijkheid op zich nemen van het ouderschap, moeten zij bekend worden met de wetten der lichamelijke ontwikkeling -- met fysiologie en gezondheidsleer, met de uitwerking van invloeden van vóór de geboorte, met de erfelijkheidswetten, gezondheidsmaatregelen, kleding, lichaamsoefening, en behandeling van zieken; en ook moeten zij de wetten van de geestelijke ontwikkeling en zedelijke opvoeding kennen. Ka 274 1 Dit opvoedingswerk heeft de oneindige God van zo groot belang geacht, dat engelen voor Zijn troon naar een aanstaande moeder werden gezonden ter beantwoording van de vraag: "Hoe moeten dan de leefwijze en het werk van de jongen zijn?" (Richt. 13:12) en de vader te onderrichten aangaande de opvoeding van de beloofde zoon. Ka 274 2 Nooit zal de opvoeding bereiken wat zij kan en moet bereiken, tenzij de belangrijkheid van het werk der ouders ten volle wordt erkend en zij voor de geheiligde verantwoordelijkheden der opvoeding worden opgeleid. De onderwijzer; veelzijdige opleiding Ka 274 3 Algemeen wordt erkend, dat een onderwijzer voor zijn taak een grondige voorbereiding moet ontvangen; en toch zien slechts weinigen wat in die opleiding het noodzakelijkst is. Wie de verantwoordelijkheid die besloten ligt in de opvoeding der jeugd waardeert, zal beseffen dat enkel de scholing op wetenschappelijk en literair gebied niet voldoende kan zijn. De onderwijzer moet een veel omvangrijker opleiding ondergaan dan door boeken verkregen kan worden. Hij moet niet alleen een goed ontwikkeld verstand hebben, maar ook een ruime opvatting; hij moet niet alleen met zijn hele ziel bij zijn werk zijn maar ook met zijn ganse hart. Ka 274 4 Noodzakelijke eigenschappen Ka 274 5 Alleen Hij die het verstand schiep en zijn wetten bepaalde, kan ten volle de behoeften van het verstand begrijpen en de ontwikkeling daarvan leiden. De beginselen van de opvoeding die Hij heeft ingesteld, zijn de enig betrouwbare gids. Daarom is het voor elke onderwijzer nodig deze beginselen te kennen en die zo te aanvaarden dat zijn eigen leven daardoor wordt beheerst. Ka 274 6 Ervaring in de praktijk van het leven is onmisbaar. Orde, grondigheid, stiptheid, zelfbeheersing, een opgewekt humeur, onpartijdigheid, zelfopoffering, onkreukbaarheid en beleefdheid, zijn noodzakelijke eigenschappen. Ka 275 1 Omdat de jeugd zoveel oppervlakkigheid van karakter, zoveel onechts om zich heen ziet, is het des te meer nodig dat de woorden, de houding en gedragingen van de onderwijzer blijk geven van een verheven en nobel karakter. Kinderen zien direct of iets gekunsteld of gebrekkig is. Op geen andere manier kan de onderwijzer het respect van zijn leerlingen winnen dan door in zijn eigen karakter de beginselen te openbaren, die hij hun wil bijbrengen. Alleen wanneer hij dit in zijn dagelijkse omgang met hen doet, kan hij op hen een blijvende invloed ten goede uitoefenen. Lichamelijke gezondheid Ka 275 2 Voor bijna elke andere eigenschap die bijdraagt tot zijn succes, is de onderwijzer in grote mate afhankelijk van zijn lichamelijke gezondheid. Hoe beter zijn gezondheid is, des te beter zal zijn werk zijn. Ka 275 3 Zo afmattend zijn de verantwoordelijkheden, dat hij van zijn kant zorg moet dragen zijn gezondheid en vitaliteit te bewaren. Vaak wordt hij vermoeid van hoofd en hart, met de bijna onweerstaanbare neiging neerslachtig, onverschillig of prikkelbaar te worden. Het is niet enkel zijn plicht zich tegen zulke gemoedsstemmingen te verzetten, maar ook de oorzaak daarvan te vermijden. Hij moet rein van hart en opgewekt blijven, vol vertrouwen en medeleven. Om altijd flink en kalm en opgewekt van humeur te zijn, moet hij de kracht van hersenen en zenuwen sparen. Ka 275 4 Daar in zijn werk de kwaliteit van veel meer belang is dan de kwantiteit, moet hij zorgen niet overwerkt te raken en in zijn dagelijkse bezigheden niet te veel te willen bereiken. Ook moet hij geen andere verantwoordelijkheden op zich nemen, die hem voor zijn werk ongeschikt zouden maken, en zich verre houden van vermaken en genoegens, die meer vermoeien dan ontspannen. Arbeid in de open lucht Ka 275 5 Beweging in de open lucht, en vooral nuttige arbeid, is een van de beste middelen tot ontspanning van lichaam en geest; en het voorbeeld van de onderwijzer zal zijn leerlingen belangstelling en eerbied voor handenarbeid bijbrengen. Ka 275 6 Op elk gebied moet de onderwijzer zich nauwgezet aan de gezondheidsbeginselen houden. Hij moet dit niet alleen doen vanwege de invloed daarvan op zijn eigen prestaties, maar ook vanwege de invloed daarvan op zijn leerlingen. In alle dingen moet hij matig zijn; in dieet, kleding, arbeid, ontspanning moet hij een voorbeeld zijn. Algemene ontwikkeling Ka 276 1 Met lichamelijke gezondheid en oprechtheid van karakter moet ook een algemene ontwikkeling van hoogstaand peil samen gaan. Hoe meer waarachtige kennis de onderwijzer bezit, des te beter zal zijn werk zijn. Het schoollokaal is geen plaats voor oppervlakkig werk. Geen onderwijzer die tevreden is met oppervlakkige kennis, zal veel kunnen presteren. Een hoge maatstaf Ka 276 2 Maar de bruikbaarheid van de onderwijzer berust niet zozeer op de omvang van zijn verworven kennis, als wel op het verheven doel waarnaar hij streeft. De ware onderwijzer is niet tevreden met een oppervlakkige gedachtengang, een trage geest of een zwak geheugen. Aanhoudend zal hij streven naar hogere maatstaven en betere methoden. In zijn leven zal een bestendige wasdom te zien zijn. In het werk van zo'n onderwijzer in een frisheid, een verkwikkende kracht die zijn leerlingen opwekt en aanspoort. Ka 276 3 De onderwijzer moet in alle opzichten geschikt voor zijn werk zijn. Hij moet de wijsheid en takt bezitten met mensen om te gaan. Hoe groot zijn wetenschappelijke kennis ook is, hoe uitstekend ook zijn eigenschappen op ander gebied, indien hij het respect en vertrouwen van zijn leerlingen niet wint, zal zijn arbeid tevergeefs zijn. Leiding geven Ka 276 4 Er zijn onderwijzers nodig met een goed onderscheidingsvermogen, die elke kans aangrijpen om iets goeds te bereiken; bij wie de juiste waardigheid samengaat met geestdrift. Zij moeten leiding kunnen geven en onderlegd zijn in het onderwijzen; zij moeten tot denken aansporen, en energie en volharding bij hun scholieren opwekken. De mogelijkheid kan bestaan dat een onderwijzer zelf niet zo'n goede opleiding heeft genoten en dat hij niet zo algemeen ontwikkeld is als wenselijk was. Wanneer hij nochtans een goede mensenkennis bezit, zijn werk liefheeft en de betekenis daarvan waardeert, wanneer hij bereid is zich zelf verder te ontwikkelen en volhardend te arbeiden, zal hij de behoeften van zijn scholieren leren kennen, en door zijn medelevende, vooruitstrevende geest zal hij hen bezielen hem te volgen wanneer hij hen voorwaarts en opwaarts wil leiden. Moeilijkheden Ka 277 1 Onder de kinderen en opgroeiende jeugd die aan de zorg van de onderwijzer zijn toevertrouwd, bestaat groot verschil in aanleg, gewoonten en opvoeding. Sommigen