------------------------Schreden naar Christus SC 8 1 Hoofdstuk 1--Gods Voorzienigheid SC 17 1 Hoofdstuk 2--Des zondaars behoefte aan Christus SC 23 1 Hoofdstuk 3--Bekering SC 38 1 Hoofdstuk 4--Belijdenis van zonden SC 44 1 Hoofdstuk 5--Overgave SC 50 1 Hoofdstuk 6--Geloof en aanneming SC 57 1 Hoofdstuk 7--Het bewijs van discipelschap SC 66 1 Hoofdstuk 8--Opwassen in Christus SC 76 1 Hoofdstuk 9--Leven en werken SC 83 1 Hoofdstuk 10--God te kennen SC 91 1 Hoofdstuk 11--Het voorrecht van het gebed SC 104 1 Hoofdstuk 12--De gevaren van twijfel SC 113 1 Hoofdstuk 13--Zich in de Here verblijden ------------------------Hoofdstuk 1--Gods Voorzienigheid SC 8 1 Wie maar de geode God laat zorgen, En op Hem hoopt in 't bangst gevaar, Is bij Hem veilig en geborgen, Die redt Hijgodd'lijk, wonderbaar. Wie op de hoge God vertrouwt, Heeft zeker op geen zand gebouwd. Wat baa tons al 't zwaarmedig vrezen? Wat baa tons 't zuchten, wee en ach! Vergeefs zou al ons zuchten wezen, Al kermden w'ook de ganse dag. De last der jammer die men draagt, Drukt maar te meer, hoe meer men klaagt. Men blijv' eerbiedig God verbeiden, En zwijg' de Heer ootmoedig stil; Hij zal ons naar Zijn wijsheid vrij, 't Is goed en heilig wat Hij wil. Vertrouw het aan Zijn wijsheid vrij, Hij weet wat elk hetmuttigst Treed vrolijk voort op 's Heren wegen, En neem uw plicht getrouw in acht; 't wordt eind'lijk alles u ten zegen, Wanneer gij biddend daar op wacht. Wie steeds gelovig op Hen ziet Begeeft, verlaat Hij eeuwig niet. ------------------------Hoofdstuk 2--Des zondaars behoefte aan Christus SC 17 1 De mens was oorspronkelijk met edele krachten en gelijkmatig ontwikkelde geestvermogens begaafd. Zijn ganse bestaan was volmaakt en in harmonie met God. Zijn gedachten waren rein, zijn bedoelingen heilig. Doch tengevolge van de ongehoorzaamheid zijn zijn vermogens ontaard en heeft zelfzucht de plaats van liefde ingenomen. Door de overtreding is zijn natuur zo verzwakt, dat hij het kwaad onmogelijk uit eigen krachten weerstaan kan. Satan heeft hem gevangen genomen en in diens macht zou hij voor eeuwig gebleven zijn, zo niet God Zelf tussenbeide ware gekomen. De verleider had zich ten doel gesteld het plan Gods met de schepping van de mens te verijdelen, en de schone aarde met ellende te vervullen. En dan wilde hij al dit kwaad duiden als een gevolg van het werk Gods en de schepping van de mens. SC 17 2 Zolang de mens onschuldig was, had hij omgang met Hem, "in Wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn". Col. 2:3. Doch zodra hij gezondigd had, schepte hij niet langer behagen in heiligheid, maar zocht zich te verbergen voor het aangezicht van God. Het onherboren hart draagt dat kenmerk nog; het is niet eenswillend met de Here, en evenmin verblijdt het zich in de omgang met Hem. Een zondaar zou zich in Gods tegenwoordigheid niet gelukkig kunnen gevoelen; hij zou het gezelschap van heilige wezens niet kunnen verdragen. De hemel zou hem geen vreugde verschaffen, al kon hij er ook binnenkomen. De geest van onbaatzuchtige liefde, welke daar heerst, waar ieders hart eenstemmig is met het hart van de Oneindige in liefde, zou in hem geen snaar van liefde doen trillen. Zijn gedachten, zijn belangen, zijn bedoelingen zouden volkomen in strijd zijn met de geest, waarmee de zondeloze hemelbewoners bezield zijn. Hij zou een wanklank in de hemelse melodie brengen. De hemel zou voor hem een plaats der pijniging zijn; hij zou zich verborgen wensen voor Hem, Die deszelfs Licht en Middelpunt van vreugde is. God heeft de zondaar niet maar uit willekeur de hemel ontzegd; zijn eigen ongeschiktheid om daar te verkeren heeft hem de toegang gesloten. De heerlijkheid Gods zou een verterend vuur voor hem zijn. Hij zou het verderf kiezen om toch maar het aangezicht van Hem, Die voor hem stierf, te ontvlieden. SC 18 1 Uit eigen kracht kunnen wij onmogelijk uit de put der zonde, waarin wij gevallen zijn, opklimmen. Ons hart is boos en wij kunnen het niet veranderen. SC 18 2 "Komt ooit een reine uit een onreine? - Niet één". "Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens het kan dat ook niet". Job 14:4; Rom. 8:7. SC 18 3 Opvoeding, kweking van het verstand, oefening van de wil, ons pogen, bezitten alle een invloed in hun eigen sfeer, doch hier zijn zij machteloos. Voor het uitwendige mogen zij het gedrag een weinig beschaven, maar het hart kunnen zij niet veranderen, de bron van het leven kunnen zij niet zuiveren. Er moet een werkdadige kracht, een nieuw leven uit de hoge, in zijn binnenste worden gelegd, alvorens de mens uit de staat der zonde tot die der heiligheid gebracht kan worden. Die kracht is Christus. Zijn genade alleen kan de dode vermogens der ziel doen herleven en haar tot God en Zijn heiligheid terug leiden. SC 19 1 De Zaligmaker zei: "Tenzij, dat iemand wederom geboren worde", tenzij hij een nieuw hart, nieuwe begeerten, bedoelingen en voornemens krijge, waaruit een nieuw leven voortkomt, "hij kan het koninkrijk Gods niet zien". Joh. 3:3. Men begaat een grove misslag, als men van de veronderstelling uitgaat, dat de mens er wel komen zal, indien hij het goede in zijn natuur maar ontwikkelt. "Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is". "Verwondert u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden". 1 Cor. 2:14, Joh. 3:7. Van Jezus staat geschreven: "In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen, en dat Hij is de enige "Naam, Die de mensen gegeven is, waardoor wij moeten behouden worden". Joh.4; Hand. 4:12. SC 19 2 Het is niet voldoende de liefde Gods te kunnen bespeuren of de weldadigheid, de vaderlijke teerhartigheid van Zijn karakter op te merken. Het is niet voldoende de wijsheid en rechtvaardigheid Zijner wet op te merken en overtuigd te zijn, dat zij op een eeuwige grondslag van liefde berust. De apostel Paulus begreep dat alles, toen hij zeide: "Zo stem ik toe, dat de wet goed is". En wederom: "Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed". Rom. 7:16, 12. Desniettegenstaande riep hij uit: "Ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde". Hij begeerde de reinheid en rechtvaardigheid, tot welke hij uit eigen kracht niet geraken kon, en daarom riep hij uit: "Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Rom. 7:24. In alle oord en alle eeuw heeft het beladen hart die zucht geslaakt. Voor dit alles nu is maar één antwoord: "Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". Joh. 1:29. SC 20 1 De Geest Gods heeft getracht deze waarheid door middel van menig beeld bevattelijk voor te stellen aan de zielen, die van de last hunner schulden ontdaan wensten te worden. Toen Jakob uit zijn vaders huis vluchtte, omdat hij Ezau bedrogen had, ging hij gebukt onder het gevoel van schuld. Eenzaam en als een verworpeling, gescheiden van alles, wat hem het leven aangenaam maakte, bekroop de vrees zijn hart, dat zijn zonde hem van God gescheiden en de Here hem verlaten had. Overstelpt door droefheid, vlijde hij zich op de harde grond neder, omringd door de eenzame bergen, overwelfd door de heldere sterrenhemel. Terwijl hij sliep, zag hij een wonderlijk licht; en ziet, een grote ladder, waarlangs de engelen Gods op en neder klommen, scheen van de vlakte, waarop hij lag te slapen, tot aan de poort des hemels te reiken, terwijl hij door een stemme Gods uit de heer-lijkheid daarboven vertroost en bemoedigd werd. SC 20 2 Langs die weg leerde Jakob zijn Zaligmaker kennen, aan Wie zijn ziel behoefte gevoelde. Verheugd en dankbaar zag hij de weg gebaand, waarlangs hij, de zondaar, weder met God in gemeenschap kon gebracht worden. De geheimzinnige ladder van zijn droom stelde Jezus voor, het enige middel van gemeenschap tussen God en de mens. SC 21 1 Op dat symbool zinspeelde Christus in Zijn gesprek met Nathanaël, toen Hij zeide: "Gij zult de hemelen open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen". Joh. 1:52. Door de val is de mens van God vervreemd geworden; het verkeer tussen de aarde en de hemel is verbroken. Door de tussen hen beiden liggende klove, kon er geen gemeenschap bestaan, doch door Christus is het verkeer tussen hemel en aarde weder hersteld. Door Zijn verdiensten heeft Christus de klove der zonde overbrugd, zodat de gedienstige engelen omgang met de mens kunnen hebben. Jezus verbindt de gevallen mens, die daar zwak en hulpeloos nederligt, met de.Bron van oneindige kracht. SC 21 2 IJdel zijn 's mensen dromen van vooruitgang, ijdel al de pogingen om het mensdom op te heffen, indien de Bron van hulp en hoop buiten rekening wordt gelaten. "Iedere gave die goed en elk geschenk dat volmaakt is" komt van God. Jac. 1:17. Buiten Hem bestaat er geen ware voortreffelijkheid van karakter. En Christus is de enige weg tot God. Hij getuigt: "Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij". Joh. 14:6. SC 21 3 Gods hart is met ontferming over Zijn aardse kinderen bewogen, met een liefde, sterker dan de dood. In het schenken van Zijn Zoon heeft Hij ons al de schatten des hemels in één gift geschonken. Des Zaligmakers leven en dood en voorspraak, de dienst der engelen, de vermaningen van de Geest, waardoor God tot ons spreekt, ja, ook de onafgebroken belangstelling der hemelingen, zijn slechts zovele middelen om de mens uit zijn verloren staat te redden. SC 22 1 O, laten wij bedenken, hoe groot het offer is, dat tot ons heil geschonken werd! Laten wij al de middelen en de ernst op prijs stellen, waarmede God de verlorenen naar het huis des Vaders zoekt terug te brengen. Sterker beweegredenen en krachtiger middelen dan de grote beloning, die aan de gehoorzaamheid des geloofs is toegezegd, konden nooit aangewend zijn, namelijk: de vreugde des hemels, het gezelschap der engelen, de gemeenschap en liefde van God en Zijn Zoon, de verhoging en uitbreiding van al onze vermogens tot in alle eeuwigheid. Zijn deze niet de machtigste prikkels en dringendste aansporingen om ons in hartelijke liefdedienst aan onze Schepper en Verlosser over te geven? SC 22 2 Van de andere kant bedreigt God ons in Zijn Woord met het oordeel over de zonde, de onvermijdelijke straf, de ontaarding van ons karakter en het eindelijke verderf, indien wij in Satans dienst volharden. SC 22 3 Zullen wij Gods genade dan niet op prijs stellen? Wat had Hij meer kunnen doen? Laten wij onszelf in de rechte verhouding tegenover Hem plaatsen, Die ons met zulk een oneindige liefde bemint. Laten wij de aangeboden middelen te baat nemen, opdat wij, aan Zijn beeld gelijkvormig gemaakt, in de gemeenschap met de dienstvaardige engelen en het verkeer met de Vader en de Zoon hersteld mogen worden! ------------------------Hoofdstuk 3--Bekering SC 23 1 Hoe kan een mens recht zijn in het oog van God? Hoe kan de zondaar gerechtvaardigd worden? Alleen door Christus kunnen wij in harmonie met God en Zijn heiligheid hersteld worden; maar hoe moeten wij tot Christus komen? Velen doen deze vraag, gelijkerwijs de menigte op de Pinksterdag, van haar zonden overtuigd, uitriep: "Wat moeten wij doen?" Het eerste gedeelte van Petrus' antwoord luidt: "Bekeert u. Bij een andere gelegenheid, een weinig later, zeide hij: "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden mogen uitgedelgd worden". Hand. 2:38, 3. 19. SC 23 2 De bekering sluit in droefheid over zonde en afkering van zonde. Wij zullen geen afstand doen van de ongerechtigheid, tenzij wij haar zondigheid inzien. Alvorens er een afkeer in het hart verwekt is, zal zich geen wezenlijke verandering in de wandel openbaren. SC 23 3 Velen hebben geen goed begrip van bekering. Een grote menigte betreurt de zonde, en maakt een uitwendig vertoon van hervorming, omdat zij de straf duchten, welke op hun slechte daden gesteld is. Maar deze hebben geen recht besef van de bekering. Zij treuren meer over de hun wachtende straf dan over de zonde. Zulk een berouw had Ezau, toen hij begreep, dat hij zijn geboorterecht kwijt was. Bileam, verschrikt door de engel, die met een getrokken zwaard op de weg stond, bekende zijn schuld, omdat hij de dood vreesde, maar er was geen waar berouw over de zonde, geen zinsverandering, geen afkeer van het kwaad. Nadat Judas Iskariot de Here verraden had, riep hij uit: "Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verradende!" Matth. 27:4. SC 24 1 Deze bekentenis werd hem afgeperst door een knagend schuldgevoel en een verschrikkelijke verwachting des oordeels. SC 24 2 Zich de gevolgen voor ogen stellende, werd hij met angst vervuld, doch er was geen diep hartverscheurend berouw, dat hij de vlekkeloze Zone Gods verraden en de Heilige Israels verloochend had. Toen de oordelen Gods Farao troffen, beleed hij zijn zonde, teneinde aan de voortzetting der straf te ontkomen, doch hij verhardde zich tegen de Here, zodra de plagen afgewend waren. Deze allen hebben de gevolgen der zonde betreurd, doch over de zonde zelf zijn zij niet bedroefd geweest. SC 24 3 Als het hart van de mens zich aan de invloed van Gods Geest onderwerpt, wordt het geweten vertederd en bespeurt hij enigermate de omvang en de heilig-heid van Gods wet, welke de grondslag van alle heerschappij op aarde en in de hemel is. "Het waarachtige licht, dat iedere mens verlicht, komende in de wereld. Joh. 1:9. Het verlicht de duistere schuilhoeken van zijn hart, en alzo worden de verborgen dingen openbaar gemaakt. Het verstand en het hart worden vervolgens overtuigd. De zondaar krijgt een begrip van Jehova's rechtvaardigheid en het gevolg van eigen schuld en onreinheid, bevangt hem met vrees om voor de Proever van hart en nieren te verschijnen. Vervolgens krijgt hij een inzicht in de liefde Gods, in de beminnelijkheid der heiligheid en in de vreugde der reinheid; dan verlangt hij gereinigd en in des hemels gemeenschap hersteld te worden. SC 25 1 In Davids gebed na zijn val hebben wij een goed voorbeeld van wat het zeggen wil, waar berouw over Bi de zonde te gevoelen. Zijn bekering was oprecht en hartgrondig. Hij poogde niet zijn schuld te bemantelen; hij openbaarde geen begeerte om de aangezegde straf te ontwijken. David besefte de snoodheid zijner overtreding; hij begreep, dat hij er door bevlekt geworden was; hij had een afschuw van de zonde.Hij bad niet om genade alleen, maar begeerde ook reinheid van hart. Hij smachtte naar de vreugde der heiligheid, om in de harmonie en de omgang met God hersteld te worden. Luister naar de ontboezeming van!zijn hart: SC 25 2 "Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welzalig de mens, wie de Here de ongerechtigheid niet toerekent. Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertieren- heid; delg mijn overtredingen uit naar Uw grote barmhartigheid; was mij geheel van mijn ongerechtigheid, reinig mij van mijn zonde. SC 25 3 Want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat bestendig voor mij... Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein; was mij dan ben ik witter dan sneeuw.. SC 25 4 Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest; verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw heilige Geest niet van mij; hergeef mij de blijdschap over Uw heil; en laat een gewillige geest mij schragen... SC 25 5 Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils, laat mijn tong over Uw gerechtigheid jubelen". Ps. 32:1, 2; 51:3-16 SC 26 1 Zulk een bekering kunnen wij niet uit eigen kracht bewerkstelligen; zij kan door Christus alleen gewrocht worden, Die opgevaren is in de hoogte en de mensen gaven gegeven heeft. SC 26 2 Op dit punt begaat menigeen een fout en daarom ontvangt men de hulp niet, welke Christus schenken wil. Velen menen, niet tot de Zaligmaker te mogen komen, tenzij zij zich eerst bekeerd hebben en dat de bekering alzo de weg tot de vergiffenis van hun zonden opent; weliswaar gaat de bekering de vergiffenis van zonden vooraf, want slechts een gebroken en verslagen hart gevoelt behoefte aan de Zaligmaker. Moet echter de zondaar zijn gaan tot Jezus uitstellen, totdat hij zich bekeerd heeft? Moet van de bekering een struikelblok tussen de zondaar en de Zaligmaker worden gemaakt? SC 26 3 De Bijbel leert ons niet, dat de zondaar zich eerst bekeren moet, alvorens hij gehoor mag geven aan Christus' uitnodiging: "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Matth. 