hebben geen bepaald doel of vaste beginselen. Daarom moeten zij hun verantwoordelijkheden en mogelijkheden leren kennen. Maar weinige kinderen hebben in het gezin een goede opvoeding gehad, en velen zijn thuis verwend. Hun hele opvoeding is oppervlakkig. Ze mochten hun eigen zin doen en zich onttrekken aan verantwoordelijkheden en lasten, waardoor hen standvastigheid, doorzettingsvermogen en zelfverloochening ontbreken. Tucht zien ze vaak als een onnodige beperking. Bij andere kinderen werden de teugels te strak gehouden waardoor ze ontmoedigd werden. Willekeurige beperkingen en hardheid maakten hen koppig en wantrouwend. Wanneer deze onvolmaakte karakters worden bij geschaafd, moet dit werk in de meeste gevallen door de onderwijzer gebeuren. Inzicht en medeleven Ka 277 2 Om dit met succes te kunnen doen moet hij dat medeleven en inzicht bezitten, dat hem in staat zal stellen bij zijn leerlingen de oorzaak van de fouten en dwalingen op te sporen. Hij moet ook de takt en bekwaamheid, het geduld en de vastberadenheid bezitten om ieder van zijn leerlingen de juiste hulp te geven -- voor de weifelenden en gemakzuchtigen die bemoediging en bezieling dat ze zich gaan inspannen; voor de ontmoedigden medeleven en waardering welke vertrouwen zullen wekken om aan de studie te gaan. Omgang met de leerlingen Ka 277 3 Wat de prettige omgang met hun leerlingen betreft, schieten onderwijzers vaak te kort. Zij geven blijk van te weinig medeleven en vriendelijkheid en zij tonen te veel de strenge waardigheid van een rechter. Al moet de onderwijzer vastberaden zijn, hij moet toch niet dictatoriaal optreden. Wanneer hij hard en streng is, zijn leerlingen op een afstand houdt of hen onverschillig bejegent, zal dit alles hem beletten op hen een invloed ten goede te kunnen uitoefenen. Partijdigheid Ka 278 1 Onder geen enkele omstandigheid mag de onderwijzer partijdig zijn. Hij openbaart een absoluut verkeerd begrip van zijn taak wanneer hij de innemende, prettige leerling voortrekt, en critisch, ongeduldig of onsympathiek staat tegenover diegenen die bemoediging en hulp het meest nodig hebben. In zijn optreden tegen lastige kinderen wordt het karakter getoetst en bewijst de onderwijzer of hij werkelijk voor zijn arbeid geschikt is. Verantwoordelijkheid Ka 278 2 Groot is de verantwoordelijkheid van hen die het op zich nemen een menselijke ziel te leiden. De goede vader en moeder zullen dat zien als een hun toevertrouwd pand, waarvan zij zich nooit geheel kunnen losmaken. Van zijn eerste tot zijn laatste dag voelt het kind de kracht van die band, welke het verbindt met het hart der ouders; de daden, de woorden, ja zelfs de blik van de ouders oefenen op het kind een invloed ten goede of ten kwade uit. In deze verantwoordelijkheid deelt ook de onderwijzer en hij moet voortdurend de heiligheid daarvan zien en zich het doel van zijn werk voor ogen houden. Hij is er niet alleen om zijn dagelijkse plichten te doen, zijn opdrachtgevers te behagen of de goede naam van de school hoog te houden; hij moet ook acht slaan op het hoogste goed van zijn leerlingen als individuën, op de plichten die het leven hen oplegt, op het werk en de voorbereiding die voor dit alles vereist is. Het werk dat hij dag in dag uit doet, zal op zijn leerlingen, en door hen op anderen een invloed uitoefenen, welke in omvang en kracht zal toenemen tot het einde des tijds. De vruchten van zijn werk zal hij moeten zien op die grote dag, wanneer elk woord en elke daad voor God in herinnering gebracht zullen worden. Ka 278 3 De onderwijzer die dit beseft, zal niet het gevoel hebben dat zijn taak is afgelopen, wanneer hij zijn dagelijkse lesrooster heeft afgewerkt en zijn leerlingen voor een poos aan zijn directe zorg zijn onttrokken. Hij zal bezorgd zijn voor deze kinderen en jonge mensen. Voortdurend zal hij nagaan en zijn best doen hoe hij hen kan brengen tot de hoogste graad van wat bereikt kan worden. Persoonlijke vervolmaking Ka 279 1 Wie de kansen en voorrechten van zijn werk ziet, zal niet toelaten dat aan zijn persoonlijke vervolmaking ook maar iets in de weg staat. Hij zal alle mogelijke moeite doen tot deze hoge trap te komen. Alles wat hij zijn leerlingen wil laten bereiken, zal hij zichzelf ten doel stellen. Onze hulpbron Ka 279 2 Hoe dieper het gevoel voor verantwoordelijkheid is en hoe krachtiger de inspanning tot persoonlijke vervolmaking, des te scherper zal de onderwijzer de gebreken zien die zijn bruikbaarheid in de weg staan, en des te meer zal hij die betreuren. Wanneer hij de belangrijkheid van zijn werk met zijn moeilijkheden en mogelijkheden ziet, zal zijn hart vaak uitroepen: "Wie is hiertoe bekwaam?" Ka 279 3 Beste onderwijzer, wanneer u ziet hoeveel behoefte u hebt aan kracht en leiding -- een behoefte waarin geen menselijke hulpbron kan voorzien --, vraag ik u de beloften na te gaan van Hem die de wonderbaarlijke Raadgever is. Ka 279 4 "Zie", zegt Hij, "Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten" (Openb. 3:8). Ka 279 5 "Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden." "Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; Mijn oog is op u." (Jes. 33 :3; Ps. 32 : 8). Ka 279 6 "Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld" (Matth. 28 : 20). De hoogste voorbereiding Ka 279 7 Wat betreft de hoogste voorbereiding voor uw werk, wijs ik u op de woorden, het leven, de methoden van de grootste Leraar die de wereld ooit heeft gekend. Ik vraag u: zie op Hem. Hier is uw ware ideaal. Aanschouwt het, overpeinst het, tot de Geest van de Goddelijke Leraar van uw hart en leven bezit zal hebben genomen. "Weerspiegelend de heerlijkheid des Heren" zult u "veranderd worden naar hetzelfde beeld" (2 Cor. 3:18). Ka 279 8 Dit is het geheim van de macht over uw leerlingen. Weerspiegel Hem. ------------------------Hoofdstuk 33--Samenwerking Ka 280 0 "Wij zijn leden van elkander." Ka 280 1 Bij de karaktervorming zijn geen andere invloeden zo van belang als de invloed van het gezin. Het werk van de onderwijzer moet dat van de ouders aanvullen, maar moet dat niet vervangen. In alles wat het welzijn van het kind betreft, moet er een samenwerking zijn tussen de ouders en de onderwijzers. Samenwerking der ouders Ka 280 2 De samenwerking moet reeds in het gezinsleven tot stand komen tussen de vader en moeder zelf. Bij de opvoeding van hun kinderen, dragen zij tezamen de verantwoordelijkheid, en aanhoudend moet hun streven erop gericht zijn, samen te werken. Zij moeten zich aan God overgeven en bij Hem hulp zoeken om elkander tot steun te zijn. Laten ze hun kinderen leren oprecht te zijn tegenover God en tegenover beginselen, en aldus eerlijk tegenover zichzelf en tegenover allen met wie zij te maken hebben. Wanneer de kinderen zo zijn opgevoed, zullen ze op school geen zorgen of moeilijkheden veroorzaken. Zij zullen een hulp voor hun onderwijzers en een voorbeeld en bemoediging voor hun medescholieren zijn. Naast de onderwijzer staan Ka 280 3 Ouders, die hun kinderen op deze