11:28. De kracht, welke van Christus uitgaat, leidt tot de ware bekering. Petrus heeft dit duidelijk uitgedrukt, toen hij tot de Israëlieten zeide: "Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden". Hand. 5:31. Wij kunnen onszelf evenmin bekeren zonder dat de Geest van Christus het geweten doet ontwaken, als wij buiten Christus vergiffenis kunnen erlangen. SC 26 4 Christus is de bron van elke goede ingeving. Hij is de enige, Die vijandschap tegen de zonde in het hart kan verwekken. Elk verlangen naar waarheid en reinheid, elke overtuiging van onze zondigheid is een bewijs, dat Zijn Geest aan onze harten werkt. SC 27 1 Jezus heeft gezegd: "En als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken". Joh. 12:32. Christus moet aan de zondaar geopenbaard worden als de Zaligmaker, stervende voor de zonden der wereld; en als hij het Lam Gods op Golgotha aan het kruis ziet hangen, dan zal de verborgenheid van het verlossingsplan hem duidelijk beginnen te worden en de goedheid Gods hem tot bekering leiden. Christus heeft, door voor zondaars te sterven, een onbegrijpelijke liefde geopenbaard; zodra nu de zondaar een inzicht in deze liefde krijgt, wordt zijn hart er door vertederd; zij maakt een diepe indruk op zijn gemoed en verwekt een oprecht berouw over de zonde. SC 27 2 Het is waar, in sommige gevallen ontstaat er een beschaamdheid over de zonde en wordt er afstand gedaan van verkeerde gewoonten, alvorens men er zich van bewust is, door Christus getrokken te worden. Indien daaruit een poging geboren wordt om zijn leven te verbeteren, en dit op een oprechte begeerte om het goede te doen gegrondvest is, dan wordt de mens door de kracht van Christus getrokken. Buiten zijn weten wordt er invloed op hem uitgeoefend, het geweten vertederd, en het leven verbeterd. Terwijl Christus de mensen op die wijze trekt, dat zij een blik mogen werpen op het kruis, waaraan Hij hing, Die voor hun zonden stierf, wordt hun geweten bepaald bij hun goddeloos leven en bij de diep ingewortelde zonde. Ook beginnen zij een begrip van Christus' gerechtigheid te krijgen, hetwelk hen doet uitroepen:..O, hoe afschuwelijk moet de zonde toch zijn, daar er zulk een kostbare offerande geëist werd! Bestond er behoefte aan al die liefde, aan al dat lijden, aan die diepe vernedering, opdat wij van het verderf gered, het eeuwige leven ontvangen mochten?" SC 28 1 De zondaar kan zich tegen die liefde verzetten en weigeren zich door Christus te laten trekken; weigert hij evenwel niet, dan zal hij tot Jezus getrokken worden. Kennis van het verlossingsplan zal hem, treurende over de zonde, voorts tot de voet van het kruis leiden, waaraan Gods geliefde Zoon voor de verlossing der mensen geleden heeft. SC 28 2 Dezelfde Goddelijke invloed, welke zich in de natuur doet gevoelen, werkt ook op de harten der mensen en doet een verlangen ontstaan naar iets, dat zij niet bezitten. De aardse dingen kunnen niet aan hun begeerte voldoen. Gods Geest tracht hen te bewegen om die dingen te zoeken, welke alleen vrede en rust aanbrengen, namelijk de genade van Christus en de vreugde der heiligheid. Door beide zichtbare en onzichtbare invloeden, trekt de Zaligmaker hen gestadiglijk van de onbevredigende vermaken der zonde naar de oneindige zegeningen, welke zij in Hem erlangen kunnen. Tot al die zielen die tevergeefs uit de gebroken waterbakken dezer wereld trachten te putten, komt de Goddelijke roepstem: "Kom! En wie dorst heeft, kome; en wie wil, neme het water des levens om niet". Openb. 22:17. SC 28 3 Gij, die van ganser harte iets beters verlangt, dan deze wereld u geven kan, moogt dit sterk verlangen als een roepstem Gods beschouwen. Vraag Hem om bekering, om een openbaring van Christus aan u in Zijn ondoorgrondelijke liefde en volmaakte reinheid. In het leven van de Zaligmaker zien wij de beginseien van 's Heren wet -- liefde tot God en liefde tot de naaste afgebeeld. SC 29 1 Weldadigheid en onbaatzuchtige liefde bezielden Zijn leven. Terwijl wij Hem aldus aanschouwen en des Zaligmakers licht ons beschijnt, zien wij de slechtheid van ons eigen hart. SC 29 2 Wellicht hebben wij, gelijk Nicodemus deed, op onze oprechte wandel vertrouwd; gemeend, dat er niets aan ons zedelijk karakter haperde; en gedacht, dat wij het hart niet zo bijzonder voor God behoefden te verootmoedigen als de gewone zondaar het moet doen; maar als wij onszelf in Christus' licht beschouwen, dan zien wij onze onreinheid; dan ontdekken wij de zelfzucht en de vijandschap tegen God, waarmede onze daden bevlekt zijn. Dan verstaan wij, waarom onze gerechtigheid inderdaad een wegwerpelijk kleed is, alsmede dat het bloed van Christus alleen ons van alle vuilheid der zonde reinigen en onze harten naar Zijn evenbeeld vernieuwen kan. SC 29 3 Een enkele straal van de heerlijkheid Gods, slechts een enkele blik op de reinheid van Christus doet de verschrikkelijke schandvlekken der zonde duidelijk uitkomen en de mismaaktheid en de gebrekkigheid van het menselijk karakter in het oog springen. De onheilige lusten, de ontrouw van het hart en de on-reinheid der lippen worden er door aan het licht gebracht. Des zondaars ontrouw, getoond in 't overtreden van Gods wet, wordt hem duidelijk, en zijn geest overstelpt en verootmoedigd onder de beproe¬vende invloed van Gods geest. Kortom, hij heeft een afkeer van zichzelf, nu hij het rein en vlekkeloos karakter van Christus ziet. SC 29 4 Toen de profeet Daniël de heerlijkheid zag waarmede de hemelse gezant, die tot hem gezonden werd, bekleed was, bezweek hij onder het gevoel van zijn eigen zwakheid en onvolmaaktheid. In zijn beschrijving van die ontmoeting zegt hij: "Er bleef in mij geen kracht over; alle kleur week van mijn gelaat, en ik had geen kracht meer over". Dan. 10:8. De ziel, die op die wijze aangeraakt is, haat haar zelfzucht, verfoeit haar eigenliefde en zoekt door Christus' gerechtigheid de reinheid des harten te bekomen, welke in harmonie met Gods wet en Christus' karakter is. SC 30 1 Wat de eigenlijke daden betrof, was Paulus, volgens zijn eigen getuigenis: "Naar de gerechtigheid der wet, onberispelijk". Filipp. 3:6. Doch toen hij een inzicht in de geestelijke strekking der wet kreeg, zag hij zijn zondigheid. Naar de letter der wet geoordeeld, zoals de mensen haar op de daden toepassen, had hij geen zonde bedreven; maar toen hij de alles omvattende uitgestrektheid der heilige geboden begreep en zichzelf zag zoals God hem beschouwde, toen verootmoedigde hij zich en beleed zijn schuld. Hij zeide: "Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven". Rom. 7:9. Toen hij de geestelijke aard der wet zag, werd hem de zonde een afschuwelijk ding en verdween zijn eigenwaarde. SC 30 2 In Gods oog zijn alle zonden niet even groot; naar Zijn beschouwing zijn er verschillende graden van schuld; doch terwijl de mensen sommige misdaden zeer gering achten, is geen zonde klein in Zijn oog. Het oordeel van de mensen is partijdig en onvolmaakt. God alleen kan een zaak beoordelen, zoals ze werkelijk is. De dronkaard wordt veracht en men voegt hem toe, dat zijn zonde hem de toegang tot de hemel sluit; hoogmoed, zelfzucht en begeerlijkheid worden daarentegen gewoonlijk over het hoofd gezien. Deze zonden zijn Gode echter zeer ergerlijk, dewijl zij in strijd zijn met de weldadigheid van Zijn karakter en met die onbaatzuchtige liefde, waarin het niet gevallen heelal zich verheugt. Wie in een der grovere zonden vervalt, is allicht beschaamd en gevoelt zijn behoefte aan de genade van Christus; maar hoogmoed voelt daaraan geen behoefte en sluit daarom het hart voor Hem en de oneindige zegeningen, welke Hij aanbiedt. SC 31 1 De arme tollenaar, die bad: "O God, wees mij zondaar genadig", Luc. 18:13 achtte zichzelf een groot zondaar, waarvoor de andere mensen hem ook hielden; maar hij gevoelde zijn behoefte, daarom wendde hij zich met al zijn schuld en schande tot God en bad om vergiffenis. Zijn hart was open voor de werking van de Heilige Geest om van de macht der zonde verlost te mogen worden. Het trotse, eigengerechtige gebed van de Farizeeër bewees, dat zijn hart voor de invloed van de Heilige Geest gesloten was. Door de grote klove tussen hem en God, besefte hij zijn eigen onreinheid niet tegenover de volmaaktheid der goddelijke heiligheid. Hij ontving niet, omdat hij geen behoefte gevoelde. SC 31 2 Beseft ge uw verloren toestand? Verspil dan geen tijd met pogingen om uzelf te verbeteren. Velen wanen zich niet goed genoeg om tot Christus te komen. Denkt ge uzelf door uw eigen pogen te kunnen verbeteren? "Kan een Ethiopiër zijn huid veranderen, of een panter zijn vlekken? Dan zoudt gij ook in staat zijn goed te doen, gij die gewend zijt kwaad te doen". Jer. 13:23. Bij God is onze hulp. Wij moeten niet op een sterker overtuiging, een betere gelegenheid of een heiliger gemoedsgesteldheid wachten. Wij kunnen niets uit ons zelf doen. Wij moeten tot Christus komen, zoals wij zijn. SC 32 1 Niemand bedriege zich met de inbeelding, dat God in Zijn grote liefde en genade de verwerpers van Zijn aanbod toch nog behouden zal. De gruwelijkheid der zonde kan alleen in het licht van het kruis gezien worden. Laten de mensen, die God te liefderijk achten om de zondaar te verdoemen, een blik op Golgotha slaan. Christus heeft de schuld der ongehoorzamen op zich geladen en voor de zondaars geleden, omdat het mensdom langs geen andere weg kon behouden worden; omdat de besmetting der zonde op geen andere wijze te verwijderen was, en de mens op geen andere wijze in de gemeenschap der heilige wezens kon hersteld worden; omdat het geestelijke leven hun alleen zó kon worden medegedeeld. De liefde, het lijden en de dood van Gods Zoon tonen aan, hoe verschrikkelijk de zonde is; tevens bewijzen zij de onmogelijkheid om aan haar kracht te ontkomen en de hoop op hoger leven te verwerven, tenzij door een onderwerping aan Christus. SC 32 2 De onboetvaardigen vergelijken zich somtijds met belijdende Christenen, en zeggen: "Ik ben even goed als zij zijn. In hun wandel zijn zij niet voorzichtiger, noch gematigder, noch nauwgezetter dan ik ben. Zij jagen de wellusten en het plezier ook na". De fouten van anderen dienen hun dus tot een verontschuldiging voor hun eigen nalatigheid in het betrachten van hun plicht. Maar de zonden en de feilen van anderen kunnen niet tot onze verontschuldiging worden aangevord, vermits de Here ons niet een dwalende mens tot voorbeeld gegeven heeft. Ons voorbeeld s de SC 33 1 Vlekkeloos reine Zoon van God. De klagers over het slechte voorbleed der Christenen behoren daarom een betere wandel te vertonen. Als zij zo goed weten, wat een model-Christen behoort te zijn, dan is hun zonde des te groter. Zij weten wat recht is maar doen het niet. SC 33 2 Stel niet uit! Schiuf het afstaan van zonde en het zooken naar reinheid door Jezus niet op de lange baan. Duizenden en nog eens duizenden hebben dit tot hun eeuwig verderf gedaan. Ik zal hier niet bij de kortstondigheid en de onzekerheid van het leven toeven; maar er bestaat een groot gevaar in het uitsetellen van gehoor te geven aan de vermaninnen van de Heilige Geest; want zulk een uitstel is inderdaad een keuze om in de zonde voort te leven. Hoe onbeduidend de zonde ook moge schijnen, men geeft er zich ten koste van het eeuwige leven aan over. Wat niet overwonnen wordt, dat zal ons overwinnen en in het verferf storten. SC 33 3 Adam en Eva Stelden zich gerust met de overweging, dat de gevolgen wel niet zo verschrikkelijk zouden zijn, als God ze geschilderd had, indien zij van de verboden vrucht aten. In die geringe zaak overtraden zij echter 's Heren onveranderlijke en heilige wet, en werden de sluizen van dood en ellende opengezet. Eeuw aan eeuw heeft de aarde een voortdurende weeklacht opgezonden; de ganse scheppong zucht en is in baresnood ter oorzaak van 's mensen onghoorzaamheid. De hemel zelfs heeft de gevolgen van deze opstand tegen God gevoeld. Golgotha is het gedenkteken, dat ons herinnert aan de grote opoffering, welke het gekost heeft om verzoening te doen voor de overtreding van Gods wet. Laten wij de zonde niet als iets onbeduidends beschouwen. SC 34 1 Iedere overtreding, elk verzuim, elke verwerping van de genade van Christus werkt op ons terug; het hart wordt er door verhard, de wil verzwakt, het verstand beneveld, zodat wij niet alleen minder begeerte gevoelen om ons te onderwerpen, maar ook minder in staat zijn om aan die uitnodiging van Gods Geest gehoor te geven. SC 34 2 Velen stellen hun onrustig gemoed tevreden met de gedachte, dat zij naar eigen tijdsbepaling hun wandel veranderen kunnen, dat zij met de genadige uitnodigingen een spel kunnen spelen, zonder minder vatbaar te worden voor indrukken. Zij denken hun boze weg nog gemakkelijk te kunnen verlaten, nadat zij de Geest der genade smaadheid hebben aangedaan en Satan zijn blijven volgen. Maar dat gaat zo gemakkelijk niet. De ervaring alsmede de gewoonten van een gehele levensduur hebben alsdan zulk een invloed op het karakter uitgeoefend, dat slechts weinigen het beeld van Jezus begeren deelachtig te worden. SC 34 3 De kracht van het Evangelie wordt vernietigd, wanneer men in slechts één zonde blijft volharden of een enkele zondige neiging blijft koesteren. Elk zondig vermaak versterkt de afkeer van God. Wie zich stoutmoedig als een godloochenaar aanstelt en een koude onverschilligheid jegens de Goddelijke waarheden aan de dag legt, oogst slechts, wat hij zelf gezaaid heeft. Nergens in de Bijbel is er een ernstiger waarschuwing te vinden tegen het spelen met het kwaad dan in deze woorden van Salomo: "In de strikken zijner zonde raakt hij vast". Spr. 5:22. SC 35 1 Christus is bereid om ons van de zonde te verlossen, doch Hij dwingt ons niet; en als onze wil geheel naar het kwade overhelt door in de zonde te volharden, en wij niet vrijgemaakt wensen te worden, noch Zijn genade willen aannemen, wat kan Hij dan meer voor ons doen? Wij storten ons zelf in het verderf door Zijn liefde moedwillig te verwerpen. "Zie, nu is het de tijd des welbehagens, zie, nu is het de dag des heils". "Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet". 2 Cor. 6:2; Hebr. 3:7-8. "De mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan", 1 Sam. 16:7, het menselijk hart met zijn tegenstrijdige aandoeningen van vreugde en verdriet, hetwelk dwaalziek, afkerig, halsstarrig en de schuilplaats van zoveel onreinheid en bedrog is. Christus zijn die neigingen en bedoelingen bekend. Ga tot Hem, zo bezoedeld als gij zijt. Ontsluit uw hart, gelijkerwijs de Psalmist deed, en roep uit: "Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg". Ps. 139:23, 24. SC 35 2 Velen zijn slechts verstandelijk bekeerd, hebben een vorm van godzaligheid zonder een gereinigd hart. Laat uw bede zijn: "Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest". Ps. 51 ; 12. Handel eerlijk met uw ziel. Wees even ernstig, even volhardend als gij zijn zoudt, wanneer uw tijdelijk leven op het spel stond. Deze zaak moet tussen God en uw ziel eeuwig beslist worden. Een vermeende hoop zal u in het verderf doen aanlanden. SC 35 3 Onderzoek Gods Woord biddend. Daarin vindt ge de wet Gods en het leven van Christus, waarin de heiligheid geopenbaard is, "zonder welke niemand de Here zien zal". Hebr. 12:14. Dat zal u van zonde overtuigen; daarin is de weg der verlossing duidelijk geopenbaard. Luister er naar, want het is Gods stem, die daarin tot u spreekt. SC 36 1 En als ge de gruwelijkheid der zonde inziet, als gij u zelf leert kennen, zoals gij zijt, wanhoop dan niet; Christus is gekomen om zondaars te behouden. Wij behoeven God niet te verzoenen, omdat -- o, ondoor-grondelijke liefde -- "God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was". 2 Cor. 5:19. Door Zijn tedere liefde zoekt Hij de harten Zijner afgedwaalde kinderen te winnen. Geen ouder kan meer geduld oefenen jegens de fouten en gebreken zijner kinderen, dan de Here jegens degenen, die Hij tracht te redden. Niemand kan de overtreder met meer tederheid zoeken te winnen. Over de lippen van geen enkel mens zijn ooit zulke smekingen voor de verlorene gekomen, als over de Zijne. Al Zijn beloften en waarschuwingen zijn de uitdrukking Zijner onuitsprekelijke liefde. SC 36 2 Als Satan u zegt, dat gij een groot zondaar zijt, werp uw blik dan op de Zaligmaker en spreek van Zijn deugden. De blik opwaarts zal u redden. Belijd uw zonden, doch zeg tegen de vijand, "dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren te be-houden", 1 Tim. 1:15 en dat Hij u in Zijn weergaloze liefde redden wil. Jezus deed Simon een vraag betreffende twee schuldenaars. Eén hunner was zijn heer weinig schuldig, doch de andere veel; beider schuld werd echter vergeven, en nu vroeg Jezus aan Simon, wie dezer twee schuldenaars zijn heer het innigst zou liefhebben. Simon antwoordde: "Ik veronderstel, wie hij het meest geschonken heeft". Luc. 7:43. Wij hebben zwaar misdreven, maar Christus stierf, opdat wij vergiffenis zouden ontvangen. De verdiensten van Zijn zoenoffer zijn voldoende voor ons. Die Hij het meest vergeven heeft, zal Hem ook het meest liefhebben en het dichtst bij Zijn troon staan, om Hem te loven voor Zijn grote liefde en oneindige offerande. De snoodheid der zonde wordt het best begrepen, als wij de liefde Gods ten volle doorgronden. Het hart versmelt in tederheid en berouw als wij zien hoe lang de keten is, die voor ons is nedergelaten, en beginnen te begrijpen, hoeveel Christus om onzentwil heeft moeten ten offer brengen. ------------------------Hoofdstuk 4--Belijdenis van zonden SC 38 1 "Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming". Spr. 28:13. SC 38 2 De voorwaarde, waarop wij de genade van God verkrijgen, is eenvoudig, rechtmatig en redelijk. De Here vergt geen smartelijke daad van ons ter verkrijging van vergiffenis van zonden. SC 38 3 Wij behoeven geen lange en vermoeiende bedevaarten te doen, noch pijnlijke zelfkastijdingen te verrichten, ten einde 's Heren gunst te winnen of verzoening voor onze overtredingen te verkrijgen; maar hem, die zijn zonden belijdt en laat, zal barmhartigheid geschieden. De apostel zegt: "Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt". Jac. 5:16. Belijdt de zonden aan God, Die ze vergeven kan, en de misdaden aan elkander. Hebt ge uw vriend of buurman beledigd, dan is het uw plicht om vergiffenis te vragen, en de zijne, om u te vergeven. Dáárom moet gij God vergiffenis vragen, vermits de broeder, die gij beledigd hebt, 's Heren eigendom, en het onrecht, hem aangedaan, dus tevens een zonde tegen zijn Schepper en Verlosser is. Op deze wijze wordt de zaak voor de enige ware Middlelaar, onze grote Hogepriester, gerbracht, "Die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen" Hebr. 4:15 en Die medelijden kan hebben met onze zwakheden. Hij kan elke vlek onzer ongerechtighden wegnemen. SC 39 1 Wie zich nog niet voor God verootmoedigd heeft door zijn zonden te belijden, die heeft nog niet aan de eerste voorwaarde der anneming voldaan. Indien onze bekering geen onberouwelijke is, en indien wij niet met ware ootmoed en verslangenheid des geestes onze zonden belijden en ozne ongerechtigheden betreuren, dan is het ons nog niet recht om de vergeving van zonden te doen; evenmin zullen wij de vrede Gods vinden, zonder die gezocht te hebben. De enige reden, waarom velen geen vergiffenis erlangen is, dat zij hun harten niet volkomen verootmoedigen, noch aan de voorwaarden van het woord der Waarheid voldoen. Er is te dien opzichte deuidelijk onderricht gegeven. De belijdenis van zonde, hetzij deze in het openbaar of in het verborgen bedreven is, moet van ganser harte en vrijwillig geschieden. Het moet niet een loszinnige of onverschillige belijdenis zijn, en ook moet zij niet afgeperst worden van beseffen. Een openhartige belijdenis vindt verhoring bij de God van oneindige ontferming. De Psalmist getuigt: "De Here is nabij de gebrokenen van hart, en Hij verlost de verslagenen van geest". Ps. 34:19. SC 39 2 Een ware belijdenis draagt dit kenmerk, dat zij bepaalde zonden bekent Zij kunnen van dien aard zijn, dat zij voor God alleen moeten beleden wordne; zijn zij van persoonlijke aard, dan behoren zij te worden beleden aan de beledigde persoon; doch als zij de schare aangaan, dan moet de belijdenis in het openbaar geschieden. Alle belijdenis behoort te geschieden door juist die misdaad te bekennen, waaraan men schuldig is. SC 40 1 In de dagen van Samuël dwaalden de Israëlieten van achter de Here af. Tengevolge hunner zonden verloren zij hun vertrouwen op Gods wijsheid en macht om hen te regeren, alsmede de overtuiging, dat Hij bij machte was te hunner verdediging op te treden. Zij werden afvallig van de grote Heerser des heelals en begeerden een regering, zoals de hen omringende volkeren hadden. Eer zij vrede vonden, deden zij de volgende bepaalde belijdenis: "Want aan al onze zonden hebben wij nog kwaad toegevoegd door voor ons een koning te vragen". 1 Sam. 12:19. De bepaalde zonde, waaraan zij zich hadden schuldig gemaakt, moest beleden worden. Zij gingen onder de last hunner ondankbaarheid gebukt, en deze scheidde hen van God. SC 40 2 Een belijdenis is Gode niet welbehaaglijk, tenzij zij met bekering en hervorming gepaard ga. Er moet een verandering in de wandel zijn; wat God mishaagt, moet verzaakt worden. Dit zal steeds op een waar berouw over de zonde volgen. Wat ons te doen staat, vinden wij aldus beschreven: "Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit Mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen; leert goed te doen, tracht naar recht, houdt de geweldenaar in toom, doet recht aan de wees, verdedigt de rechtzaak der weduwe". "De goddeloze geeft een pand terug, vergoedt het geroofde, wandelt naar de inzettingen die doen leven, zodat hij geen onrecht meer bedrijft, hij zal zeker leven, hij zal niet sterven". En Paulus over de bekering sprekende, zegt: "Want zie toch wat juist deze ervaring van droefheid naar Gods wil u gebracht heeft: welk een ernst, meer nog, verontschuldiging, verontwaardiging, vrees, verlangen, ijver, bestraffing. Gij hebt in allen dele doen blijken, dat gij zuiver stond in deze zaak". Jes. 1:16, 17; Ezech. 33:15; 2 Cor. 7:11. SC 41 1 Als het zedelijk begrip door de zonde verdoofd is, beseft de overtreder de gebreken in zijn karakter niet, noch de snoodheid van het kwaad, door hem bedreven; en in die blindheid der zonde zal hij blijven, tenzij hij zich door de overtuigende kracht van de Heilige Geest laat terechtwijzen. Zijn belijdenissen zijn welgemeend noch oprecht. Aan elke bekentenis van schuld voegt hij een verontschuldiging voor zijn gedrag toe, de zaak zó voorstellende, dat de omstandigheden hem gedwongen hebben te doen wat hij deed. SC 41 2 Toen Adam en Eva van de verboden vrucht gegeten hadden, bekroop hen schaamte en vrees. In het eerst trachtten zij een verontschuldiging voor hun zonde te bedenken, ten einde de dreigende dood te ontkomen. Toen God Adam er over aansprak, poogde deze de blaam gedeeltelijk op zijn Maker en gedeeltelijk op zijn gezellin te schuiven, zeggende: "De vrouw die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten". En de vrouw wierp de schuld op de slang, zeggende: "De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten". Gen. 3:12, 13. Waarom hebt Gij die slang geschapen? Waarom hebt Gij haar in Eden toegelaten? Deze vragen lagen in de verontschuldiging opgesloten, en alzo werd de verantwoordelijkheid van de val op God geworpen. De neiging om zichzelf te rechtvaardigen is uit de vader der leugen en openbaart zich in al de kinderen Adams. Zulke belijdenissen zijn niet ingegeven door de Heilige Geest en daarom Gode niet welgevallig. Een ware belijdenis brengt de mens er toe, zelf zijn schuld te dragen en hij belijdt, zonder een poging te doen om haar te ontveinzen of te ontduiken. Gelijk de tollenaar zal hij, zonder zijn ogen zelfs naar de hemel op te heffen, uitroepen: "O God, wees mij zondaar genadig!" Die hun zonden aldus belijden, zullen gerechtvaardigd worden: want Jezus pleit met de verdiensten van Zijn bloed voor zulke boetvaardigen. SC 42 1 De in de Schrift opgetekende voorbeelden van oprecht berouw en verootmoediging sluiten elke verontschuldiging voor de zonde en elke poging ter rechtvaardiging van zichzelf, buiten. Paulus trachtte zich niet te verdedigen; hij maalt zijn zonden met de donkerste kleuren af; van de schuld wordt niet afgedongen. Hij belijdt: "Ik heb velen van de heiligen in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de macht van de overpriesters ontvangen had, en als zij zouden omgebracht worden, heb ik er mijn stem aan gegeven. En in alle synagogen trachtte ik hen dikwijls door toepassing van straffen tot lastering te dwingen en in tomeloze woede tegen hen heb ik hen vervolgd, tot zelfs in de buitenlandse steden". Hand. 26:10, 11. Hij aarzelt niet te zeggen, "dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder welke ik een eerste plaats inneem". 1 Tim. 1:15. SC 42 2 Een ootmoedig en verslagen hart, dat waar berouw gevoelt, waardeert enigermate de liefde Gods en het offer op Golgotha. En gelijkerwijs een zoon aan zijn liefhebbende vader belijdt, alzo legt de oprechte belijder al zijn zonden voor God bloot. Voor dezulken nu staat geschreven: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle on-gerechtigheid". 1 Joh. 1:9. ------------------------Hoofdstuk 5--Overgave SC 44 1 God heeft beloofd: "Dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart". Jer. 29:13. SC 44 2 Het ganse hart moet aan God worden gegeven, anders kan de verandering in ons niet plaats vinden, waardoor Zijn evenbeeld in ons hersteld wordt. Van nature zijn wij van God vervreemd. De Heilige Geest beschrijft onze toestand in deze woorden: "Hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden", "het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid" "er is niets gaaf". Ef. 2:1; Jes. 1:5, 6. Wij zijn in Satans strikken gehouden "tot zijn wil". Tim. 2:26. God verlangt ons te genezen en los te maken. Maar aangezien er dan een totale verandering in ons moet plaats hebben, een vernieuwing van onze natuur, zo moeten wij ons geheel in Zijn hand stellen. SC 44 3 De grootste strijd, die ooit gestreden is, is de strijd tegen het eigen-ik. Het kost een geduchte worsteling om zich aan Gods wil te onderwerpen; en toch is dit de volstrekte eis, zal de zondaar ooit vernieuwd worden tot heiligheid en deugd. SC 44 4 De heerschappij van God berust niet, zoals Satan haar voorstelt, op slaafse onderworpenheid of onredelijke dwang. "Komt toch en laat ons te zamen richten", Jes. 1:18, aldus luidt de uitnodiging van de Schepper aan al Zijn schepselen. God dwingt hen niet. Een onwillige en onredelijke onderwerping is Hem niet welgevallig. Ware de onderwerping gedwongen, het geestvermogen en het karakter zouden zich niet kunnen ontwikkelen; de mens zou een ledepop zijn. Dat is niet de bedoeling van de Schepper. Zijn wens is, dat de mens, het kroonstuk Zijner Schepping, de hoogste trap van ontwikkeling bereikt. Hij maakt ons de grootste zegeningen bekend, die Hij ons uit genade schenken wil. Hij nodigt ons tot Hem te komen, opdat Hij Zijn wil in ons volbrenge. Wij moeten door keus beslissen of wij van de kluisters der zonde verlost willen worden en in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods wensen te delen. SC 45 1 Geven wij ons zelf aan God over, dan moeten wij ook afstand doen van alles, wat een scheiding tussen Hem en ons veroorzaken kan. Met het oog daarop zegt de Zaligmaker: "Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, Mijn discipel kunnen zijn". Luc. 14:33. Wat het hart van God aftrekt, moet prijs gegeven worden. De Mammon is veler afgod. Geldgierigheid, de begeerte om schatten te vergaderen, is de gouden keten, waarmede Satan hen bindt. Een andere klasse jaagt naar vermaardheid en zoekt de eer van mensen. Weer anderen stellen een gemakkelijk en wellustig leven tot hun afgod. Maar deze slavenboeien moeten verbroken worden. Wij kunnen niet half de Here en half de wereld toebehoren. Wij zijn geen kinderen Gods, tenzij wij het geheel en volkomen zijn. Sommigen menen God te dienen, terwijl zij zich op hun eigen pogingen verlaten om Zijn geboden te bewaren, een rechtschapen karakter te vormen en de zaligheid te verwerven. Hun harten worden niet door de innige liefde tot Christus bewogen, maar zij volbrengen de Christelijke plichten om daardoor de hemel te verdienen. Zulk een godsdienst is waardeloos. Als Christus in het hart woont, is dit zozeer met Zijn liefde en de vreugde Zijner gemeenschap vervuld, dat het Hem aankleeft; het eigen-ik wordt in het aanschouwen van Hem vergeten. De liefde van Christus wordt dan de drijfveer zijner daden. Zij, die door de liefde Gods gedreven worden, vragen niet, met hoe weinig zij volstaan kunnen om aan Gods eisen te voldoen; zij zijn niet met de laagste trap tevreden, maar jagen naar een volmaakte gelijkvormigheid aan de wil van hun Verlosser. Met een ernstig verlangen geven zij alles prijs, en leggen een belangstelling aan de dag, welke in verhouding staat tot de waarde der eeuwige heerlijkheid, waarnaar zij met verlangen uitzien. Een belijdenis zonder deze innige liefde is enkel lippenwerk, een dode for-maliteit, en een zware taak. SC 46 1 Is het u te veel om alles voor Christus op te offeren? Stel uzelf dan de vraag eens: "Wat heeft Jezus voor mij prijsgegeven?" Gods Zoon heeft alles, Zijn staat, Zijn lijden, Zijn leven, voor onze verlossing overgehad. Is het nu mogelijk, dat wij, de onwaardige voorwerpen van zulk een liefdebetoon, Hem onze harten onthouden kunnen? Ieder ogenblik van ons leven hebben wij in de zegeningen Zijner genade gedeeld, en daarom kunnen wij niet ten volle begrijpen uit welk een diepte van onkunde en ellende wij gered zijn. Kunnen wij een blik op Hem werpen, Die om onzer zonde wil doorstoken is, zonder al die liefde en opoffering hulde te betonen? Zullen wij nog klagen, omdat de weg ten leven door het dal van strijd en vernedering leidt, wanneer wij zien hoe de God der heerlijkheid Zichzelf vernederd heeft? SC 47 1 Menig hoogmoedig hart vraagt: "Waarom moet ik mij verootmoedigen en boete doen, alvorens ik het bewijs van aanneming bij God kan bekomen?" Ik verwijs u naar Christus. Hij was de zondeloze Vorst des hemels; doch ter wille van onze verlossing is Hij zonde voor ons geworden. Hij is "onder de overtreders geteld, terwijl Hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft". Jes. 53:12. SC 47 2 Maar waarvan doen wij eigenlijk afstand, als wij alles prijsgeven? Van een door de zonde bezoedeld hart, hetwelk Jezus met Zijn eigen bloed moet reinigen en door Zijn oneindige liefde wil zalig maken. Toch acht men het een harde zaak om alles te laten varen!Ik schaam mij als ik het hoor; ik schaam mij, dat ik het schrijf. SC 47 3 God vergt niet, dat wij van iets afstand zullen doen, dat ons ten nutte kan strekken. Hij beoogt het welzijn Zijner kinderen in alles. O, dat allen, die Jezus nog niet gekozen hebben, het toch verstonden, dat Hij iets veel beters aanbiedt dan zijzelf zoeken. De mens berokkent zichzelf de grootste schade, als hij tegen de wil van God in denkt en handelt. Geen waar geluk is te vinden op het pad, dat Hij verboden heeft, Die weet wat het beste is, en Die steeds het welzijn Zijner schepselen beoogt. Het pad der overtreders leidt tot ellende en verderf. SC 47 4 Men vergist zich, als men meent, dat God een welbehagen heeft in het lijden Zijner kinderen. Al de hemelingen stellen belang in 's mensen geluk. Onze hemelse Vader sluit de poorten van het geluk niet voor één enkel Zijner schepselen. God wil, dat wij afstand zullen doen van die vermaken, waaruit lijden en teleurstellingen geboren worden en die slagbomen vormen voor de gelukzaligheid des hemels. De Verlosser der wereld neemt de mensen aan, zoals zij zijn, met al hun behoeften, zwakheden en onvolmaaktheden; daarenboven reinigt Hij ons niet alleen van onze zonden en schenkt vergiffenis door Zijn bloed, maar Hij stilt het vurig verlangen des harten van allen, die Zijn juk op zich nemen en Zijn last dragen. Hij schenkt rust en vrede aan allen, die tot Hem komen om het brood des levens te ontvangen. Hij vergt enkel zulke plichten van ons, die geschikt zijn om ons tot het hoogste geluk te voeren, hetgeen wij nooit door de ongehoorzaamheid bereiken kunnen. Het ware, blijjuichende leven is de gestaltenis van Christus, de hoop der heerlijkheid, in ons te bezitten. SC 48 1 Velen vragen: "Hoe moet ik mijzelf aan mijn God overgeven?" Gij begeert u zelf aan Hem toe te vertrouwen, doch uw zedelijke kracht is zwak; gij zijt met twijfelingen vervuld, en wordt beheerst door de gewoonten van uw zondig leven. Uw beloften en voornemens zijn aan een verschroeide draad gelijk. Gij kunt uw gedachten, uw hartstochten en uw neigingen niet onder bedwang houden. Het bewustzijn, dat gij uw beloften niet zijt nagekomen, of uw geloften niet ingelost hebt, verzwakt uw vertrouwen in uw eigen oprechtheid, en verwekt de mening bij u, dat God u niet wil