wijze opvoeden, zullen niet behoren tot degenen die de onderwijzer critiseren. Zij voelen dat zowel het belang van hun kinderen als de rechtvaardigheid ten opzichte van de school eisen dat zij hem helpen en respecteren die in hun verantwoordelijkheid deelt. Critiek Ka 280 4 Hierin falen tal van ouders. Door hun haastige, ongegronde critiek wordt de invloed van de trouwe, zich opofferende onderwijzer vaak zo goed als te niet gedaan. Vele ouders, wier kinderen door toegevendheid bedorven zijn, belasten de onderwijzer met de onaangename taak hun verzuim goed te maken; en dan maken zij door hun manier van doen zijn taak bijna hopeloos. Hun critiek en hun afgeven op de leiding van de school zetten de kinderen aan tot ongehoorzaamheid en versterken hen in hun verkeerde gewoonten. Worden critiek of voorstellen betreffende het werk van de onderwijzer noodzakelijk, dan moet men hem apart daarover spreken. Heeft dit geen resultaat, dan moet de kwestie worden voorgelegd aan hen die de verantwoordelijkheid van het beheer der school dragen. Niets moet gezegd of gedaan worden wat het respect der kinderen tegenover hem, van wie hun welzijn in zo grote mate afhangt, verzwakt. De onderwijzer op de hoogte stellen Ka 281 1 Daar de ouders zowel met het karakter van hun kinderen als met hun fysieke eigenaardigheden en zwakheden goed bekend zijn, zou het een hulp zijn voor de onderwijzer, wanneer hij daarvan op de hoogte werd gesteld. Het is heel jammer dat velen dit niet inzien. De meeste ouders tonen weinig belangstelling om zich op de hoogte te stellen van de eigenschappen van de onderwijzer, of met hem in zijn arbeid samen te werken. De onderwijzer ten opzichte van de ouders Ka 281 2 Omdat de ouders zo zelden contact zoeken met de onderwijzer, is het des te belangrijker dat de onderwijzer contact zoekt met de ouders. Hij moet zijn scholieren thuis een bezoek brengen, teneinde zich op de hoogte te stellen van de invloeden en omgeving waarin zij verkeren. Wanneer hij persoonlijk in aanraking komt met hun tehuis en met hun leven, kan hij de banden tussen hem en zijn leerlingen versterken en leren hoe hij met de jonge mensen met hun verschillende aanleg en aard het best kan omgaan. Een dubbele zegen Ka 281 3 Wanneer hij van zijn belangstelling in de gezinsopvoeding blijk geeft, doet hij aan twee kanten een goed werk. Door geheel op te gaan in hun werk en in hun zorgen, zien vele ouders hun kansen niet meer, het leven hunner kinderen ten goede te beïnvloeden. De onderwijzer kan veel doen door deze ouders te wijzen op hun mogelijkheden en voorrechten. Hij zal ook ouders ontmoeten voor wie het gevoel van hun verantwoordelijkheid een zware last is, zo verlangend zijn ze dat hun kinderen zullen opgroeien tot goede, nuttige mannen en vrouwen. Vaak kan de onderwijzer deze ouders helpen in het dragen van hun lasten, en door daarover te beraadslagen zullen zowel de onderwijzer als de ouders bemoedigd en gesterkt worden. Ouders en kinderen Ka 282 1 In de gezinsopvoeding van de jeugd is het beginsel van samenwerking onschatbaar. Van hun prilste jaren moet men de kinderen leren dat zij deel uitmaken van het gezin. Zelfs de kleintjes moet reeds geleerd worden in het dagelijkse werk een handje te helpen en men moet ze laten voelen dat hun hulp nodig is en gewaardeerd wordt. De oudere kinderen moeten hun ouders helpen door belangstelling te tonen voor hun plannen en te delen in hun verantwoordelijkheden en lasten. Vaders en moeders moeten de tijd nemen om hun kinderen te onderrichten en ze moeten hun tonen hoe zeer zij hun hulp waarderen, hun vertrouwen gaarne hebben, en hun gezelschap op prijs stellen. Wanneer de ouders dit doen, zullen de kinderen niet aarzelen daarop in te gaan. Niet alleen zullen de ouderlijke lasten worden verlicht en de kinderen een praktische opvoeding van onschatbare waarde ontvangen, maar de gezinsbanden zullen versterkt en de karaktereigenschappen verdiept worden. Onderwijzers en scholieren Ka 282 2 Samenwerking moet de geest en de wet van het schoollokaal zijn. De onderwijzer die de medewerking van zijn leerlingen weet te verkrijgen, verschaft zich een waardevolle hulp om de orde te handhaven. Door te helpen in het schoollokaal zal menige jongen wiens rusteloosheid aanleiding is tot wanorde en ongehoorzaamheid, een uitlaat voor zijn overvloedige energie vinden. Laten de ouderen de jongeren, de sterken de zwakken helpen; en laat zo veel mogelijk een ieder in de gelegenheid gesteld worden iets te doen waarin hij uitmunt. Dat zal zelfrespect en het verlangen zich nuttig te maken, aanmoedigen. Bijbelse voorbeelden Ka 282 3 Voor de jeugd als ook voor ouders en onderwijzers zou het goed zijn, de les van samenwerking zoals die in de Bijbel geleerd wordt, ter harte te nemen. Besteed onder die vele voorbeelden vooral aandacht aan de bouw van de tabernakel -- die aanschouwelijke les van karaktervorming -- waaraan het hele volk deelnam, "iedere man wiens hart hem dreef, ieder wiens geest hem drong" (Exod. 35:21). Leest hoe te midden van armoede, moeilijkheden en gevaren de muren van Jeruzalem door de teruggekeerde gevangenen werden herbouwd, hoe de grote taak tot een succesvol einde werd gebracht omdat "het volk lust had om te werken" (Neh. 4:6). Lees hoe de discipelen deel hadden in het wonder van de Heiland, toen de duizenden werden gespijzigd. Het voedsel vermeerderde in de handen van Christus, maar de discipelen ontvingen het brood en gaven het door aan de wachtende scharen. Ka 283 1 "Wij zijn leden van elkander." Daarom "dient elkander, een ieder naar de genadegave die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods" (Efez. 4:25; 1 Petrus 4:10). Ka 283 2 Wel mochten de woorden, geschreven van de bouwers van afgodsbeelden in het verleden, maar dan met een waardiger doel, als motto aangenomen worden door de karakterbouwers van heden. "De een hielp de ander en zeide tot zijn makker: Houd moed!" (Jes 41:6). ------------------------Hoofdstuk 34--Tucht Ka 284 0 " Wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting." Het leren van gehoorzaamheid Ka 284 1 Een van de eerste lessen die een kind moet leren is de les der gehoorzaamheid. Vóór het oud genoeg is te begrijpen, kan het leren te gehoorzamen. Door een zachte, volhardende drang moet die gewoonte worden aangeleerd. Op die manier kunnen grotendeels die latere conflicten tussen eigen wil en gezag voorkomen worden die immers zo veel bijdragen tot het ontstaan van verwijdering en verbittering tegenover ouders en onderwijzers, en maar al te vaak tot het verzet tegen alle gezag, zowel goddelijk als menselijk. Zelfbeheersing Ka 284 2 Het doel van de tucht is de opvoeding van het kind tot zelfbeheersing. Het moet zelfvertrouwen en zelfbeheersing leren. Zodra het in staat is iets te begrijpen, moet zijn verstand gericht worden op gehoorzaamheid. Ga zo met het kind om, dat het gehoorzaamheid ziet als goed en redelijk. Laat het zien dat alle dingen aan wetten onderworpen zijn en dat ongehoorzaamheid uiteindelijk