aannemen. Wanhoop evenwel niet. Gij hebt nodig de wilskracht te kennen; want daardoor wordt de mens beheerst in zijn besluiten en in zijn keuzen. Alles is van het rechte gebruik van de wil afhankelijk. God heeft de mens de kracht gegeven om te kiezen; daarom moet hij die kracht in beoefening brengen. Gij kunt uw eigen hart niet veranderen, of God uw liefde schenken; maar gij kunt wel kiezen of gij Hem dienen wilt. Gij kunt Hem uw wil overgeven, opdat Hij in u werke het willen en het volbrengen naar Zijn almachtig welbehagen. Alzo zal uw ganse natuur aan het beheer van de Geest van Christus onderworpen worden; uw verlangen zal tot Hem uitgaan, en uw gedachten met de Zijne instemmen. SC 49 1 Tot op zekere hoogte is het verlangen naar deugd en heiligheid goed, doch als het daarbij blijft, zal het u niets baten. Velen, die hopen en verlangen Christenen te zijn, zullen verloren gaan. Zij komen er niet toe hun wil aan God te onderwerpen. Het is hun daarom geen ernst Christenen te worden. SC 49 2 Een totale verandering in uw leven kan door een rechte overgave van de wil bewerkt worden. Door deze aan Christus te onderwerpen, maakt gij uzelf tot een bondgenoot van Hem, Die kracht boven alle overheid en macht bezit. Dan zult gij kracht uit de hoogte ontvangen om pal tegenover de verzoeking te staan; op die wijze kunt gij, door een voortdurende overgave aan God, het nieuwe leven leiden, dat uit het geloof is. ------------------------Hoofdstuk 6--Geloof en aanneming SC 50 1 Nu uw geweten levend gemaakt is door de Heilige Geest, hebt gij enigermate een begrip van de snoodheid der zonde, alsmede van haar kracht, schuld en ellende; gij beschouwt haar nu met afkeer. Gij gevoelt, dat de zonde een scheiding tussen u en God gemaakt heeft; dat gij aan de slavernij van het kwade gekluisterd zijt. Hoe meer gij worstelt om vrij te komen, hoe meer gij uw onmacht beseft. Uw bedoelingen zijn niet zuiver; uw hart is onrein. Gij ziet nu, dat uw leven een baatzuchtig en zondig leven is. Gij haakt naar vergiffenis, naar reiniging, naar vrijheid. Wat kunt gij doen, om in harmonie met God te komen, zodat Zijn beeld weer in u hersteld wordt? SC 50 2 Gij hebt behoefte aan vrede, 's hemels vergiffenis, vrede en liefde. Geld kan dat niet kopen, kennis noch wijsheid kunnen dat verschaffen; door eigen pogen kunt gij u dat nooit ten eigendom maken. God biedt ze u daarentegen als een gift aan, "zonder geld en zonder prijs". Jes. 55:1. Ze zijn de uwe, zodra gij uw hand er slechts naar uitsteekt. De Here zegt: "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Jes. 1:18. "Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste". Ezech. 36:26. Gij hebt uw zonden van harte beleden. Gij hebt uzelf aan God overgegeven. Vraag Hem nu om u van uw zonden te reinigen en u een nieuw hart te geven. Geloof dan, dat Hij het doen zal, omdat Hij het beloofd heeft. Jezus heeft ons geleerd, dat wij geloven moeten, dat de gaven, welke God beloofd heeft, de onze zullen worden, als wij er gelovig om vragen. Jezus genas de zieken van hun krankheden als zij geloof in Zijn kracht hadden, Hij hielp hen in de zienlijke dingen, opdat zij Hem in de onzienlijke vertrouwen mochten, en er alzo toe geleid zouden worden om te geloven, dat Hij de kracht bezit om de zonden te vergeven. Dat zeide Hij uitdrukkelijk, toen Hij de geraakte genas: "Maar opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven -- toen zeide Hij tot de verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis". SC 51 1 In het Evangelie van Johannes staat eveneens. "Maar deze zijn geschreven opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam". Joh. 20:31. SC 51 2 Wanneer wij in de Bijbel lezen hoe Jezus de kranken genezen heeft, dan kunnen wij daaruit leren, hoe men in Hem tot vergiffenis van zonden geloven moet. Slaan wij de geschiedenis van de lamme te Bethesda eens op. De arme lijder was hulpeloos; gedurende acht en dertig jaren had hij zijn benen niet kunnen gebruiken. Desniettemin beval Jezus hem: "Sta op, neem uw beddeke op en wandel". Hierop had de zieke kunnen antwoorden: "Here, indien Gij mij genezen wilt, zo zal ik Uw woord gehoorzamen". Maar neen, hij geloofde Jezus' woord, geloofde, dat hij genezen was, en daarom stond hij ogenblikkelijk Op hij wilde gaan,en daroom ging hij.Op hed woord van jezus sande hij zich in,en torstond ontving hij de kracht Hij werd genezen. SC 52 1 Insgelijks is het met u gesteld, zondaar. Gij kunt geen verzoening voor uw zonden doen, noch uw hart veranderen, noch u zelf heilig maken. Maar God belooft alles te doen door Christus. Geloof eenvoudig die belofte. Belijd uw zonden en geef uw hart aan God. Onderwerp uw wil aan Zijn dienst. Juist zo zeker als gij dat doet, zal God Zijn beloften nakomen. Als gij de belofte gelooft, -- gelooft, dat Hij u vergeven en gereinigd heeft, -- dan maakt God haar tot een werkelijkheid; gij wordt genezen, juist zoals Christus de verlamde kracht schonk om te gaan, toen deze geloofde, dat hij genezen was. Op uw geloof is het zo. SC 52 2 Wacht niet op het gevoel, dat gij genezen zijt, maar zeg: "Ik geloof het; het is zo, niet omdat ik het voelen kan, maar omdat God het beloofd heeft". SC 52 3 Jezus zegt: "Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft dat gij het hebt ontvangen, en het zal u geschieden". Marc. 11:24. De voorwaarde bij deze belofte is, dat wij naar Zijn wil bidden. Maar het is Gods wil, ons van de zonden te reinigen, ons tot Zijn kinderen te maken en een geheiligd leven te doen leiden. Bijgevolg mogen wij om deze zegeningen vragen, en geloven, dat wij ze ontvangen zullen, ja, God er bij voorbaat voor danken, dat wij ze ontvangen hebben. Wij mogen naar Jezus gaan om gereinigd te worden, opdat wij zonder schaamte of berouw voor de wet volstaan kunnen. "Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn". Rom. 8:1. SC 53 1 Van nu af behoort gij niet uzelf toe; gij zijt voor een dure prijs gekocht. "Wetende dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel... maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam". 1 Petr. 1:18, 19. Door eenvoudig God te geloven heeft de Heilige Geest een nieuw leven in het hart verwekt. Gij zijt als kind in het huisgezin Gods geboren, en Hij bemint u even innig als Zijn geliefde Zoon. SC 53 2 Onttrek uzelf niet, nadat gij uw hart aan Jezus gegeven hebt; wend u niet van achter Hem af, maar zeg dagelijks: "Ik behoor Christus toe; ik heb mijzelf aan Hem gegeven". Vraag Hem om Zijn Geest, opdat die u staande houde. Gelijkerwijs gij Zijn kind wordt door uzelf aan Hem te geven en Hem te geloven, zo moet gij ook in Hem leven. De Apostel zegt: "Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem". Col. 2:6. SC 53 3 Sommigen menen, dat zij een proeftijd moeten doormaken en de Here het bewijs leveren, dat zij veranderd zijn alvorens zij zich Zijn zegen mogen toeëigenen. Zij hebben nu reeds aanspraak op Gods zegen. Zonder Zijn genade en de invloed van de Geest van Christus om hun zwakheden te hulp te komen, kunnen zij het kwade niet weerstaan. Jezus verlangt, dat wij tot Hem komen, zoals wij zijn, zon-dig, hulpeloos en afhankelijk. Met al onze zwakheden, dwaasheden en zonden mogen wij Hem berouwend te voet vallen; Hij stelt er een eer in om ons in Zijn liefde te omarmen, onze wonden te verbinden, en ons van alle onreinheid te zuiveren. SC 53 4 Duizenden begaan een misslag op dit punt; zij geloven niet, dat Jezus hun persoonlijk de schuld vergeeft. Zij geloven God niet op Zijn woord. Allen, die aan de voorwaarden voldoen, mogen in zich de overtuiging omdragen, dat een vergiffenis van elke zonde in de kwijtschelding begrepen is. Weg met de gedachte, dat Gods beloften niet voor u bestemd zijn! Zij zijn voor iedere boetvaardige overtreder. De gedienstige engelen zullen de gelovige al de genade en sterkte doen toekomen, welke Christus voor hem verworven heeft. De snoodste zondaar kan kracht, reinheid en rechtvaardigheid putten uit Jezus, Die voor Hem gestorven is. Hij is bereid om hem te ontdoen van de klederen, die met zonden bezoedeld en bevlekt zijn, en hem de klederen der gerechtigheid aan te trekken; Hij wil niet, dat hij sterft, maar dat hij leeft. God behandelt ons niet zoals de mensen elkander behandelen. Zijn gedachten zijn gedachten van genade, liefde en het tederste medelijden. Hij zegt: "De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij zich over hem ontfermen -- en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig". "Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost". Jes. 55:7, 44:22. SC 54 1 "Want Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van de Here Here; daarom bekeert u opdat gij leeft". Ezech. 18:32. Satan is gereed u van de zalige verzekering Gods te beroven. Hij wenst u iedere straal van hoop en licht te ontnemen; maar ge moet hem dat niet toestaan. Luister niet naar de verleider, maar zeg: "Jezus is gestorven, opdat ik moge leven. Hij heeft mij lief, en wil niet, dat ik verloren ga. Ik heb een medelijdende hemelse Vader, niettegenstaande ik Zijn liefde smadelijk bejegend en Zijn goederen doorgebracht heb; ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en zeggen: SC 55 1 "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners". De gelijkenis verhaalt ons, hoe de zwerveling ontvangen werd: "En toen hij nog ver af was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem". Luc. 15:18-20. SC 55 2 Hoe aangrijpend en indrukwekkend deze gelijkenis ook zij, zo geeft zij ons toch slechts een klein begrip van het oneindig medelijden van de hemelse Vader. De Here heeft door een Zijner profeten laten zeggen: "Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid". Jer. 31:3. Terwijl de zondaar nog ver van des Vaders huis ver-wijderd leeft, en zijn goed in een vreemd land doorbrengt, gaat reeds zijns Vaders hart in sterk verlangen tot hem uit; elk verlangen om tot God weder te keren is slechts een erbarmelijk smeken van Zijn Geest, die de zwerveling roept en trekt om tot des Vaders liefderijk hart terug te keren. SC 55 3 Kunt gij, lettende op de rijke beloften in de Schrift, nog twijfelen? Kunt gij geloven, dat God de arme zondaar, die verlangt weder te keren en zijn zonden te verzaken, op een hardvochtige wijze verhindert om berouwend tot Hem te komen? Weg met zulke gedachten! Niets kan u meer schaden dan zulk een denkbeeld van onze hemelse Vader te koesteren. Hij haat de zonde, maar heeft de zondaar lief; Hij heeft Zichzelf in Christus gegeven, opdat een iegelijk, die wil, behouden worde en de eeuwige gelukzaligheid in het rijk der heerlijkheid geniete. Hij had Zijn liefde voor ons in geen kernachtiger noch tederder woorden kunnen uitdrukken. Hij zegt: "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet". Jes. 49:15. SC 56 1 Heft uw hoofden op, gij die daar beeft en twijfelt, want Christus is onze Voorspraak. Dankt God voor de gift van Zijn geliefde Zoon, en bidt Hem, dat Hij niet tevergeefs voor u gestorven zij. De Geest nodigt u heden. Komt van ganser harte tot Jezus en eigent u Zijn zegen toe. SC 56 2 En als gij de beloften leest, bedenkt dan, dat het uitdrukkingen zijn van onuitsprekelijke liefde en medelijden. Het grote hart van de Oneindige in liefde gaat tot de zondaar in innerlijke erbarming uit. "In Welke wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden". Efeze 1:7. Ja, geloof vrij, dat God uw Helper is. Hij wenst Zijn evenbeeld in de mens te herstellen. Als gij maar met berouw en belijdenis tot Hem gaat, dan zal Hij tot u genaken met genade en vergiffenis. ------------------------Hoofdstuk 7--Het bewijs van discipelschap SC 57 1 "Zo is dan wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen". 2 Cor. 5:17. SC 57 2 Iemand kan wellicht niet de tijd, de plaats of de omstandigheden zijner bekering opgeven; maar dit is nog geen bewijs, dat hij niet bekeerd is. Christus zeide tot Nicodemus: "De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder die uit de Geest geboren is". Joh. 3:8. Gelijk de onzichtbare wind, welks uitwerking duidelijk gezien en gevoeld wordt, alzo werkt Gods Geest op het hart. De wederbarende kracht, welke geen menselijk oog zien kan, doet een nieuw leven ontstaan; zij brengt een nieuw schepsel naar het beeld van God voort. SC 57 3 Ofschoon de Geest in stilte en onzichtbaarheid werkt, zo zijn de uitwerkingen toch zichtbaar. Als het hart door de Geest van God vernieuwd is, zal het leven daarvan getuigenis afleggen. Hoewel wij niets kunnen doen, om onze harten te veranderen en onszelf in harmonie met God te brengen, hoewel wij noch op onszelf noch op onze goede werken vertrouwen mogen, zo zal uit onze wandel toch blijken, dat de genade Gods in ons is uitgestort. Het karakter, de gewoonten, de ondernemingen zullen een verandering openbaren. Het verschil tussen hetgeen is en hetgeen was, zal duidelijk merkbaar zijn. SC 58 1 Zeker is het, dat er een uiterlijk goed gedrag kan zijn zonder de vernieuwende kracht van Christus. Een verlangen naar invloed en de achting der wereld kunnen tot een fatsoenlijk leven aansporen. Achting voor zichzelf kan de mens de schijn des kwaads doen vermijden. Een zelfzuchtig hart kan edele daden verrichten. Waaruit kunnen wij dan besluiten, aan welke zijde wij staan? SC 58 2 Wie bezit het hart? Bij wie zijn onze gedachten? Over wie spreken wij gaarne? Wie wijden wij onze tederste liefde en beste krachten? Indien wij Christus toebehoren, dan gaan onze gedachten en innigste over-denkingen tot Hem uit. Bijgevolg is ook alles, wat wij hebben en zijn, Hem gewijd. Wij begeren Zijn beeld te dragen, Zijn Geest te ademen, Zijn wil te doen en Hem in alles te behagen. SC 58 3 Een nieuw schepsel in Christus brengt de vruchten des Geestes voort, namelijk: "Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid". Hij gedraagt zich niet naar de vorige begeerlijkheden, maar door het geloof van de Zone Gods wandelt hij in Zijn voetsporen, weerkaatst Zijn karakter, en reinigt zichzelf, gelijkerwijs Hij rein is. Wat hij eertijds haatte, heeft hij nu lief. De hoogmoedigen en eigenzinnigen worden gedwee en nederig van hart. De verwaanden en laatdunkenden worden stemmig en ingetogen. De dronkaards sober; de zedelozen rein. Van de hoogmoedige gewoonten en modes der wereld wordt afstand gedaan. Een Christen verlangt niet naar het uitwendig versiersel, "maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke tooi van een zacht-moedige en stille geest". 1 Petr. 3:3, 4. SC 59 1 Is er geen hervorming, dan ontbreken de blijken ener oprechte bekering. Wordt het verpande teruggegeven, het gestolene wedergebracht, worden zonden beleden, God en de naaste bemind, dan mag de zondaar er staat op maken, dat hij van de dood is overgegaan tot het leven. SC 59 2 Wanneer wij als dwalende, zondige wezens tot Christus komen en Zijn vergevende genade deelachtig worden, dan ontstaat er liefde in het hart. Alle lasten zijn licht: Christus' juk is zacht. Plicht wordt vermaak, en opoffering een genot. Het pad, dat tevoren in het duister lag, is nu verlicht door de stralen van de Zon der gerechtigheid. SC 59 3 Het beminnelijke van Christus' karakter openbaart zich in Zijn volgelingen. Hij had lust om Gods wil te doen. De toeleg van het leven van de Zaligmaker was om de liefde Gods en Zijn eer te bevorderen. Liefde blonk in al Zijn daden uit. De liefde is uit God. Het onherboren hart kan haar derhalve niet voortbrengen noch dragen. Alleen in het hart, waarin Jezus regeert, wordt zij gevonden. "Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad". 