leidt tot alle mogelijke rampen. Wanneer God zegt: "Gij zult niet", waarschuwt Hij ons liefdevol voor de gevolgen van ongehoorzaamheid, om ons voor alle ellende te sparen. Probeer de kinderen te laten zien dat ouders en onderwijzers Gods vertegenwoordigers zijn en dat hun wetten in het gezin en op school ook de Zijne zijn, wanneer zij in overeenstemming met Hem handelen. Zoals het kind ouders en onderwijzers moet gehoorzamen, moeten dezen op hun beurt God gehoorzamen. Het ,,breken" van de wil Ka 284 3 Ouders zowel als onderwijzers moeten nagaan hoe de ontwikkeling van het kind geleid moet worden zonder die te hinderen door al te veel toezicht. Te veel leiding is even verkeerd als te weinig leiding. Het pogen de wil van een kind "te breken", is een grove fout. Kinderen zijn verschillend geaard; terwijl door geweld uiterlijk een onderwerping verkregen kan worden, worden vele kinderen innerlijk des te opstandiger. Ka 284 4 Zelfs al zou de ouder of de onderwijzer er in slagen het kind zijn wil op te leggen, dan zouden voor de kinderlijke ziel de gevolgen niet minder nadelig zijn. De discipline van een menselijk wezen dat tot de jaren des onderscheids is gekomen, moet verschillen van de africhting van het stomme dier. Het dier wordt enkel onderwerping aan zijn meester geleerd. Voor het dier is de meester verstand, oordeel en wil. Deze soms bij de opvoeding der kinderen toegepaste methode, maakt van hen niet veel meer dan automaten. Het verstand, de wil, en het geweten staan onder de macht van een ander. Het is niet Gods bedoeling dat de geest van een mens aldus wordt beheerst. Zij die de persoonlijkheid verzwakken of vernietigen, nemen een verantwoordelijkheid op zich, die enkel kwade gevolgen kan hebben. Terwijl de kinderen onder zo'n tucht staan, lijken ze veel op goed afgerichte soldaten; maar wanneer die macht ophoudt, zal men ervaren dat kracht en standvastigheid aan het karakter ontbreken. Daar de jonge mensen nooit geleerd hebben, zichzelf leiding te geven, zien zij geen andere beperking dan wat door de ouders of de onderwijzer wordt verlangd. Komen zij daar eenmaal onder uit, dan weten ze niet hoe zij hun vrijheid moeten gebruiken, en vaak geven ze zich dan over aan uitspattingen die op den duur hun ondergang zijn. Ka 285 1 Daar het onderwerpen van de wil voor sommige leerlingen veel moeilijker is dan voor anderen, moet de onderwijzer de gehoorzaamheid aan zijn eisen zo gemakkelijk mogelijk stellen. De wil moet geleid en gevormd worden, maar niet genegeerd of onderdrukt. Handhaaft de kracht van de wil, want in de strijd des levens is die zo nodig. De waarde van wilskracht Ka 285 2 Elk kind moet de wezenlijke kracht van de wil begrijpen. Men moet het laten zien hoe groot de verantwoordelijkheid is, die in deze gave besloten ligt. De wil is de leidende macht in de natuur van de mens, de kracht om een besluit te nemen of een keuze te doen. Elk menselijk wezen met verstand begiftigd, bezit de kracht, het goede te kiezen. In elke ervaring van het leven zegt Gods Woord ons: "Kiest dan heden wien gij dienen zult" (Jos. 24:15). Iedereen kan zijn wil plaatsen aan de kant van Gods wil, kan kiezen om Hem te gehoorzamen, en wanneer hij zich aldus met goddelijke werktuigen heeft verbonden, kan hij staan, waar niets hem tot het kwade kan dwingen. In elke jongeling, in elk kind ligt de kracht om met Gods hulp een onkreukbaar karakter te vormen en een nuttig leven te leiden. Ka 286 1 De ouder of de onderwijzer die door een dergelijke leiding het kind tot zelfbeheersing opvoedt, zal het grootste en meest blijvende succes behalen. Voor de oppervlakkige beschouwer zal zijn werk misschien niet op zijn voordeligst uitkomen; het zal misschien niet zo hoog worden gewaardeerd als dat van degene die de geest en de wil van het kind onder een absoluut gezag houdt; maar later zal men het resultaat van de betere opvoedingsmethode zien. Eergevoel Ka 286 2 De verstandige opvoeder zal in de omgang met zijn leerlingen proberen het vertrouwen aan te moedigen en het eergevoel te versterken. Het is voor kinderen en jongelui werkelijk een zegen wanneer ze bemerken dat men vertrouwen in hen stelt. Velen, zelfs de kleine kinderen, hebben een sterk eergevoel; zij allen wensen met vertrouwen en respect behandeld te worden, en dat is hun recht. Zij moeten niet het gevoel krijgen dat ze niet uit kunnen gaan of thuis kunnen komen zonder dat op hen wordt gelet. Achterdocht schaadt en veroorzaakt juist het kwaad, dat men daardoor wil voorkomen. In plaats van zo aanhoudend hun argwaan te tonen, moeten onderwijzers in hun omgang met de leerlingen de werkingen van de rusteloze geest zien na te gaan en moeten invloeden in het werk stellen die het kwade tegengaan. Laat de jonge mensen voelen dat zij vertrouwd worden, en dan zullen er maar weinigen zijn, die niet zullen proberen zich dat vertrouwen waardig te tonen. Verzoeken; bevelen Ka 286 3 Aan de hand van ditzelfde beginsel is het beter te vragen dan te commanderen; hij aan wie iets gevraagd wordt is in de gelegenheid zijn trouw aan de juiste beginselen te tonen. Zijn gehoorzaamheid is eerder het gevolg van keuze dan van dwang. Ka 286 4 De voorschriften die in het schoollokaal gehandhaafd worden, moeten zover als dat mogelijk is, de geest van de school vertegenwoordigen. Elk beginsel dat daarin besloten ligt, moet de scholier zó worden voorgehouden, dat hij van de rechtvaardigheid daarvan overtuigd is. Op deze wijze zal hij verantwoordelijkheid voelen te zorgen dat de voorschriften die hij zelf heeft helpen vaststellen, gehoorzaamd worden. Het handhaven der voorschriften Ka 287 1 Men kan volstaan met betrekkelijk weinig voorschriften, maar ze moeten goed overdacht zijn; en wanneer ze eenmaal zijn vastgesteld, moeten ze ook worden doorgevoerd. Doorgaans erkent het verstand en leert zich aan te passen aan dat wat niet veranderd kan worden; maar de mogelijkheid van ^toegefelijkheid kan verlangen, hoop, en onzekerheid verwekken, waaruit rusteloosheid, prikkelbaarheid en weerspannigheid voortkomen. ~ Ka 287 2 Men moet duidelijk maken dat de heerschappij van God geen compromis met het kwade kent. Noch in het gezin, noch op school mag ongehoorzaamheid worden geduld. Geen ouder of onderwijzer die hart heeft voor het welzijn dergenen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, zal zich toegefelijk tonen tegenover een koppige eigenzinnigheid, die alle gezag trotseert en haar toevlucht neemt tot uitvluchtjes om aan het gehoorzamen te ontkomen. Ka 287 3 Treedt men niet ernstig op tegen wat verkeerd is, of zoekt men door vleien of omkoping toegefelijkheid te verkrijgen, om ten slotte voor wat vereist wordt een of ander vervangmiddel te aanvaarden, dan is dat geen liefde, maar overdreven gevoeligheid. Ka 287 4 "Elke dwaas zal de schuld verbloemen", (Spr. 14:9) of zoals een Engelse vertaling zegt: "De dwazen spotten met de zonde". Wij moeten ons ervoor hoeden, zonde lichtvaardig op te nemen. Haar macht over de boosdoener is