1 Joh. 4:19. Liefde is de drijfveer in het hart, dat door Gods genade vernieuwd is. Zij verandert het karakter, be¬heerst de hartstochten, brengt de vijandschap ten onder, en bezielt met edeler gemoedsstemming. Waar deze liefde gekoesterd wordt, daar wordt het leven verzoet en een veredelende invloed uitgeoefend. SC 59 4 Voor het begaan van twee fouten moeten de kinderen Gods -- inzonderheid zij, die nog maar pas op Zijn genade hebben leren vertrouwen -- zich wachten. De eerste, welke wij alreeds genoemd hebben, is het vertrouwen op eigen werken en op wat wij doen kunnen om ons in harmonie met God te brengen. Wie door het waarnemen der wet heilig tracht te worden, die heeft een onmogelijkheid ondernomen. Alles, wat de mens zonder Christus doet, is met zonde en zelfzucht bezoedeld. De genade van Christus alleen, door het geloof, kan ons heilig maken. SC 60 1 De tegenovergestelde en niet minder gevaarlijke fout is, dat het geloof in Christus de mens van het betrachten der wet ontslaat; dat onze werken niets aan onze verlossing af- en toedoen, aangezien wij door het geloof alleen in de genade van Christus delen. SC 60 2 Vergun ons u te doen opmerken, dat gehoorzaamheid niet in een uiterlijke onderwerping bestaat, maar een liefdedienst is. De wet des Heren is een uitdrukking van Zijn karakter; zij is de belichaming van het grote beginsel der liefde en bijgevolg de grondslag van alle heerschappij in de hemel en op aarde. Als onze harten naar het evenbeeld van God veranderd zijn, als de Goddelijke liefde in ons uitgestort is, zullen wij dan niet naar die wet leven? Indien het beginsel der liefde in het hart is uitgestort, indien de mens vernieuwd is naar het evenbeeld van zijn Schepper, dan is de belofte van het nieuwe verbond vervuld, welke aldus luidt: "Ik zal Mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven". Hebr.10 :16. Indien de wet in het hart geschreven is, zal het leven er dan niet naar gevormd zijn? Gehoorzaamheid -- de op liefde berustende dienst en onderworpenheid -- is het ware kenmerk van discipelschap. De Schrift getuigt: "Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar". "Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar, en in die is de waarheid niet". 1 Joh. 5:3; 2:4. In plaats van de mens van gehoorzaamheid te ontslaan, stelt het geloof -- alleen het geloof, dat ons Christus' genade deelachtig maakt -- ons in staat om te gehoorzamen. SC 61 1 Wij verdienen de zaligheid niet door onze gehoorzaamheid; want de zaligheid is een gave Gods, welke door het geloof wordt aangenomen. Maar gehoorzaamheid is de vrucht des geloofs. "En gij weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet: een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend". 1 Joh. 3:5, 6. Hier is de ware toetssteen. Indien wij in Christus blijven, en de liefde Gods in ons woont, zo zullen onze gevoelens, onze gedachten en onze handelingen in overeenstemming zijn met de wil van God, zoals die in de geboden Zijner heilige wet uitgedrukt staat. "Kinderkens, dat u niemand verleide: wie de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is". 1 Joh. 3:7. Rechtvaardigheid wordt naar de standaard van Gods heilige wet, de tien geboden, op de Sinaï gegeven, gemeten. SC 61 2 Het zogenaamde geloof in Christus, dat de mensen ontslaat van hun gehoorzaamheid aan God, is geen geloof, maar vermetelheid. "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof". "Zo is het ook met het geloof; indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood". Ef. 2:8; Jac. 2:17. Eer Jezus op aarde gekomen was, zeide Hij: "Ik heb lust om Uw wil te doen, Mijn God, Uw wet is in Mijn binnenste". Ps. 40:9. En kort voor Hij ten hemel voer, zeide Hij: "Gelijk Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb en blijf in Zijn liefde". Joh. 15:10. Voorts zegt de Schrift: "En hieraan onderkennen wij dat wij Hem kennen: indien wij Zijn geboden bewaren... Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft". Joh. 2:3-6. "Daar ook Christus voor u geleden heeft, en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in Zijn voetstappen zoudt treden". 1 Petr. 2:21. SC 62 1 De voorwaarde ten eeuwigen leven is nog dezelfde, die zij altoos geweest is, -- juist dezelfde als toen onze stamouders nog niet gevallen waren in het Paradijs, -- volkomen gehoorzaamheid aan Gods wet, volmaakte rechtvaardigheid. Indien het eeuwige leven gemakkelijker te verkrijgen ware, zo zou de gelukzaligheid van het heelal er door op het spel worden gezet. Dan zou de zonde met al haar ellende en haar verdriet weder toegang kunnen vinden en vereeuwigd worden. SC 62 2 Vóór de val kon Adam een rechtvaardig karakter vormen door Gods gebod te gehoorzamen. Hierin feilde hij echter en ter oorzaak zijner zonde en van onze bedorven natuur kunnen wij onszelf niet rechtvaardig maken. Dewijl wij zondig en onheilig zijn, kunnen wij een heilige wet niet volmaakt gehoorzamen. Wij bezitten geen gerechtigheid, die aan de eisen van Gods wet voldoet. Maar Christus heeft ons een weg ter ontkoming gebaand. Hij heeft op aarde verkeerd te midden van al zulke verzoekingen en beproevingen als wij te verduren hebben. Hij heeft desniettemin een zondeloos leven geleid. Hij stierf voor ons, en nu wil Hij onze zonden op Zich nemen en er Zijn gerechtigheid voor in ruil geven. Als gij uzelf aan Hem geeft, en Hem als uw Zaligmaker aanneemt, dan wordt gij om Zijnentwil rechtvaardig verklaard, om het even welk een groot zondaar gij ook geweest zijt. Christus' karakter wordt dan als het uwe aangemerkt en God neemt u aan, alsof gij nooit gezondigd hadt. SC 63 1 Bovendien verandert Christus het hart: Hij woont er in door het geloof. Deze gemeenschap met Hem moet geoefend worden door een gelovige onderwerping van uw wil. Zo lang gij dat doet, zal Hij in u werken, het willen en het volbrengen naar Zijn welbehagen. Dan moogt gij zeggen: "En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven". Gal. 2:20. Dienovereenkomstig zeide Jezus tot Zijn discipelen: "Want gij zijt het niet die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt". Matth. 10:20. Wanneer dus Christus in u werkt, zo zult gij Zijn geest open-baren en dezelfde werken doen, -- werken van gerechtigheid en gehoorzaamheid. SC 63 2 Wij bezitten derhalve niets, waarop wij kunnen roemen. Er is geen grond voor zelfverheffing. Onze enige hoop ligt hierin, dat de gerechtigheid van Christus ons toegerekend wordt, alsmede dat Zijn Geest in en door ons werkt. SC 63 3 Over het geloof sprekende, behoort een verschil in het oog te worden gehouden. Alle geloof is geen zaligmakend geloof. Zelfs Satan en zijn volgelingen kunnen Gods bestaan, Zijn kracht, en de waarheid van Zijn woord niet loochenen. Volgens de Schrift geloven de duivelen, dat God een enig God is en zij sidderen, maar dat is geen geloof. Een waar geloof neemt Gods Woord aan, onderwerpt zich aan Zijn wil, geeft het hart en zijn neigingen aan Hem. Door zulk een geloof, dat door de liefde werkt en de ziel reinigt, wordt het hart naar Gods beeld veranderd. In de herboren staat is het hart echter niet aan Gods wet onderworpen, kan het trouwens ook niet zijn; doch nu zijn de zondaar de heilige geboden dierbaar en roept hij met de Psalmist uit: "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag". Ps. 119:97. En de rechtvaardigheid der wet wordt vervuld in ons, "die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest". (Rom. 8:1). SC 64 1 Er zijn er, die de vergevende liefde van Christus niet kennen, doch werkelijk verlangen, kinderen Gods te worden; zij beseffen de onvolmaaktheid van hun karakter, hun tekortkomingen en daarom twijfelen zij, of hun harten wel door de Heilige Geest vernieuwd zijn. Dezulken vermaan ik om niet te wanhopen. Wij moeten Jezus menigmaal te voet vallen en onze fouten en tekortkomingen betreuren; doch dat moet ons niet ontmoedigen. Al behaalt de vijand een overwinningop ons, daarom worden wij nog niet van God verlaten of verworpen. Neen, Christus staat ter rechterhand Gods als onze Pleitbezorger. De beminde Johannes zegt: "Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige". 1 Joh. 2:1. En vergeet vooral Jezus' eigen woorden niet: "Want de Vader Zelf heeft u lief". Joh. 16:27.Hij begeert u in de gemeenschap met Hem te herstellen en Zijn reinheid en heiligheid in u weerkaatst te zien; indien gij het Hem maar wilt laten doen, dan zal Hij het goede werk, in u begonnen, voleinden op de dag van Jezus Christus. Bid met meerdere ernst; geloof meer volkomen. Naarmate wij onze eigen krachten wantrouwen, laten wij ons naar diezelfde verhouding op de krachten van de Zaligmaker verlaten, dan zullen wij Hem loven, "Die de verlossing onzes aangezichts is". SC 65 1 Hoe nader gij bij Jezus komt, des te meer gebreken zult gij in uzelf ontwaren, omdat uw oog klaarder zal zien en uw onvolmaaktheid scherper bij Zijn volmaakte natuur zal afsteken. Dit is het bewijs, dat Satans betovering haar kracht verloren heeft; dat de levendmakende invloeden van de Heilige Geest u hebben doen ontwaken. SC 65 2 Een hart, dat zijn diepe verdorvenheid niet beseft, kan Jezus niet innig liefhebben. Wie door de genade van Christus veranderd is, die bemint ook Zijn Goddelijk karakter; doch als wij onze zedelijke mismaaktheid niet beseffen, dan hebben wij een onmiskenbaar bewijs, dat wij nog geen blik geworpen hebben op de schoonheid en uitnemendheid van Christus. SC 65 3 Hoe minder wij onszelf achten, des te meer zullen wij de oneindige reinheid en beminnelijkheid van de Zaligmaker op prijs stellen. Ons gevoel van schuld drijft ons tot Hem, bij Wie vergiffenis te verkrijgen is; en als de ziel in haar hulpeloosheid zich tot Hem wendt, openbaart Jezus Zichzelf in kracht. Hoe vaker ons gevoel van behoefte ons tot Hem heendringt, des te meer zullen wij Zijn karakter waarderen en aan Zijn beeld gelijkvormig worden. ------------------------Hoofdstuk 8--Opwassen in Christus SC 66 1 In de Bijbel wordt de verandering van het hart, waardoor wij kinderen Gods worden, wedergeboorte genoemd. Zij wordt vergeleken bij het ontkiemen van goed zaad, door de landman gezaaid. Insgelijks moeten de pasbekeerden, als "pasgeboren kinderkens" in Christus "groeien", (1 Petr. 2:2; Efeze 4:15) tot de gestalte van mannen en vrouwen in Christus Jezus. Of gelijk het goede zaad, op de akker gezaaid, moeten zij opwassen en vrucht voortbrengen. Volgens Jesaja's getuigenis zullen zij genaamd worden "tere- binten der gerechtigheid, een planting des Heren, tot Zijn verheerlijking". Jes. 61:3. Aldus zijn aan de natuur ontleende beelden gekozen om ons de verborgenheden van het geestelijk leven te verduidelijken. Al 's mensen wijsheid en vernuft kan geen leven schenken aan het kleinste voorwerp in de natuur. Geen plant noch enig dier kan leven, tenzij God het hun gegeven heeft. Insgelijks wordt het geestelijk leven door God in het hart gelegd. Tenzij iemand uit God geboren is, heeft hij het leven niet, dat Christus mededeelt. SC 66 2 Het gaat met de wasdom gelijkerwijs het met het leven gaat. God doet de knop ontluiken en de bloem vrucht voortbrengen. Door Zijn kracht brengt het zaad "eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar". Marc. 4:28. En Israël zal, zegt de profeet Hoséa, "bloeien als de lelie". "Zij, die in Zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen, ja, zij zullen bloeien als een wijnstok". Hos. 14:6, 8. Voorts zegt Jezus: "Let op de leliën, hoe zij spinnen noch weven". Luc. 12:27. De planten en de bloemen groeien niet door eigen voorziening of werkzaamheid, maar door datgene in zich op te nemen, wat God tot onderhoud van hun leven verordend heeft. Een kind kan niet door eigen zorg of kracht iets tot zijn lengte toedoen. Evenmin kunt gij, door eigen zorgen en pogen in geestelijke wasdom toenemen. Hetzij planten of kinderen, zij groeien, doordat zij uit de lucht, de zonneschijn en het voedsel de levenvoedende kracht putten. Christus nu is voor degenen, die op Hem vertrouwen, wat de elementen der natuur voor de planten en de dieren zijn. Hij is hun "zon en schild", hun "eeuwig licht". Ps. 84:12. Jes. 60:19. Hij zal "zijn als de dauw voor Israël". "Hij zij als de regen, die neerdaalt op het grasland". Hos. 14:6; Ps. 72:6. Hij is het levende water, "het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft". Joh. 6:33. SC 67 1 Door de onuitsprekelijke gave van Zijn Zoon heeft God de gehele wereld in een sfeer van genade gehuld, die even werkelijk bestaat als de dampkring, die de aardbol omgeeft. Wie in deze levengevende sfeer ademt, zal leven en opwassen tot de gestalte van man of vrouw in Christus Jezus. SC 67 2 Gelijkerwijs de bloem zich naar de zon keert opdat haar stralen behulpzaam mogen zijn in het volmaken van haar schoonheid en harmonie, zo moeten wij ons naar de Zon der gerechtigheid keren, opdat het hemels licht ons beschijne en ons karakter zich naar het evenbeeld van Christus vervorme. SC 68 1 Jezus heeft dit aldus uitgedrukt: "Blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft... Want zonder Mij kunt gij niets doen". Joh. 15:4, 5. Om een heilig leven te kunnen leiden, zijt gij even afhankelijk van Christus, als de tak is van de stam voor zijn wasdom en vruchtbaarheid. Zonder Hem hebt gij geen leven. Gij bezit geen kracht om de verzoeking te wederstaan, noch om in genade en heiligheid op te wassen. Maar in Hem zult gij bloeien. Ontvangt gij uw leven van Hem, dan zult gij verwelken noch onvruchtbaar zijn. Gij zult zijn als een boom, aan waterbeken geplant. SC 68 2 Velen verbeelden zich, dat zij een gedeelte van het werk alleen moeten doen. Voor de vergiffenis van zonden laten zij Christus zorgen, maar nu pogen zij uit eigen kracht een rechtvaardig leven te leiden. Doch al zulke pogingen falen. Jezus zegt: "Zonder Mij kunt gij niets doen". Onze wasdom in de genade, onze blijdschap, onze bruikbaarheid, alles is van onze vereniging met Christus afhankelijk. Wij wassen in de genade, door elke dag en elk uur gemeenschap met Hem te oefenen, door in Hem te blijven. Christus is niet alleen onze overste Leidsman, maar ook de Voleinder van ons geloof. Hij is steeds de Eerste en de Laatste. Hij moet niet alleen aan het begin en het einde van de baan ons ter zijde staan, maar iedere stap mede doen. David zegt: "Ik stel mij de Here bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet". Ps. 16:8. SC 69 1 Vraagt gij: "Hoe moet ik in Christus blijven?" Juist zoals gij Hem in het begin ontvangen hebt. "Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem". "Mijn rechtvaardige zal uit geloof leven". Col. 2:6; Hebr. 10:38. Gij hebt uzelf geheel en al aan Hem gegeven, om Hem te dienen en te gehoorzamen; gij hebt Christus als uw Zaligmaker aangenomen. Gij kondet zelf geen verzoening voor uw zonde doen, noch het hart veranderen; maar u aan God gegeven hebbende, geloofdet gij, dat Hij om Christus' wil dat voor u zou doen. Door het geloof zijt gij Christus' eigendom geworden, door het geloof moet gij in Hem opwassen, -- door te geven en te nemen. Gij moet alles geven: uw hart, uw wil en dienst, geef uzelf aan Hem, om al Zijn eisen te gehoorzamen. Daarentegen moet gij alles aannemen: Christus, de volheid van alle zegeningen, opdat Hij in uw hart wone, uw Sterkte zij, uw Gerechtigheid en uw eeuwige Helper -- opdat gij kracht moogt hebbenom te gehoorzamen. SC 69 2 Wijd uzelf de Here in de morgen toe; laat dit uw eerste verrichting zijn. Uw bede zij: "Neem mij, o Here, geheel als de Uwe aan. Ik leg mijn plannen aan Uw voeten. Gebruik mij deze dag in Uw dienst. Blijf bij mij en laat al mijn werk door U verricht worden". Dit dient dagelijks te worden herhaald. Wijd uzelf iedere morgen voor die dag. Onderwerp al uw plannen aan Hem, opdat zij naar de vingerwijzing Zijner voorzienigheid wél of niet ten uitvoer mogen worden gebracht. Alzo moogt gij dag aan dag uw leven in Gods hand geven en meer naar het evenbeeld van Christus gevormd worden. SC 69 3 Het leven in Christus is een rustig leven. Het moge al niet met een bijzondere opgewondenheid van het gevoel gepaard gaan, toch zal er een kalm, voortdurend, vredig vertrouwen zijn. Uw hoop berust niet op uzelf, maar op Christus. Uw zwakheid gaat met Zijn kracht gepaard, uw onkunde met Zijn wijsheid, uw onmacht met Zijn standhoudende sterkte. Daarom behoeft gij niet op uzelf te zien, maar houdt het oog op Jezus gevestigd. Bepeins Zijn liefde alsmede de schoonheid en volmaaktheid van Zijn karakter. Het onderwerp van uw overdenking zij Christus' zelfverloochening, vernedering, reinheid, heiligheid en weergaloze liefde. Door Hem lief te hebben, na te volgen en geheel op Hem te vertrouwen, wordt gij aan Zijn beeld gelijkvormig. SC 70 1 Jezus zegt: "Blijft in Mij". In deze woorden liggen rust, vertrouwen en standvastigheid opgesloten. En wederom nodigt Hij: "Komt tot Mij.... Ik zal u rust geven". Matth. 11:28. De woorden van de Psalmist drukken dezelfde gedachte uit: "Wees stil voor de Here en verbeid Hem". Insgelijks getuigt Jesaja: "In stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn". Ps. 37:7; Jes. 30:15. Doch deze rust bestaat niet in nietsdoen, want in de uitnodiging van de Zaligmaker gaan rusten en arbeiden samen: "Neemt Mijn juk op u... en gij zult rust vinden". Matth. 