geweldig. "Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast" (Spr. 5 : 22). Het grootste kwaad dat men een kind of jeugdig iemand kan aandoen ligt daarin dat men het toestaat verstrikt te raken in de banden van een verkeerde gewoonte. Vrijheid in gehoorzaamheid Ka 287 5 Jonge mensen hebben een aangeboren liefde tot vrijheid; hun hart gaat uit naar een zekere ongedwongenheid; en nu moeten zij begrijpen dat deze onschatbare zegeningen slechts genoten kunnen worden door gehoorzaamheid aan de wet van God. Deze wet is de bewaarder van ware vrijheid. Zij omlijnt en verbiedt die dingen welke ontaarding en slavernij teweeg brengen en zo verleent ze aan hen, die gehoorzaam zijn bescherming tegen de macht van het kwaad. Ka 287 6 De Psalmist zegt: "Dan zal ik wandelen op ruime baan, want ik zoek Uw bevelen." Ja, Uw getuigenissen zijn mijn verlustiging, zij zijn mijn raadslieden" (Ps. 119:45, 24). Critiek; veroordeling Ka 288 1 In onze pogingen het verkeerde te verbeteren moeten wij ons hoeden voor de neiging tot vitterij of critiek. Aanhoudende berisping doet verwarring ontstaan, maar brengt geen verandering teweeg. Bij vele jonge mensen, en vooral bij degenen die erg gevoelig zijn, belemmert een atmosfeer van onsympathieke critiek de ontwikkeling van de geest, zoals een ijzige wind een beletsel is voor de bloemen om zich te ontvouwen. Ka 288 2 Een kind, dat herhaaldelijk berispt wordt voor een bepaalde fout, denkt op het laatst dat die fout alleen hem aankleeft, en dat het tevergeefs is daartegen te strijden. Zo ontstaan moedeloosheid en wanhoop, die vaak verborgen worden onder een schijn van onverschilligheid of trots. Doel van het berispen Ka 288 3 Een berisping heeft alleen zin, wanneer de overtreder er toe gebracht kan worden dat hij zijn fout inziet en hij gewillig is daarin verbetering te brengen. Wanneer dit is bereikt, moet hij gewezen worden op de bron van vergiffenis en kracht. Men moet er naar streven dat hij zijn zelfrespect behoudt en dat hij opnieuw moed en hoop krijgt. Ka 288 4 Dit is het beste, maar ook het moeilijkste werk, dat ooit aan menselijke wezens werd toevertrouwd. Het vereist bijzondere tact, fijngevoeligheid, kennis van de menselijke natuur, en een hemels geloof en geduld, bereidheid te werken, te waken en te wachten. Er is geen belangrijker werk dan dit. Zelfbeheersing Ka 288 5 Wie toezicht over anderen willen uitoefenen, moeten eerst zichzelf kunnen beheersen. Wanneer men tegen een kind of een jong mens driftig optreedt, wekt dat zijn verbolgenheid. Wanneer een ouder of onderwijzer driftig wordt en gevaar loopt domme dingen te zeggen, is het beter dat hij zwijgt. Juist in dat zwijgen ligt een wonderbaarlijke kracht. Medeleven; lankmoedigheid Ka 289 1 De onderwijzer moet verwachten dat hij komt te staan tegenover verkeerde neigingen en verstokte harten. Maar wanneer hij daarmede te doen krijgt, moet hij nooit vergeten dat hijzelf ook een kind geweest is dat tucht nodig had. Zelfs nu, met al zijn voordelen van leeftijd, opvoeding en ervaring, vergist hij zich nog vaak en is hij zelf aangewezen op barmhartigheid en lankmoedigheid. Wanneer hij de jeugd opvoedt moet hij bedenken dat hij omgaat met kinderen die dezelfde neigingen tot het kwade hebben als hijzelf. Zij moeten nog bijna alles leren, en sommigen leren moeilijker dan anderen. Met de domme leerling moet hij geduld hebben en deze niet berispen om zijn onwetendheid, maar elke kans aangrijpen om hem te bemoedigen. Vooral met gevoelige, zenuwachtige leerlingen moet hij voorzichtig omgaan. Het bewustzijn van zijn eigen onvolmaaktheden moet hem er toe brengen aanhoudend medeleven en lank-moedigheid te tonen tegenover diegenen, die ook met moeilijkheden te kampen hebben. De gulden regel van de Heiland Ka 289 2 De gulden regel van de Heiland -- "Gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hen evenzo" (Luc. 6:31) -- moet de regel zijn van allen die zich de opvoeding van kinderen en jeugd tot taak hebben gesteld. Zij zijn de jongere leden van het gezin des Heren, onze mede-erfgenamen van de genade des levens. De regel van Christus moet in alle heiligheid worden waargenomen tegenover de domsten, de jongsten, tegenover hen die de meeste fouten maken, en zelfs tegenover de dwalenden en opstandigen. Openbare tuchtmaatregelen Ka 289 3 Wanneer de onderwijzer deze regel volgt, zal hij zoveel mogelijk vermijden over de fouten of dwalingen van een leerling te spreken. Hij moet er naar streven hem niet onder handen te nemen of te straffen in tegenwoordigheid van anderen. Hij zal een scholier niet eerder wegzenden of alles moet gedaan zijn om hem op de goede weg te brengen. Maar wanneer dit afstuit op de houding van de scholier, omdat zijn koppigheid of minachting voor het gezag voor de leiding van de school een bedreiging vormt, en zijn invloed op anderen een slechte uitwerking heeft, dan moet hij wel weggezonden worden. Nochtans zal bij velen de schande van weggestuurd te worden leiden tot nog grotere onverschilligheid en ondergang. In de meeste gevallen moet, wanneer wegsturen onvermijdelijk is, aan de zaak geen ruchtbaarheid worden gegeven. Na beraadslaging en samenwerking met de ouders moet de onderwijzer zelf in alle stilte de verwijdering van de scholier op zich nemen. Rechtvaardigheid; medelijden Ka 290 1 In deze tijd van bijzondere gevaren voor de jeugd, staat ze aan alle kanten bloot aan verzoekingen; en omdat het zo gemakkelijk is af te dwalen, is de grootste inspanning nodig om tegen de stroom op te roeien. Elke school moet een "vrijstad" voor de in verzoeking gevallen jonge mensen zijn, een plaats, waar men zich in alle geduld en wijsheid met hun fouten zal bemoeien. Ka 290 2 Onderwijzers die hun verantwoordelijkheden begrijpen, zullen alles uit hun eigen hart en leven wegnemen, dat hen zou beletten met succes op te treden tegen de eigenzinnigen en ongehoorzamen. Liefde en vriendelijkheid, geduld en zelfbeheersing, zullen te allen tijde de wet van hun woorden zijn. Barmhartigheid en medelijden moeten samengaan met rechtvaardigheid. Wanneer terechtwijzing noodzakelijk is, zullen zij niet spreken in drift, maar in ootmoed. Met alle zachtheid zullen zij de overtreder zijn fouten voorhouden en hem helpen zich te beteren. Elke goede onderwijzer zal voelen, dat, indien hij zich dan toch vergist, hij zich beter kan vergissen aan de kant van de barmhartigheid dan aan de kant van de gestrengheid. Op het rechte pad terugbrengen door zachtheid Ka 290 3 Vele jonge mensen, van wie men denkt dat ze onverbeterlijk zijn, zijn niet zo eigenzinnig als ze ogenschijnlijk lijken. Velen die als hopeloze gevallen worden beschouwd, kunnen door verstandige tucht op de goede weg worden teruggebracht Vaak zijn dat degenen die voor vriendelijke woorden en daden zeer gevoelig zijn. De onderwijzer moet trachten het vertrouwen te winnen van de scholier die moeilijkheden heeft, en door het goede in zijn karakter te erkennen en te ontwikkelen kan hij in vele gevallen het verkeerde verbeteren zonder