11:29. Het hart, dat met de meeste volkomenheid in Jezus rust, is het ijverigst in Zijn dienst. SC 70 2 Indien uw gedachten over eigen belangen lopen, dan wordt Christus, de Bron van leven en sterkte, vergeten. Daarom is het Satans toeleg om onze gedachten en gemeenschap met Christus tegen te werken. Op het genot der wereld, de zorgen, moeiten en wederwaardigheden des levens, de gebreken in anderen. of onze eigen gebreken en tekortkomingen zal hij ons zoeken te wijzen, om ons af te leiden. Laat u niet door zijn listen bedriegen. Vele oprechten van hart. die tot eer van God wensen te leven, weet hij bij hun feilen en zwakheden te bepalen, en daardoor hoopt hij hen van Christus gescheiden te houden. Wij moeten ons eigen-ik niet tot middelpunt maken en evenmin behoeven wij ons te beangstigen, of wij wel zalig zullen worden. Dit keert ons van de Bron onzer sterkte af. Vertrouw God het bewaren uwer ziel toe, en verlaat u op Hem. Laat Jezus het onderwerp van uw gedachten en gesprekken zijn. Uw eigen-ik zij in Hem verloren. Verban twijfel en vrees. Zeg de apostel Paulus na: "Toch leef ik, dat is met meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mijheeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven". Gal. 2:20. Rust in God. Hij is in staat het Hem toevertrouwde pand te bewaren. Als gij uzelf Hem toevertrouwt, zal Hij u meer dan overwinnaar doen zijn door Hem,Die u liefgehad heeft. SC 71 1 Toen Christus de menselijke natuur aannam, heeft Hij de mensheid met een band van liefde aan Zich verbonden, die door geen kracht behalve 's mensen vrijwillige keuze kan gebroken worden. Satan strooit steeds lokaas, om ons tot het verbreken van die band over te halen, -- om ons tot een scheiding van Christus te bewegen. Op dit punt moeten wij op onze hoede zijn, waken en bidden, opdat niets ons verleide om een andere meester te kiezen; want wij zijn immers vrij de keuze te doen. Maar laten wij het oog op Jezus gericht houden, dan zal Hij ons bewaren. Op Jezus ziende, zijn wij veilig. Niets kan ons uit Zijn hand rukken. Door Hem voortdurend te aanschouwen, worden wij veranderd "naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is". 2 Cor. 3:18. SC 72 1 Op deze wijze zijn de discipelen aan het beeld van de dierbare Zaligmaker gelijkvormig geworden. Terwijl zij naar Jezus' woorden luisterden, gevoelden zij hun behoefte aan Hem. Zij zochten, vonden en volgden Hem. Zij vergezelden Hem in het huis, aan de tafel, in de binnenkamer, op het veld. Zij verkeerden met Hem als leerlingen met hun onderwijzer, dagelijks onderwijs in de heilige waarheid van Zijn lippen ontvangende. Gelijk de ogen van een dienstknecht op zijn heer gericht zijn, zo waren hun ogen op de Meester gevestigd om te leren wat zij doen moesten. De discipelen waren mensen "zoals wij". Jac. 5:17. Zij hadden dezelfde strijd met de zonde. Zij hadden dezelfde mate van genade nodig, om een heilig leven te leiden. SC 72 2 Zelfs Johannes, de beminde discipel, in wie het beeld van de Zaligmaker het zuiverst weergegeven werd, bezat die beminnelijkheid van karakter niet van nature. Hij was aanmatigend en eerzuchtig, daarbij driftig en wraakgierig, wanneer hij beledigd werd. Doch toen Gods karakter aan hem geopenbaard werd, zag hij zijn eigen tekortkoming, en werd hij daardoor verootmoedigd. De sterkte en het geduld, de kracht en de tederheid, de majesteit en de zachtmoedigheid welke hij dagelijks in de Zone Gods aanschouwde, vervulden hem met liefde en bewondering. Dag aan dag ging zijn hart naar Christus uit, totdat hij zichzelf vergat in zijn liefde tot Christus. Zijn wraakgierige en eerzuchtige natuur onderging een verandering door de kracht van Christus. De wederbarende invloeden van de Heilige Geest vernieuwden zijn hart. De kracht van Jezus' liefde wrocht een verandering in zijn karakter. Dit is het gevolg van een gemeenschap met Christus. Als Hij in het hart woont, wordt de ganse natuur hervormd. Christus' geest en Zijn liefde vertederen het hart, brengen de persoon in onderworpenheid, en doen de gedachten en begeerten hemelwaarts tot God uitgaan. SC 73 1 Toen Christus ten hemel voer, liet Hij het besef Zijner tegenwoordigheid bij Zijn discipelen achter. Het was een persoonlijke tegenwoordigheid, vol van licht en liefde. Jezus, de Zaligmaker, Die met hen omgegaan, gesproken en gebeden had, die hun harten hoop en vertroosting had gegeven, was, onder het uitspreken van een troostrede, opgenomen in de hemel; doch terwijl de wolk Hem wegnam, kwam Zijn stem tot hen, zeggende: "Ziet, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld". Matth. 28:20. Hij voer in de gedaante van een mens ten hemel. Zij wisten, dat Hij als hun Vriend en Zaligmaker voor Gods troon stond; dat Zijn medelijden voortdurend hetzelfde was; dat Hij zich het lot van de lijdende mensheid aantrok. Hij pleitte voor God, op de verdiensten van Zijn eigen dierbaar bloed, op de littekens in Zijn handen en voeten wijzende ter herinnering aan de dure prijs, door Hem voor hun verlossing betaald. Zij wisten, dat Hij ten hemel gevaren was, om een plaats voor hen te bereiden, alsook dat Hij wederkomen zou om hen tot zich te nemen. Na de hemelvaart tezamen gekomen zijnde, waren zij verlangend de Vader in de naam van Jezus aan te roepen. Terwijl zij met diep ontzag bezield, geknield lagen, herinnerden zij zich de verzekering: "Als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam. Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in Mijn Naam; bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij". Joh. 16:23, 24. SC 74 1 Zij hieven de hand des geloofs steeds hoger en hoger en zonden de pleitrede opwaarts: "Christus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, Die ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons pleit". Rom. 8:34. En op de Pinksterdag kwam de tegenwoordigheid van de Trooster, van Wie Jezus gezegd had: "Hij blijft bij ulieden". Bovendien had Hij gezegd: "Het is beter voor u dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster tot u niet komen, maar indien Ik heenga, zal Ik hem tot u zenden". Joh. 16:7. Bijgevolg kan Christus door de Geest voortdurend in de harten van Zijn kinderen wonen. Zijn gemeenschap met hen was inniger dan toen Hij persoonlijk bij hen was. Het licht en de liefde van de inwonende Christus waren zo openbaar, dat zij, die hen zagen, zich "verwonderen en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren". Hand. 4:13. SC 74 2 Wat Christus voor Zijn discipelen geweest is, dat wil Hij ook voor Zijn kinderen van deze tijd zijn; want in Zijn laatste bede, toen zij met Hem verzameld waren, zeide Hij: "En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven". Joh. 17:20. SC 74 3 Jezus heeft voor ons gebeden en gevraagd, dat wij één mogen zijn met Hem, gelijkenvijs Hij en de Vader één zijn. O, wat ligt er al niet in deze eenheid opgesloten! De Zaligmaker zeide van Zichzelf: "De Zoon kan niets doen van Zichzelf"; "maar de Vader, Die in Mij blijft, doet Zijn werken". Joh. 5:19; 14:10. Bijgevolg, als Christus in ons woont, dan zal Hij "om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons" volbrengen. Filipp. 2:13. Wij zullen de werken doen, die Hij wrocht, en dezelfde geest openbaren. En alzo zullen wij, Hem liefhebbende en in Hem blijvende, "groeien... naar Hem toe, die het hoofd is, Christus". Efeze 4:15. ------------------------Hoofdstuk 9--Leven en werken SC 76 1 God is de bron van leven, licht en vreugde voor het heelal. Van Hem dalen de zegeningen op al Zijn schepselen neer, gelijk de stralen van de zon. En waar het leven Gods in het hart is, daar zal het in liefde en weldaden tot de naaste uitgaan. SC 76 2 De Zaligmaker schepte er behagen in, de gevallenen op te richten en te verlossen. Daarvoor had Hij Zijn leven niet te lief, maar heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht. Insgelijks zijn de engelen bezig, het geluk van anderen te bevorderen. Daarin verblijden zij zich. Wat een zelfzuchtig hart vernederende dienst acht, namelijk om hulp te verlenen aan de diep gezonkenen, die in elk opzicht ver beneden hun rang en stand gevallen zijn, dat maakte de dienst van de zondeloze engelen uit. De geest van Christus' zelfopoffering is de alles bezielende geest in de hemel; daarin bestaat het ware geluk. Die Geest zullen Zijn volgelingen hebben, en in dat werk zullen zij zich verlustigen. SC 76 3 Christus' liefde kan evenmin in het hart verborgen blijven, als een zoete geur bedekt kan blijven in de bloem. Haar heilige invloed zal gevoeld worden door allen, met wie wij in aanraking komen. De geest van Christus in het hart is als een fontein in een dor landschap, vlietende om allen te verkwikken, die ophet punt staan om te komen. SC 77 1 Liefde tot Jezus openbaart zich in een begeerte om Zijn voorbeeld te volgen tot verheffing van het mensdom. En daaruit worden liefde, tederheid en genegenheid voor al de schepselen van onze hemelse Vader geboren. SC 77 2 Het leven van de Zaligmaker op aarde was niet een leven van gemak en eigen genot, maar Hij wendde aanhoudende, ernstige en onvermoeide pogingen aan om de gevallenen op te beuren. Van de kribbe tot het kruis heeft Hij het pad der zelfverloochening bewandeld, zonder naar bevrijding van de moeilijkheden uit te zien. Hij zeide: "Gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen". Matth. 20:28. Dit was Zijn levensdoel. Al het ande¬re was slechts ondergeschikt. Het was Hem tot spijs en drank, de wil van God en de Hem medegegeven zending te vervullen. Zelfzucht en eigenbelang waren aan Zijn daden vreemd. SC 77 3 Wie aan de genade van Christus deel heeft, die is bereidwillig zich allerlei opofferingen te getroosten, ten einde anderen, voor wie Jezus ook gestorven is, de hemelse gave mede deelachtig te doen worden. Hij draagt er het zijne toe bij om de wereld te verbeteren. Dit is de geest van een waarlijk bekeerde. Zodra iemand Christus gevonden heeft, ontstaat er een verlangen in het hart om aan anderen bekend te maken, welk een dierbare vriend Jezus is; de heiligende en zaligmakende waarheid kan niet in het hart opgesloten blijven. Zijn wij met Christus' gerechtigheid bekleed en door de inwoning van de Heilige Geest met vreugde vervuld, dan kunnen wij het zwijgen niet bewaren. Hebben wij geproefd en gesmaakt, dat de Here goed is, dan zullen wij het verkondigen. Gelijk Filippus, toen hij de Zaligmaker gevonden had, zullen wij anderen verzoeken, tot Hem te gaan. Wij zullen hun de bekoring, die van Christus uitgaat, voor ogen stellen, mitsgaders de werkelijkheid der toekomstige wereld. Er zal een sterk verlangen zijn om Jezus' voetstappen te drukken. Er zal een innige begeerte bestaan, dat ook onze medemensen het "Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt", mogen zien. Joh. 1:29. SC 78 1 Het pogen, om anderen wel te doen, zal in zegeningen op onszelf wederkeren. Dit beoogde God door ons tot Zijn medearbeiders te maken. Hij heeft de mensen het voorrecht verleend, de Goddelijke natuur deelachtig te worden, opdat zij wederkerig hun medemensen ten zegen zouden mogen zijn. Dit is de hoogste eer, het grootste geluk, dat Hij schenken kan. Wie alzo medearbeiders in het liefdewerk worden, die komen nader tot God. SC 78 2 God had de verkondiging van het Evangelie benevens al het werk der bediening aan de engelen kunnen toevertrouwen. Ja, Hij had nog andere middelen tot bereiking van Zijn doel kunnen aanwenden, doch in oneindige ontferming verkoos Hij ons tot medearbeiders van Zichzelf, van Christus en de engelen, opdat wij in de hemelse zegeningen, de vreugde en de blijdschap, daaraan verbonden, mochten delen. SC 78 3 Door de gemeenschap met Zijn lijden worden wij meer één met Christus. Iedere opoffering voor anderen versterkt de weldadigheidszin en verbindt ons nauwer aan de Verlosser der wereld, Die, rijk zijnde, om onzentwil arm werd, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Alleen door aan dit doel, bij onze schepping beoogd, te beantwoorden, kan het leven ons ten zegen gedijen. SC 79 1 Wenst gij aldus, volgens Jezus' voornemen met Zijn discipelen, zielen voor Hem te winnen, dan zult gij behoefte aan meer ervaring en kennis in de Goddelijke zaken gevoelen; tevens zult gij ook hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Gij zult God er om smeken, uw geloof zal versterkt worden, en gij zult met vreugde water scheppen uit de fontein des heils. Tegenstand en wederwaardigheden zullen u uw toevlucht tot de Bijbel en het gebed doen nemen. Gij zult opwassen in de genade en kennis van Christus en rijk in ervaring worden. SC 79 2 Een onzelfzuchtige arbeid voor anderen geeft standvastigheid en Christelijke beminnelijkheid, alsmede vrede en geluk. Het streven gaat naar een edeler doel uit. Luiheid en zelfzucht vinden geen voedsel meer. Wie de Christelijke deugden op deze wijze in beoefening brengt, zal er door groeien en sterk worden in de dienst van God. Hij zal de geestelijke dingen duidelijk kunnen onderscheiden, zijn geloof zal gestadig wassen, en een toenemende kracht in het gebed ontvangen, die aan de Goddelijke aanraking beantwoordt. Wie op deze wijze onzelfzuchtig voor het welzijn van anderen arbeidt, zal zeker tot eigen zaligheid meewerken. SC 79 3 Om in de genade op te wassen, moet men zonder eigenbelang dat werk verrichten, hetwelk Christus ons heeft opgelegd; men moet naar zijn vermogen de hulpbehoevenden de behulpzame hand bieden. Oefening ontwikkelt kracht; bedrijvigheid is een eerste levensvereiste. Zij, die het Christelijk leven willen onderhouden door de zegeningen der genade lijdelijk aan te nemen en niets voor Christus te doen, zijn gelijk mensen, die eten zonder er voor te werken. Zowel in het geestelijke als in het natuurlijke eindigt dit in achteruitgang en bederf. Wie zijn ledematen weigert te gebruiken, zal ze weldra niet meer kunnen bewegen. De Christen, die de hem van God verleende krachten niet oefent, zal niet alleen niet opwassen in Christus, maar hij zal de kracht, welke hij reeds bezit, verliezen. SC 80 1 God heeft Christus' gemeente belast met de zorg voor 's mensen zaligheid. Het is haar roeping, het Evangelie aan de wereld te verkondigen. Deze roeping rust op alle Christenen. En ieder moet, naar mate zijn talenten en gelegenheden, aan dit bevel voldoen. De liefde van Christus aan ons geopenbaard, maakt ons schuldenaars van allen, die Hem niet kennen. God heeft ons licht geschonken, niet om het bedekt te houden, maar om het voor anderen te laten schijnen. Indien Christus' volgelingen hun plicht naar eis volbrachten, zouden duizenden in de heidenwereld zijn om het Evangelie te verkondigen, waar nu maar enkelen zijn. En allen, die niet zelf konden gaan, zouden dat werk met hun middelen, genegenheid en gebeden steunen. Ook zou er met veel meer ernst voor zielen in de Christelijke landen worden gewerkt. SC 80 2 Wij behoeven echter noch naar een heidens land te gaan, noch de beperkte kring van onze woonplaats te verlaten om iets voor Jezus te doen. Wij kunnen dat doen in onze huiselijke kring, in de gemeente, onder onze metgezellen en onder degenen met wie wij omgaan. SC 80 3 Onze Zaligmaker heeft de meeste tijd van Zijn leven op aarde te Nazareth doorgebracht. Hij behartigde Zijn roeping even trouw, terwijl Hij zich met het uitoefenen van zijn beroep bezig hield, als toen Hij de kranken genas of op het stormachtige meer van Gennesareth wandelde. Insgelijks kunnen wij in het uitvoeren van de nederigste plichten, of in de laagste stand der maatschappij met Jezus omgaan en werk voor Hem verrichten. De apostel zegt: "Broeders, iedereen blijve voor God in die toestand, waarin hij werd geroepen". 1 Cor. 7:24. SC 81 1 De zakenman kan de belangen van zijn zaak met getrouwheid behartigen en zo zijn Meester verheerlijken. Als hij een waar volgeling van Christus is, dan zal zijn godsdienst in al zijn doen uitkomen, en dan zullen de mensen de Geest van Christus in hem bemerken. De ambachtsman kan een vlijtig en trouw vertegenwoordiger zijn van Hem, Die nederig handwerk verricht heeft in het land van Galiléa. Zo behoort ook een iegelijk, die de naam van Christus belijdt, zich te beijveren, dat anderen, de goede werken ziende, hun Schepper en Verlosser mogen ver-heerlijken. SC 81 2 Velen hebben zich van de dienst van Christus zoeken af te maken, omdat anderen meerdere bekwaamheid of gelegenheid hadden. Het denkbeeld heeft bijval gevonden, dat alleen zij, die bijzondere gaven ontvangen hebben, verschuldigd zijn, hun talenten in de dienst van God te besteden. Men beschouwt de talenten als uitsluitend aan een begunstigde klasse gegeven, derhalve hebben de anderen noch deel in het werk, noch in de beloning. Doch de zaak wordt zo in de gelijkenis niet voorgesteld. Toen de heer des huizes zijn dienstknechten riep, gaf hij een iegelijk zijn werk. SC 82 1 Met een geest van liefde moeten wij de geringste levensplichten vervullen "als voor de Here". Col. 3:23. Als de liefde van Christus in onze harten is, zal zij zich in ons leven openbaren. De lieflijke geur van Christus zal ons omgeven, en onze invloed en onze verheffing zullen tot zegen dienen. SC 82 2 Gij moet niet op bijzondere gelegenheden of buitengewone gaven wachten om in dienst van God te treden. Bekommer u niet om wat de wereld van u zal denken. Indien uw dagelijks leven van de reinheid en oprechtheid van uw geloof getuigt, en anderen ervan overtuigd worden, dat gij hun welzijn behartigt, dan zullen uw pogingen niet geheel en al vruchteloos zijn. SC 82 3 De armste en onaanzienlijkste discipelen van Jezus kunnen anderen tot zegen strekken. Zij mogen al niet beseffen, dat zij een bijzondere invloed ten goede uitoefenen, desniettemin zullen zij golven van zegeningen in beweging brengen, die allengs klimmen en welker uitkomst eerst op de dag der beloning zal openbaar worden. Zij zijn er zich niet van bewust dat zij een groot werk verricht hebben. Zij behoeven zichzelf niet om welslagen te bekommeren. Hun roeping is, in stilte en getrouwheid werk te verrichten, dat Gods voorzienigheid hun opgelegd heeft; dan zal hun leven geen mislukking zijn. Alzo zullen zij meer en meer aan het beeld van Christus gelijkvormig worden gemaakt; zij zijn medearbeiders met God in dit leven, en worden alzo voorbereid voor het genot der onvermengde vreugde in het leven hiernamaals. ------------------------Hoofdstuk 10--God te kennen SC 83 1 Op velerlei manieren tracht God zich aan ons te openbaren en ons met Hem in gemeenschap te brengen. De natuur spreekt onophoudelijk tot ons door middel van de zintuigen. Het voor indrukken vatbare hart bespeurt Zijn liefde en heerlijkheid in het werk Zijner handen. Het luisterend oor kan verstaan en begrijpen wat God door middel van de natuur heeft mede te delen. De groene velden, de hoge bomen, de knoppen en bloemen, de voorbijdrijvende wolken, de vallende regen, het kabbelende beekje, en de heerlijkheid van het uitspansel nodigen ons uit om met Hem bekend te worden, Die ze alle geschapen heeft. SC 83 2 Onze Heiland verbond Zijn heilzame lering aan de voorbeelden in de natuur. De bomen, de vogelen, de bloemen der valleien, de bergen, de meren, het sterrengewelf, ja, de alledaagse gebeurtenissen boden Hem beelden aan, waardoor Hij de waarheid zo kon voorstellen, dat men onwillekeurig aan haar moest denken te midden van de bezigheden van het leven. SC 83 3 God verlangt, dat Zijn kinderen de schepping zullen waarderen, en genoegen scheppen in de schoonheid, waarmede onze aardse woonstede versierd is. Hij bemint het schone; doch boven al het uiterlijke heeft Hij een goed karakter lief; wij voldoen daarom aan Zijn verlangen, zo wij naar eenvoud en reinheid streven. Voor hem, die luisteren wil, kunnen kostelijke lessen over vertrouwen en gehoorzaamheid uit de schepping geleerd worden. Zowel de sterren des hemels, die eeuw aan eeuw langs hun onmetelijke banen voortsnellen, als het kleinste stofdeeltje gehoorzamen aan de wil van de Schepper. God zorgt voor alles en houdt het geschapene in stand. Die de talloze planeten in het luchtruim schraagt, voorziet ter zelf- der tiid in de nooddruft van het onbezorgde vogeltje, dat zijn vrolijk liedje laat horen. Hetzij men aan de dagelijkse arbeid gaat of zich afzondert om te bidden, hetzij men zich ter ruste begeeft of des morgens opstaat, hetzij de rijke in zijn paleis een feestmaal aanricht of de arme zijn kinderen hun schamele spijze uitreikt, de hemelse Vader bewaakt hen allen met een tedere zorg. God ziet al de tranen, welke geschreid worden. Zelfs een glimlach wordt door Hem opgemerkt. Alle onnodige zorg zou verbannen worden, indien wij dit waarlijk geloofden. Wij zouden niet zoveel over teleurstellingen spreken als wij nu doen; want het grote zowel als het kleine zou aan Gods zorg worden toevertrouwd, die noch door de menigvuldigheid, noch door het gewicht der zorgen wordt aangedaan. Velen zouden alsdan een hun tot nog toe ongekende rust smaken. SC 84 1 Terwijl gij de schoonheid dezer wereld bewondert, denk tevens aan de toekomstige, waarop geen bederf van zonde en dood de stempel kan drukken, of een schaduw van enige vloek op de natuur zal rusten. Stel u in verbeelding de woonplaats der verlosten voor, en bedenk daarbij, dat zij veel heerlijker zal zijn, dan gij u hier kunt voorstellen. In de natuur zien wij slechts een flauwe schemering van de heerlijkheid, welke geopenbaard zal worden. "Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heelt bereid voor degenen, die Hem liefhebben". 1 Cor. 2:9. SC 85 1 Dichters en geleerden bezigen veel toespelingen op de natuur, doch een Christen kan de schoonheid der natuur waarderen, omdat hij er zijns Vaders werk in ziet, en Diens liefde opmerkt in bloemen, heesters en bomen. Niemand kan de volle betekenis van bergen en dalen, van rivieren en zeeën waarderen, tenzij hij er een uitdrukking van Gods majesteit, en Zijn liefde jegens de mens in ziet. SC 85 2 God spreekt tot ons door middel van Zijn voorzienigheid en door de invloed van Zijn Geest op het hart. In onze levenservaringen, in onze omgeving, in de dagelijks geschiedende veranderingen kunnen goede lessen voor ons liggen, indien wij ze maar opmerken. De Psalmist, Gods voorzienigheid naspeurende, zegt: "De aarde is vol van de goedertierenheid des Heren". "Wie is wijs? Hij lette op deze dingen, laat men achtslaan op de gunstbewijzen des Heren". Ps. 33:5; 107:43. SC 85 3 God spreekt tot ons in Zijn Woord. Daarin hebben wij een duidelijke openbaring van Zijn karakter, van Zijn verhouding tot de mens, alsmede van het verlossingsplan. Daarin staat de geschiedenis der patriarchen en profeten opgetekend. De heiligen van die tijd waren mensen "als wij". Jac. 5:17. Wij lezen hoe zij gelijk als wij, met teleurstellingen hebben moeten worstelen, voor verzoekingen zijn bezweken, desniettemin moed gevat hebben en door Gods genade overwinnaars zijn geworden; dit lezende gevoelen wij ons bemoedigd om de gerechtigheid na te jagen. Als wij lezen, welke kostelijke ervaringen zij opgedaan, hoeveel licht, liefde en zegen zij genoten hebben, en wat zij hebben kunnen doen door de genade, hun geschonken, dan doet de geest, die hen bezielde, een heilige wedijver in ons ontbranden om hen in karakter te evenaren, en evenals zij met God te wandelen. SC 86 1 Jezus zeide van het Oude Testament -- en van het Nieuwe is het niet minder waar -- "deze zijn het, welke van Mij getuigen", Joh. 5:38, van Hem, de Verlosser, op Wie onze hoop des eeuwigen levens berust. Ja, de ganse Bijbel is vol van Christus. SC 86 2 Van het scheppingsverhaal -- want zonder Hem "is geen ding geworden, dat geworden is". Joh. 1:3 -- tot aan de belofte aan het slot, "ziet, Ik kom haastiglijk", lezen wij van Zijn daden en luisteren naar Zijn stem. De Schrift daarom bestudeerd, indien wij de Zaligmaker wensen te leren kennen. SC 86 3 Vul uw hart met de woorden Gods. Zij zijn het levende water, dat uw dorst lest. Zij zijn het brood uit de hemel. Jezus heeft gezegd: "Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf". En hiervan geeft Hij deze verklaring: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven". Joh. 6:53, 63. SC 86 4 Onze lichamen worden door spijs en drank opgebouwd; en op geestelijk gebied gaat het evenals op het natuurlijke -- onze geestelijke natuur put kracht uit hetgeen wij overdenken. SC 86 5 De engelen zijn begerig om het verlossingsplan in te zien; het zal trouwens tot in eeuwigheid der eeuwigheden de overdenking en de lofzang der verlosten uitmaken. Is het dan onze beschouwing en bepeinzing nü niet waard? De oneindige liefde en genade van Jezus, de offerande voor ons volbracht, moeten ons tot ernstig nadenken stemmen. Wij behoren veel te peinzen over het wezen van onze dierbare Middelaar en Verlosser. Wij behoren ons in gedachten bezig te houden met Hem, Die gekomen is om Zijn volk zalig te maken van zijn zonden. Door het overdenken van deze hemelse dingen, worden ons geloof en onze liefde versterkt, en onze gebeden welgevalliger, dewijl zij meer met geloof en liefde gedrenkt zijn. Er zal een bestendiger vertrouwen op Jezus zijn, een dagelijkse, levende ervaring van de kracht van Hem, die volkomen kan zalig maken, degenen, die door Hem tot God gaan. SC 87 1 Hoe meer wij de volmaaktheden van de Zaligmaker bepeinzen, hoe sterker begeerte er bij ons zal gewekt worden om geheel en al veranderd en vernieuwd te worden naar Zijn evenbeeld. Er zal een hongeren en dorsten zijn om aan Hem, Die wij aanbidden, gelijkvormig te worden. Hoe vaker wij onze gedachten over Christus laten gaan, hoe vaker wij met anderen over Hem zullen spreken en Zijn beeld openbaren. SC 87 2 De Bijbel werd niet in de eerste plaats voor geleerden geschreven, maar hoofdzakelijk voor het volk. De zaligmakende waarheden zijn zo klaar als de middagzon; daarom kan niemand op dat pad verdwalen, behalve degene, die op zijn eigen verstand, in plaats van op de duidelijk geopenbaarde wil van God vertrouwt. SC 87 3 In het verklaren van de Schrift mogen wij ons niet op de mening van enig mens verlaten, maar moeten wij Gods Woord zelf bestuderen. Als wij anderen voor ons laten denken, worden onze verstandelijke vermogens niet ontwikkeld. Onze geestvermogens kunnen dermate verlammen door ze niet te oefenen, dat wij de diepe betekenis van Gods Woord niet vatten kunnen. Door de Bijbelse onderwerpen te onderzoeken, de ene Schriftuurplaats met de andere, en geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken, worden we ontwikkeld. SC 88 1 Niets draagt meer tot ontwikkeling van het verstand bij dan de studie van de Bijbel. Geen ander boek bezit zoveel kracht om de gedachten te verheffen en de geestvermogens te versterken als de Bijbel. Werd Gods Woord naar behoren onderzocht, de mensen zouden beter verstandelijk ontwikkeld zijn. een edeler karakter hebben en meer standvastigheid bezitten dan ze tegenwoordig doorgaans hebben. SC 88 2 Een haastig lezen der Schrift doet ons weinig nut. Iemand zou de ganse Schrift kunnen doorlezen, zonder iets van de diepte harer betekenis te vatten. Als één Bijbeltekst bestudeerd wordt totdat zijn betekenis goed duidelijk wordt, is dit veel meer waard dan het lezen van een aantal hoofdstukken, zonder een bepaald doel op het oog te hebben of er lering uit te trekken. Houd uw Bijbel bij u. Lees er in zo dikwerf gij gelegenheid hebt; leer de teksten van buiten. Zelfs terwijl gij op straat wandelt, kunt gij een Schriftuurplaats leren, er over nadenken, en ze alzo in uw geheugen prenten. SC 88 3 Hemelse wijsheid wordt niet zonder ernstig nadenken en biddende studie verkregen. Sommige gedeelten der Schrift zijn inderdaad zo duidelijk, dat zij voor misverstand onvatbaar zijn; van andere ligt de betekenis niet aan de oppervlakte, en kan zij daarom niet bij een oppervlakkige bilk gezien worden. De ene teskt dient met de andere te worden vergeleken. Er moet nauwkeurig gevorst en biddend overwogen worden. Zulk een studie wordt rijkelijk beloond. Gelijkerwijs de mijnwerker aderen van kostelijk metaal onder de oppervlakte der aarde verborgen vindt, zo zal een volhardend onderzoker naar de verborgen schatten in Gods Woord de allerkostelijkste waarheden ontdekken, die voor een oppervlakkig lezer verborgen blijven. Als de woorden, door God ingegeven, overwogen worden, zullen zij zijn gelijk stromen uit de Bron des levens. SC 89 1 De Bijbel behoort nimmer te worden bestudeerd zonder voorafgaand gebed. Alvorens zijn bladen worden opgeslagen, behoort er om de voorlichting van de Heilige Geest te worden gesmeekt, en die zal gegeven worden. Toen Nathanael tot Jezus kwam, zeide de Zaligmaker tot hem: "Zie, waarlijk een Israeliet, in wie geen bedrog is". Hierop vroeg Nathanael: "Vanwaar kent Gij mij?" Jezus hernam: "Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom". Joh. 1:48, 49. SC 89 2 Insgelijks ziet Jezus ons in de afgezonderde plaatsen des gebeds, indien wij Hem om voorlichting vragen, opdat wij de waarheid Gods mogen verstaan. De engelen des lichts zullen hem bijstaan, die in ootmeod om de Goddelijke Leiding smeekt. SC 89 3 De Heilige Geest verheft en verheerlijkt de Zaligmaker. Het is Zijn ambt, Christus voor te stellen in de reinheid Zijner rechtvaardigheid, zowel als in de grote verlossing welke wij door hem verkrijgen. Jezus heeft gezegd: "Hij zal het uit het Mijne nemen, en het u verkondigen". Joh. 16:14. De Geest der waarheid is de enige betrouwbare onderwijzer in de Goddelijke waarheden. Hoe lief heeft God de mensheid daarom, aangezien Hij Zijn Zoon voor haar heeft laten sterven, en Zijn Geest geschonken heeft, opdat Die onderwijzer en bestendige gids zij. ------------------------Hoofdstuk 11--Het voorrecht van het gebed SC 91 1 God spreekt tot ons door de natuur en door de openbaring, door Zijn voorzienigheid en door de werkingen van Zijn Geest. Doch deze zijn niet voldoende: wij moeten onze harten voor Hem uitstorten. Ten einde geestelijk leven en geestkracht te bezitten, moeten wij omgang met onze hemelse Vader hebben. Al gaan onze gedachten tot Hem uit, al bepeinzen wij Zijn werken, Zijn genade, en Zijn zegeningen, dan hebben wij nog niet in de volste zin des woords omgang met Hem. Om dit te kunnen hebben, moeten wij Hem iets van onze dagelijkse wandel te vertellen hebben. SC 91 2 Bidden is een ontsluiten van het hart voor God als voor een vriend. Het behoeft niet te worden gedaan om Hem te vertellen wat wij zijn, maar opdat wij bekwaam gemaakt worden om Hem in ons op te nemen. Het gebed doet God niet tot ons afdalen, maar het voert ons tot Hem op. SC 91 3 Toen Jezus op aarde was, heeft Hij Zijn discipelen leren bidden. Hij beval hun hunne dagelijkse behoeften Gode bekend te maken, en al hun zorgen op Hem te wentelen. En de verzekering, dat hun gebeden zouden verhoord worden, dient ons ook tot verzekering. SC 92 1 Jezus bad dikwijls, toen Hij op aarde was. Onze Zaligmaker heeft zich met onze behoeften en zwakheden ingelaten door telkens een nieuwe schenking van kracht van Zijn Vader af te smeken, opdat Hij voor Zijn taak gesterkt mocht zijn. Hij is ons voorbeeld in alle dingen. Hij is onze broeder in zwakheden, zijnde in alle dingen verzocht als wij, doch zonder zonde. Hij had een afkeer van het kwade; Hij heeft aanvechtingen en zielefolteringen in deze zondige wereld te verduren gehad. Voor Zijn mense¬lijke natuur was het gebed zowel een behoefte als een voorrecht. De omgang met Zijn Vader diende Hem tot troost en vreugde. En indien de Zaligmaker van het mensdom, de Zoon van God, behoefte aan het gebed voelde, hoeveel te meer hebben wij, zwakke, zondige stervelingen behoefte om aanhoudend en ernstig te bidden. SC 92 2 Onze Hemelse Vader is bereid om de volheid Zijner zegeningen over ons uit te storten. Het is ons voorrecht, tot verzadiging toe uit de fontein van oneindige liefde te drinken. Hoe vreemd is het toch, dat wij zo weinig bidden! God is bereidvaardig om het gebed van de geringste Zijner kinderen te verhoren, en toch wordt er zo veel tegenzin gevonden om Hem onze noden bekend te maken. Wat zullen de engelen des hemels wel denken van de arme, hulpeloze wezens, die aan allerlei verzoekingen blootstaan, en die, terwijl God toch zo van harte genegen is om meer voor hen te doen dan zij kunnen denken of begeren, desondanks zo weinig bidden en geloof oefenen? Het is de engelen een lust zich voor God te buigen; zij verkeren gaarne in Zijn nabijheid. Zij beschouwen hun omgang met God als hun hoogste vreugde; daarentegen zijn de kinderen dezer aarde, die zo zeer de hulp van God behoeven, vaak onbegerig om bij het licht van Zijn Geest te wandelen en de gemeenschap met Zijn tegenwoordigheid te genieten. SC 93 1 Wie verzuimt te bidden, wordt door de boze in het duister gebracht. Hij wordt door de influisteringen van de vijand tot het bedrijven van zonde verleid, en dat is het gevolg van het ongebruikt laten van de voorrechten, aan het bidden verbonden. Waarom hebben de zonen en dochteren Gods een tegenzin in het bidden, daar toch het gebed de sleutel in de hand des geloofs is, waarmede de schatkameren des hemels ontsloten worden, in welke oneindige schatten van de Almachtige geborgen zijn? Er bestaat groot gevaar, dat wij onverschillig worden en het rechte pad verlaten, zo wij gedurig het bidden verzuimen en de waakzaamheid uit het oog verliezen. De vijand poogt de weg naar de troon der genade te versperren, opdat wij geen genade en kracht bekomen om de verleiding te kunnen weerstaan. SC 93 2 Op zekere voorwaarden mogen wij verwachten, dat God onze gebeden verhoren zal. In de eerste plaats moeten wij onze afhankelijkheid van Hem gevoelen. Hij heeft beloofd: "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge". Jes. 44:3. SC 93 3 Zij, die naar de gerechtigheid hongeren en dorsten, die naar God verlangen, zullen verzadigd worden. Het hart moet openstaan voor de invloed van de Geest, anders kan Gods zegen niet worden genoten. SC 93 4 Onze grote behoefte pleit voor ons het welsprekendst, doch de Here wil om deze dingen gebeden zijn. Hij heeft gezegd: "Bidt, en u zal gegeven worden". En wederom: "Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon neit gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? "Matth. 