aandacht daarop te laten vallen. Ons voorbeeld Ka 291 1 De goddelijke Leraar heeft geduld met de dwalenden in al hun verkeerdheden. Zijn liefde verkilt nooit; Zijn pogingen, hen te winnen, houden nooit op. Hij wacht met open armen om steeds weer de dwalenden, de opstandigen en zelfs de afvalligen te verwelkomen. Zijn hart is ontroerd over de hulpeloosheid van een klein kind, dat ruw behandeld wordt. De kreet van menselijk lijden bereikt nooit tevergeefs Zijn oor. Hoewel allen in Zijn oog waardevol zijn, gaan Zijn sympathie en liefde bijzonder uit naar hen die te kampen hebben met ruwe, weerbarstige, koppige neigingen; want Hij kent oorzaak en gevolg. Wie het gemakkelijkst in verzoeking valt en het meeste tot dwaling geneigd is, is ook het speciale voorwerp van Zijn zorg. Ka 291 2 Alle ouders en onderwijzers moeten de eigenschappen aankweken van Hem die de zaak van de bedroefden, de lijdenden en de verzochten tot de Zijne maakt. De ouder of onderwijzer moet iemand zijn die "tegemoetkomend kan zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is" (Hebr. 5:2). Jezus behandelt ons veel beter dan wij verdienen; en zoals Hij ons behandelt, moeten wij anderen behandelen. De handelwijze van ouders en onderwijzers is niet goed, wanneer ze niet gelijkt op die welke de Heiland onder dezelfde omstandigheden zou volgen. De harde levenstucht Ka 291 3 Buiten de tucht van het gezin en de school, hebben allen te maken met de harde tucht van het leven. Hoe men die verstandig tegemoet kan treden, is een les die alle kinderen en de gehele jeugd duidelijk gemaakt moet worden. Het is waar dat God ons lief heeft, dat Hij werkt voor ons geluk, en dat wij nooit ziekte en ellende zouden hebben gekend, wanneer men Zijn wet altijd had gehoorzaamd; en het is niet minder waar dat in deze wereld als een gevolg van de zonde, ziekten, moeiten en lasten zich voordoen in ieders leven. Wij kunnen kinderen en jonge mensen voor hun leven lang een weldaad bewijzen, wanneer we hen leren deze moeiten en lasten dapper te aanvaarden. Wanneer wij hun sympathie bewijzen, moeten we dat nooit zo doen dat zij daardoor deernis met zichzelf krijgen. Zij hebben eerder bemoediging en versterking nodig dan dat wat verzwakt. "Weest sterk" Ka 292 1 Zij moeten leren dat deze wereld geen paradeveld, maar een slagveld is. Allen zijn geroepen als goede soldaten moeilijkheden te verdragen. Zij moeten sterk zijn en zich als mannen gedragen. Leer hen dat de beste karaktertoets gevonden wordt in de bereidheid lasten te dragen, moeilijke posten in te nemen, en het werk te doen dat gedaan moet worden, al brengt dat dan geen aardse erkenning en beloning. De juiste wijze om moeilijkheden op te lossen is niet ze uit de weg te gaan, maar ze te overwinnen. Dit heeft betrekking op alle discipline, zowel in de jeugd als in de latere jaren. Wanneer in de jeugd de opvoeding van het kind wordt verzuimd, waardoor vanzelfsprekend de verkeerde neigingen sterker worden, dan maakt dit zijn latere opvoeding des te moeilijker en wordt de tucht vaak een al te pijnlijk proces. Pijnlijk is die latere opvoeding vooral voor de lagere natuur, omdat de natuurlijke verlangens en neigingen daar-door worden doorkruist; maar die pijn zal vergeten worden in een verhevener blijdschap. Opgaande treden Ka 292 2 Laat men de kinderen en de jeugd leren dat elke vergissing, elke fout, elke moeilijkheid, die overwonnen wordt, een schrede omhoog is naar betere en hogere dingen. Juist door zulke ervaringen hebben allen die van het leven het beste wilden maken dat te maken is, succes behaald. ,,Het onzichtbare" Ka 292 3 Wij moeten "niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig" (2 Cor. 4: 18). De ruil die wij doen door de verloochening van zelfzuchtige verlangens en neigingen is een ruil van het waardeloze en vergankelijke voor het kostbare en eeuwig blijvende. Dat is geen offer, maar oneindig gewin. Ka 292 4 "Iets beters" is het wachtwoord van de opvoeding, de wet van alle waarachtig leven. Voor alles wat Hij wenst dat wij zullen opgeven, biedt Christus iets beters. Vaak gaat het hart van de jeugd uit naar dingen en genoegens die misschien niet kwaad schijnen, maar die men toch ook niet onder het beste kan rangschikken. Ze doen het leven afwijken van zijn edelste doel. Willekeurige maatregelen of directe veroordeling zijn niet altijd voldoende, deze jongelui zover te brengen dat ze loslaten wat hun lief is. Vestig hun aandacht op iets beters dan uiterlijk vertoon, eerzucht of genotzucht. Breng hen in aanraking met verhevener schoonheid, met hogere beginselen, met nobeler levens. Leidt hen zo dat zij zien op Hem die "zeer liefelijk" is. Wanneer de blik op Hem gericht wordt, vindt het leven zijn middelpunt. De geestdrift, de ernstige toewijding, de hartstochtelijke vlijt van de jeugd vinden hier dan hun ware doel. Plicht wordt dan een blijdschap, en offer een vreugde. Christus te eren, Hem gelijk te worden, voor Hem te werken, wordt dan 's levens hoogste eerzucht en zijn grootste vreugde. Ka 293 1 "De liefde van Christus dringt ons" (2 Cor. 5:14). De Hogere School Ka 293 2 "Van oudsher heeft men het niet gehoord, noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht." Jesaja 64:4 ------------------------Hoofdstuk 35--De school van het hiernamaals Ka 297 0 ,,Zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn." Zijn plaats Ka 297 1 De hemel is een school; zijn studiegebied het heelal; zijn leraar De Oneindige. Een onderdeel van deze school was gevestigd in de Hof van Eden; en wanneer het verlossingsplan in vervulling is gegaan, zal opnieuw in de Hof van Eden de opvoeding worden opgevat. "Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben" (1 Cor. 2 :9). De kennis van deze dingen kan alleen door Zijn Woord worden verkregen, en zelfs dit openbaart die kennis nog maar ten dele. Ka 297 2 De ziener van Patmos geeft de volgende beschrijving van de plaats van de school van het hiernamaals: Ka 297 3 "Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan.... "Een nieuwe aarde" Ka 297 4 "En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid die voor haar man versierd is" (Openb. 21:1, 2). Ka 297 5 "De stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam" (Openb. 21:23). Ka 297 6 Tussen de school die in den beginne gevestigd werd in het Paradijs en de school van het hiernamaals ligt het hele verloop van de wereldgeschiedenis, -- de geschiedenis van menselijke overtreding en lijden, van een Goddelijke offerande, en van overwinning over dood en zonde. De omstandigheden van die eerste school in Eden zullen niet allen worden teruggevonden in de school van het toekomstige leven. De boom der kennis van goed en kwaad, die de eerste mensen op de proef stelde, zal daar niet meer zijn. Daar is geen verleider, geen mogelijkheid meer om kwaad te doen. Elk karakter heeft de toets van het kwade doorstaan en is niet langer ontvankelijk voor de kracht daarvan. Voorwaarden Ka 298 1 "Wie overwint", zegt Christus, "hem zal Ik geven te eten van de boom des levens die in het paradijs Gods is" (Openb. 2:7). Het plaatsen van de boom des levens in de Hof van Eden was voorwaardelijk en tenslotte werd die weer teruggenomen. Maar de gaven van het toekomstige leven zijn absoluut en eeuwig. Ka 298 2 De profeet aanschouwt de "rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam." "En aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens." "En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan" (Openb. 22:1, 2; 21:4). "Geheel uit rechtvaardigen" Ka 298 3 "Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, Voor altoos zullen zij het land bezitten, Een scheut die Ik geplant heb, Een werk Mijner handen, Tot Mijn verheerlijking" (Jes. 60:21). Leraren Ka 298 4 Wanneer de mens wederom tot de tegenwoordigheid van God wordt toegelaten, zal hij, gelijk in den beginne, door God worden onderwezen: "Mijn volk zal te dien dage Mijn Naam kennen; dat Ik het ben die spreek: Zie, hier ben Ik" (Jes. 52 :6). Ka 298 5 "De tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn" (Openb. 21:3). ,,Naar waterbronnen des levens" Ka 298 6 "Dezen zijn het die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in Zijn tempel -- Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens" (Openb. 7: 14-17). Ka 298 7 "Nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben" (1 Cor. 13:12). Ka 299 1 "Zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn" (Openb. 22 :4). Onderzoek der natuur Ka 299 2 Wanneer de sluier die nu onze blik verduistert, weggenomen zal zijn en onze ogen die wereld van schoonheid, waarvan wij nu door de microscoop slechts een enkele glimp opvangen, zullen aanschouwen; wanneer wij de grootheid en de heerlijkheid der hemelen zien, die wij nu door de telescoop van verre kunnen onderzoeken, wanneer, nadat het verderf der zonde is weggenomen, de ganse aarde zal verschijnen "in de schoonheid van de Here onze God", welk een gebied zal er dan open liggen voor onze studie! Daar zal de onderzoeker der wetenschap de verslagen der schepping lezen, zonder overblijfselen van de wet des kwaads op te merken. Hij kan luisteren naar de muziek van de stemmen der natuur, maar hij zal geen zweem van smart of geweeklaag bespeuren. In alles wat geschapen is kan hij één handschrift vinden, in het ganse heelal ziet hij de Naam Gods met grote letters geschreven, en noch op de aarde noch op de zee of aan de hemel zal hij één spoor van het kwaad terugvinden. Ka 299 3 Daar zal de mens wederom leven als in het Paradijs, het leven in hof en veld. "Zij zullen huizen bouwen en die bewonen, wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten; zij zullen niet bouwen, opdat een ander er wone; zij zullen niet planten opdat een ander het ete, want als de levensduur der bomen zal de leeftijd van Mijn volk zijn, en van het werk hunner handen zullen Mijn uitverkorenen genieten" (Jes. 65:21, 22). Herstel van het koningschap Ka 299 4 Daar zal niets zijn om "kwaad te doen noch verderf te stichten op gans Mijn heilige berg, zegt de Here" (Jes. 65 :25). De mens zal in zijn verloren koningschap worden hersteld en de lagere orde der schepselen zal wederom zijn gezag erkennen; de grimmigen zullen daar een zacht karakter hebben en de vreesachtigen zullen vol vertrouwen zijn. Terrein der geschiedenis Ka 300 1 Daar zal voor de scholier de geschiedenis in haar oneindige omvang en van een onuitsprekelijke rijkdom open liggen. Hier krijgt de scholier op de vaste gronden van Gods Woord een inzicht in het uitgestrekte gebied der historie, en kan hij enige kennis verkrijgen van de beginselen die de loop der menselijke gebeurtenissen bepalen. Maar zijn blik is nog steeds verduisterd en zijn kennis onvolkomen. Pas wanneer hij in het licht der eeuwigheid staat zal hij alle dingen klaar en duidelijk kunnen onderscheiden. De grote strijd Ka 300 2 Dan zal voor hem geopenbaard worden het verloop van de grote strijd, die zijn oorsprong had vóór het begin van de tijd en die pas zal eindigen wanneer er geen tijd meer zal zijn. De geschiedenis van de aanvang der zonde; van het fatale bedrog met zijn kronkelwegen; van de waarheid die, door zich niet te laten afbuigen van haar rechte lijnen, de dwaling tegemoet getreden is en overwonnen heeft -- dat alles zal aan het licht komen. De sluier die hangt tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld zal terzijde getrokken worden, en wonderbaarlijke dingen zullen geopenbaard worden. De dienst der engelen Ka 300 3 Niet eerder dan wanneer wij de voorzieningen van God zien in het licht der eeuwigheid, zullen wij begrijpen wat we te danken hebben aan de hulp en de tussenkomst van Zijn engelen. Hemelse wezens hebben in de aangelegenheden der mensen een werkzaam aandeel genomen. Ze zijn verschenen in gewaden als het licht van de bliksem; ze zijn gekomen als mensen, gekleed als voetgangers langs de weg. Zij hebben de geboden gastvrijheid van mensen aangenomen; ze hebben door de nacht overvallen reizigers als gidsen gediend. Zij hebben de bedoeling van de verderver te niet gedaan en de slag van de vernietiger afgeweerd. Ka 300 4 Hoewel de heersers dezer wereld het niet weten, hebben toch vaak engelen op hun raadszittingen gesproken. Menselijke ogen hebben hen aanschouwd. Menselijke oren hebben hun woorden beluisterd. In raadzalen en voor rechtbanken hebben hemelse boodschappers gepleit voor vervolgden en verdrukten. Zij hebben bedoelingen verijdeld en boze plannen tegengehouden, die anders ellende en smart over Gods kinderen zouden hebben gebracht. Voor de scholieren op de hemelse school zal dit alles eenmaal worden ontvouwd. Iedere verloste zal eens de dienst der engelen, in zijn eigen leven verricht, begrijpen. De engel die vanaf zijn eerste ogenblik zijn bewaker was, de engel die waakte over zijn schreden en zijn hoofd beschermde in de tijd des gevaars; de engel die met hem was in het dal van de schaduw des doods, die zijn graf noteerde, die de eerste was om hem in de opstandingsmorgen te begroeten -- met deze engel zal hij eenmaal spreken en de geschiedenis vernemen van Goddelijke tussenkomst in het persoonlijke leven en van hemelse samenwerking in elk werk ten bate der mensheid -- welk een gebeurtenis zal dat zijn! Levensverwikkelingen duidelijk gemaakt Ka 301 1 Al die verwikkelingen en moeiten in het leven zullen dan worden begrepen. Waar wij slechts verwarring en teleurstelling, verijdelde bedoelingen en doorkruiste plannen zagen, zullen wij dat dan zien als een breed, alles overheersend, overwinnend doel, een goddelijke harmonie. Vruchten van wat in het leven is gezaaid Ka 301 2 Daar zullen allen die met een onzelfzuchtige geest gewerkt hebben, de vrucht van hun arbeid aanschouwen. Het resultaat van elk goed beginsel en van elke nobele daad zal gezien worden. Iets daarvan zien wij hier reeds. Maar hoe weinig van het resultaat van het edelste werk in de wereld wordt in dit leven openbaar aan degene die dit werk gedaan heeft! Hoe velen werken onzelfzuchtig en onvermoeid voor mensen die buiten hun bereik raken en van wie zij niets meer weten. Ouders en onderwijzers worden naar hun laatste rustplaats gebracht, terwijl het schijnt alsof hun levenswerk geheel vergeefs is geweest; zij weten niet dat door hun getrouwheid stromen van zegen zijn ontstaan, die nooit zullen ophouden te vloeien. Alleen door het geloof zien zij de kinderen die zij hebben opgevoed, tot een zegen en een bezieling voor hun medemensen worden en die invloed voltrekt zich verder in wel duizend richtingen. Menige arbeider verkondigt in de wereld boodschappen die kracht, hoop en moed brengen, woorden die een zegen zijn voor mensenzielen in alle landen; maar van de vruchten van zijn arbeid in eenzaamheid en afzondering weet hij weinig af. Zo worden gaven gegeven, lasten gedragen, zo wordt arbeid gedaan. Mannen zaaien het zaad, waarvan anderen boven hun graven een rijke oogst zullen inzamelen. Zij planten bomen opdat anderen daarvan de vruchten zullen eten. Zij zijn hier tevreden in de wetenschap dat zij krachten ten goede in beweging hebben gebracht. In het hiernamaals zullen de vruchten van de arbeid van al deze mensen worden gezien. Het hemelse verslag Ka 302 1 Elke gave die God heeft geschonken om mensen tot onzelfzuchtige arbeid aan te zetten, staat opgetekend in de boeken des hemels. Dit na te gaan in zijn wijd vertakte richtingen, diegenen te zien die door onze arbeid uit hun gevallen staat zijn opgeheven en veredeld, in hun geschiedenis de uitwerking van ware beginselen te aanschouwen -- dit alles zal behoren tot een van de studieobjecten en beloningen van de hemelse school. De samenleving Ka 302 2 Daar zullen wij kennen zoals ook wij gekend zijn. Daar zullen de goede eigenschappen en sympathieën die God in de ziel heeft geplant, hun ware beoefening vinden. De zuivere gemeenschap met heilige wezens, de harmonische omgang met de gezegende engelen en met de verlosten uit alle eeuwen, de heilige gemeenschapsband die "het hele gezin in de hemel en op aarde" samenbindt -- dat alles zal behoren tot de belevenissen van het hiernamaals. Zang en muziek Ka 302 3 Daar zal zang en muziek zijn, zulke muziek en zulke zang als, behalve in de visioenen Gods, geen sterfelijk oor ooit heeft beluisterd en tot geen menselijke ziel is doorgedrongen. Ka 302 4 "En de zangers gelijk de speellieden, mitsgaders al Mijn fonteinen zullen daar zijn" (Ps. 87:7, Statenvert.). "Daarginds verheft men zijn stem en jubelt; over de majesteit des hemels juicht men" (Jes. 24:14). Ka 302 5 "Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang". (Jes 51: 3). Ka 302 6 Daar zal iedere kracht ontwikkeld, ieder talent vermeerderd worden. Daar zullen de grootste ondernemingen uitgevoerd, de verhevenste doelstellingen bereikt, de hoogste ambities verwezenlijkt worden. En steeds zullen er nieuwe hoogten te bestijgen, nieuwe wonderen te aanschouwen, nieuwe waarheden te begrijpen zijn, steeds nieuwe objecten die een beroep op de krachten van lichaam en geest en ziel zullen doen. Schatten van het universum Ka 303 1 Al de schatten van het heelal zullen voor de kinderen Gods ter bestudering open liggen. Met onuitsprekelijke blijdschap zullen wij ingaan in de vreugde en de wijsheid van niet-gevallen wezens. Wij zullen delen in al de schatten die door de eeuwen heen bijeen vergaard zijn door het aanschouwen van het werk van Gods handen. En de jaren der eeuwigheid zullen steeds voortgaan heerlijker openbaringen aan het licht te brengen. "Oneindig veel meer.... dan wij bidden en beseffen" (Efez. 3:20), zullen ons in alle eeuwigheid de gaven Gods worden toebedeeld. Ka 303 2 "Zijn dienstknechten zullen Hem vereren" (Openb. 22:3). Het leven op aarde is het begin van het leven in de hemel; de opvoeding op aarde is een inleiding tot de beginselen des hemels; het levenswerk hier is een oefening voor het levenswerk daar. Wat we in karakter en in heilig dienen nu zijn, is de zekere voorafschaduwing van wat we zullen zijn. Ka 303 3 "De Zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen" (Matth. 20:28). Het werk van Christus hier op aarde is Zijn werk in de hemel, en ons loon voor de samenwerking met Hem in deze wereld zal de grotere kracht en het grotere voorrecht zijn van de samenwerking met Hem in de toekomende wereld. Ka 303 4 "Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de Here, dat Ik God ben" (Jes. 43:12 Statenvert.). Dat zullen wij ook in de eeuwigheid zijn. Getuigen Ka 303 5 Waarom is toegestaan dat de grote strijd voortduurde door de eeuwen heen? Waarom werd Satan bij het begin van zijn opstand niet vernietigd? Dat was opdat het heelal wat betreft Gods handelwijze met het kwade van Zijn rechtvaardigheid overtuigd zou worden; opdat de zonde eeuwig verdoemd zou worden. In het verlossingsplan zijn hoogten en diepten, welke zelfs de eeuwigheid niet kan omvatten, wonderen die engelen verlangen te doorgronden. Van al de geschapen wezens hebben alleen de verlosten in hun eigen ervaring de werkelijke strijd met de zonde gekend; zij hebben gearbeid met Christus, en gemeenschap gehad met Zijn lijden, waartoe zelfs de engelen niet in staat waren; zullen zij dan ook niet getuigen van de wetenschap der verlossing, van hetgeen zelfs waardevol is voor niet-gevallen schepselen? "De heerlijkheid van deze verborgenheid Ka 304 1 Zelfs nu is "aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods" bekend gemaakt. En Hij "heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten; om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom Zijner genade te tonen naar Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus". (Efez. 3 :10; 2 : 6, 7). Ka 304 2 "In Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer", (Ps. 29:9 Staten-vert.) en het lied dat de verlosten eens zullen zingen -- het lied van hun belevenis -- zal de heerlijkheid Gods verkondigen: "Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij, Koning der volken! Wie zou niet vrezen, Here, en Uw naam niet verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig". (Openb. 15 :3, 4). Ka 304 3 In ons leven hier, aards en door de zonde beperkt, wordt de grootste vreugde gesmaakt en de hoogste opvoeding verkregen in het dienen. En in het toekomstige leven zal, niet belemmerd door de beperkingen van een zondige mensheid, eveneens in het dienen onze grootste vreugde en hoogste opvoeding gevonden worden; steeds zullen wij getuigen en in dat getuigen bij vernieuwing leren "de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid.... welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid". (Col. 1:27 Staten-vert). ,,Hij zal verzadigd worden" Ka 304 4 "Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is". (1 Joh. 3:2). Ka 304 5 Dan zal Christus in de vruchten van Zijn arbeid Zijn loon aanschouwen. In die grote schare die niemand tellen kan, staande "voor Zijn heerlijkheid in grote vreugde", (Judas 24) zal Hij, wiens bloed ons heeft verlost en wiens leven ons heeft geleerd "de moeite Zijner ziel zien en verzadigd worden". (Jes. 53:11).