7:7; Rom. 8:32. SC 94 1 Indien wij naar ongerechtigheid met ons hart zien, en voortvaren welbekende zonden te bedrijven, zo zal de Here ons niet verhoren; maar het gebed van de ootmoedige en berouwhebbende wordt altoos verhoord. Wij mogen een antwoord op onze gebeden verwachten, als al het onrecht vereffend is. Het zijn niet onze deugden, die ons bij God aangenaam maken, maar de verdiensten van Jezus en Zijn bloed zullen ons reingen van onze zonden; evenwel moeten wij aan de voorwaarden voldoen. SC 94 2 Het geloof is een tweede voorwaarde voor een krachtig gebed. "Al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal u geschieden". Hebr. 11:6; Marc. 11:24. Geloven wij Hem op Zijn woord? SC 94 3 De verzekering is veelomvattend, en Die het beloofd heeft is getrouw. Indien wij niet juist die dingen ontvangen, welke wij begeerd hebben, zo moeten wij toch nog geloven, dat de Here de gebeden verhoort. Wij Zijn zo kortzichtig en dwaalziek; uit dien hoofde begeren wij dikwijls dingen, die ons niet tot zegen zouden gedijenm, daarom beantwoordt onze hemelse Vader onze gebeden met wat Hij het heschiktst voor ons acht wat wijzelf ook zouden begeerd hebben, indien het verstand verlicht ware geweest en qij alles recht begrepen hadden. Als onze gebeden overhoord blijven, moeten wij ons aan de belofte vastklemmen, want te zijner tijd zullen wij de verhoring ontvangen. Het is echter een vermetelheid, te beweren, dat onze gebeden altoos naar ons verlangen verhoord worden. God is te wijs om te kunnen dwalen, en te goedgunstig om enig goed degene te onthouden, die in oprechtheid voor Hem wandelt. Wees derhalve niet bevreesd uw vertrouwen op Hem te stellen, al worden uw gebeden niet aanstonds verhoord. Verlaat u op Zijn belofte: "Bidt, en u zal gegeven worden". SC 95 1 Gaan wij naar onze vrees en onze twijfel te werk, of trachten wij het voor ons duistere te ontraadselen, alvorens wij geloof oefenen, dan wordt de moeilijkheid groter. Doch als wij tot God gaan, met een gevoel van hulpeloosheid en afhankelijkheid, en Hem onze behoeften op een vertrouwelijke en ootmoedige wijze bekend maken, dan zal Hij, Die de Oneindige in wijsheid is, Die Zijn ganse schepping gadeslaat en alles regeert naar de raad Zijns wils, onze smeekstem verhoren door het licht in onze harten te laten schijnen. Door middel van het oprechte gebed geraken wij in gemeenschap met de Oneindige. Wij mogen op dat ogenblik geen bijzonder bewijs hebben, dat de Zaligmaker Zijn aangezicht in liefde en medelijden over ons laat lichten, Hij doet het desniettegenstaande; Zijn hand rust op ons, al kunnen wij ze niet voelen. SC 95 2 Wanneer wij God om genade en zegen vragen, dan moeten wij onszelf met een minnend en vergevensgezind hart voor Hem plaatsen. Hoe kunnen wij Hem bidden: "Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren", Matth. 6:12, zo wij niet vergevensgezind zijn? Verlangen wij verhoring onzer gebeden, dan moeten wij anderen op dezelfde wijze en naar dezelfde mate vergeven, als wij vergiffenis begeren. SC 96 1 Het volharden in het gebed is mede een voorwaarde, waarop wij ontvangen. Wij moeten altoos bidden om in het geloof en de ervaring te mogen groeien. Het bevel is: "Volhardt in het gebed". "Volhardt in het gebed, weest daarbij waakzaam en dankt". Rom. 12:12; Col. 4:2. Petrus vermaande de gelovigen "Wordt nuchter, opdat gij kunt bidden". 1 Petr. 4:7. En Paulus heeft bevolen: "Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God". Filipp. 4:6. "Maar geliefden", zegt Judas, "bewaart uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in de Heilige Geest". Judas vers 20. Een volharden in de gebeden doet ons Gods gemeenschap smaken en deelt ons Zijn leven mede; en wederkerig stromen uit dat leven reinheid en heiligheid terug tot God. SC 96 2 Er moet volhardend worden gebeden; laat niets u dit beletten. Wend alle pogingen aan om de gemeenschap tussen u en Jezus voortdurend te onderhouden. Begeef u naar de plaats, waar gewoonlijk wordt gebeden. Wie werkelijk een omgang met God verlangt, die woont de bidstonden bij, is getrouw in het behartigen van zijn plicht, en verlangt al de voorrechten, die hij erlangen kan. Hij zal geen gelegenheid laten voorbijgaan om zich daar te plaatsen, waar het licht des hemels hem beschijnen kan. SC 96 3 Wij moeten tevens ook in het huisgezin bidden; en bovenal zorgen, dat het verborgen gebed niet verzuimd worde; want dat is het leven der ziel. Iemand kan onmogelijk bloeien, als hij nalatig is in het bidden. Het huiselijk en het openbaar gebed zijn niet voldoende. Wij moeten ons hart in het verborgene openleggen voor het doorgrondend oog van God. Het verborgen gebed is alleen bestemd voor het oor van Hem. Die de gebeden verhoort. Geen nieuwsgierig oor mag zulke smeekbeden opvangen. In het verborgen gebed worden wij door de omstandigheden niet belemmerd en door opgewondenheid niet vervoerd. In kalmte, schoon in ernst, wordt er naar God verlangd. Zoet en duurzaam is de invloed, welke van Hem uitgaat, Die in het verborgene ziet, en Wiens oor open is voor het gebed, dat uit het hart welt. Door middel van een kalm, eenvoudig geloof houdt men gemeenschap met God, en vergadert men stralen van het Goddelijke licht, waardoor wij gesterkt worden in de strijd met Satan. God is onze Toevlucht en Sterkte. SC 97 1 Bid in uw binnenkamer, en laat uw verzuchtingen, terwijl gij uw bezigheden verricht, dikwijls tot God uitgaan. Op deze wijze wandelde Henoch met God. Deze stille verzuchtingen stijgen als kostelijk reukwerk op tot de troon der genade. Satan kan het hart niet overweldigen, dat zich op God verlaat. SC 97 2 Geen tijd of plaats is ongeschikt om onze gebeden tot God op te zenden. Niets kan ons verhinderen het hart in een ernstig gebed voor Hem uit te storten. Te midden van de menigte op de straten, te midden van onze bezigheden kunnen wij God bidden en Hem om leiding vragen, gelijkerwijs Nehemia deed, toen hij de koning Arthasastha zijn verzoek bekend maakte. Allerwegen kan een binnenkamer voor zulk een gemeenschap worden gevonden. De deur van ons hart behoort steeds open te staan, en het verzoek herhaald te worden, dat Jezus intrek moge nemen en als een hemelse Gast bij ons woning make. Al omgeeft ons een verderfelijke atmosfeer, daarom zijn wij toch niet genoodzaakt die lucht in te ademen, maar kunnen wij leven in de zuivere lucht des hemels. Wij behoren de deur voor alle zondige gedachten te sluiten door Gods aangezicht ernstig te zoeken. Zij, wier harten openstaan voor Gods ontfermingen, zullen leven in een sfeer, heiliger dan die dezer aarde, en voortdurend in de gemeenschap van God delen. SC 98 1 Wij hebben behoefte aan een juister begrip van Jezus, aan een meer omvattende kennis van de waarde der oneindige werkelijkheden der eeuwige heilsgoede- ren. Het hart van Gods volk moet met de heerlijkheid des heiligdoms vervuld worden; en daartoe is een goddelijke openbaring der hemelse dingen nodig. SC 98 2 Laat de ziel haar toevlucht hemelwaarts nemen, opdat zij de hemelse lucht inademe. Het is mogelijk om zó nabij God te verkeren, dat onze gedachten, wanneer wij op het onverwachts aangevallen worden, zo vanzelf tot Hem uitgaan, als de bloemen zich naar de zon keren. SC 98 3 Maak uw behoeften, uw vreugde, uw verdriet, uw vrees en uw zorgen Gode bekend. Gij kunt Hem overladen noch vermoeien. Hij, Die de haren uws hoofds telt houdt Zich niet onverschillig voor de nooddruft Zijner kinderen. "Gij hebt uit het einde dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming". Jac. 5:11. Zijn liefderijk hart wordt door onze moeiten, ja zelfs door het noemen er van aangedaan. Maak Hem al uw moeilijkheden bekend. Niets is voor Hem te zwaar om het te dragen, want Hij houdt de wereld in stand; Hij bestuurt het ganse heelal. Niets, dat op onze vrede betrekking heeft, is Hem te onbeduidend om er Zich in te moeien. Geen bladzijde onzer ervaring is zó duister, dat Hij ze niet lezen kan; geen moeilijkheid, die Hij niet kan onlossen. Geen ongeval kan de geringste Zijner kinderen overkomen, geen benauwdheid hen kwellen, geen vreugde hen vervrolijken, geen bede over hun lippen komen, die niet door onze hemelse Vader wordt opgemerkt en met belangstelling gadegeslagen. "Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hen in hun wonden". Ps. 147:3. Het verband tussen ieder mens en God is even volkomen persoonliik. alsof er geen ander was, voor wie Hij Zijn geliefde Zoon gegeven heeft. SC 99 1 Jezus zeide: "Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden, en Ik zee u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief". "Ik heb u uitgekozen.. opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in Mijn Naam". Joh. 16:26, 27; 15:16. Doch het bidden in Jezus' naam betekent iets meer dan die naam aan het begin en aan het einde van een gebed te noemen. Het betekent in de geest en in de zin van Jezus te bidden, Zijn beloften gelovende, zich op Zijn genade verlatende, en Zijn werken doende. SC 99 2 God wil niet, dat wij een kluizenaarsleven zullen leiden; onszelf van de wereld afzonderende, om ons alzo geheel aan de Godsdienst te wijden. Het leven moet op het leven van Christus gelijken -- tussen de bergen en de menigte verkerend. Wie niets anders doet dan bidden, zal weldra ophouden te bidden, of zijn gebeden zullen een blote vorm worden. Indien men zich aan het gemeenschappelijke leven onttrekt, de sfeer van des Christens plicht en kruisdragen vermijdt, ophoudt vlijtig voor de Meester te arbeiden, Die zoveel voor ons heeft gedaan, dan verliest men de dingen, waarvoor men moet bidden, en houdt men geen aansporing tot toewijding over. Dan ontaarden de gebeden in iets persoonlijks en zelfzuchtigs. Men kan noch de belangen van het mensdom, noch de verbreiding van Christus' koninkrijk aan Hem opdragen, noch om kracht tot geschikheid voor het werk vragen. SC 100 1 Wij lijden een verlies, indien wij het voorrecht om tot onderlinge opbouw en versterking samen te komen, ongebruikt laten. De waarheden van Gods Woord verliezen haar duidelijkheid en belangrijkheid voor ons gemoed. Onze harten worden niet langer verlicht en opgewekt door de heiligende invloed; wij gaan op geestelijk gebied achteruit. De Christenen verliezen er veel bij, wanneer zij niet deelnemend met elkander omgaan. Wie zich binnen zijn eigen kring houdt, die beantwoordt niet aan het doel door God gewild. Een behoorlijke ontwikkeling van onze gemeenschappelijke natuur wekt tot genegenheid tussen ons en de anderen, en is mede een middel om onze kracht voor de dienst van God te versterken. SC 100 2 Indien de Christenen dikwijls te zamen kwamen om met elkaar te spreken over de liefde Gods en de dierbare waarheden van het verlossingsplan, zo zouden hun harten er door verfrist worden, en de een zou de ander verkwikken. Indien wij dagelijks meer van onze hemelse Vader leren, en alzo nieuwe ervaringen in Zijn genade opdoen, dan bestaat er ook een begeerte om van Zijn liefde te spreken, waarbij onze harten verwarmd en bemoedigd zullen worden. Dachten en spraken wij meer over Jezus en minder over onszelf, wij zouden veel meer van Zijn tegenwoordigheid ontwaren. SC 101 1 Indien wij aan God dachten, zo vaak wij het bewijs Zijner zorg konden bespeuren, wij zouden voortdurend aan Hem denken; wij zouden met welgevallen over Hem spreken en Hem loven. De aardse dingen worden door ons besproken, omdat wij er belang in stellen. Onze vrienden maken het onderwerp van ons gesprek uit, omdat wij hen beminnen; onze vreugde en ons verdriet zijn onderling. Wij behoren God echter oneindig meer lief te hebben dan onze aardse vrienden, en daarom behoorde Hij ook de eerste plaats in onze gedachten in te nemen. De voortreffelijke gaven, welke Hij ons geschonken heeft, werden niet gegeven om er ons in te verdiepen, of ze zo lief te hebben, dat wij de Gever op de achtergrond zouden plaatsen; maar opdat zij ons steeds aan Hem zouden herinneren, en wij door banden van dankbaarheid en liefde aan onze hemelse Weldoener verbonden zouden worden. Wij vertoeven te veel op de lage stranden dezer wereld. Laten wij liever onze ogen opheffen naar de geopende deur van het heiligdom hierboven, alwaar het licht van God het aangezicht van Jezus bestraalt, die "volkomen behouden kan wie door Hem tot God gaan". Hebr. 7:25. SC 101 2 Wij behoorden God meer te loven voor Zijn goedertierenheid en voorZijn wonderwerken, de kinderen der mensen bewezen. Ons bidden behoort niet geheel in vragen en ontvangen te bestaan. Laten wij niet altoos aan onze behoeften denken, en nooit aan de weldaden, welke wij ontvangen. Niet dat wij vaak bidden, maar wij danken niet vaak genoeg. Ofschoon wij onophoudelijk in Gods genade delen, betonen wij Hem toch zeer weinig dankbaarheid en lof voor wat Hij om onzentwil gedaan heeft. SC 102 1 De Here beval Israël oudtijds, als het voor Zijn dienst tezamen kwam zeggende: "Daar zult gij eten voor het aangezicht van de Here, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waar de Here uw God, u gezegend heeft". Deut. 12:7. SC 102 2 Wat ter ere Gods geschiedt, behoort blijmoedig, met lofgezang en dankzegging, en niet in neerslachtigheid te worden gedaan. SC 102 3 Onze God is een teder, medelijdende Vader. Zijn dienst moet niet beschouwd worden als een zwaarmoedige, smartelijke dienst. De dienst van God behoort ons een verheugenis te zijn. God wil niet, dat Zijn kinderen, wie Hij een zo grote zaligheid bereid heeft, Hem als een strenge Meester beschouwen zullen. Hij is hun beste vriend; en als zij Hem dienen, dan wil Hij bij hen zijn, hen zegenen en vertroosten, en hun harten met liefde en vreugde vervullen. De Here verlangt, dat Zijn kinderen blijdschap in Zijn dienst zullen vinden, meer lafenis dan vermoeienis. Naar Zijn wil ontvangen Zijn dienaren dierbare gedachten omtrent Zijn zorg en liefde, opdat zij in al hun dagelijkse bezigheden opgebeurd mogen zijn, en genade mogen bezitten om in alles getrouw en eerlijk te handelen. SC 102 4 Wij moeten ons rondom de kruispaal scharen. Christus en Die gekruisigd, moet het onderwerp onzer overdenkingen, onzer gesprekken, en onzer vreugderijke gewaarwordingen zijn. Al de zegeningen van God ontvangen, moeten in gedachtenis worden gehouden; en als wij Zijn grote liefde beseffen, dan zullen wij bereidwillig zijn om alles aan die Hand toe te vertrouwen, die voor ons aan het kruis genageld werd. Op de vleugelen der dankbetuiging worden wij nader tot de hemel gevoerd. In de hemelse hoven wordt God met gezang en muziek verheerlijkt; daarom komen wij nader tot de dienst der hemelingen, als wij onze dank betuigen: "Wie lof offert, eert Mij", zegt God. Ps. 50:23. Laten wij daarom eerbiedig voor onze Schepper verschijnen met "loflied en geklank van gezang". Jes. 51:3 ------------------------Hoofdstuk 12--De gevaren van twijfel SC 104 1 Velen, en inzonderheid jonge Christenen, worden somtijds door twijfel aangevochten. Er zijn in de Bijbel vele dingen, die zij begrijpen noch verklaren kunnen, en nu gebruikt Satan zulke punten om hun geloof in de Schrift te ondermijnen. Zij vragen: "Waaraan kan ik de rechte weg toch onderkennen? Indien de Bijbel waarlijk Gods Woord is, hoe kan ik dan toch van die twijfel en die moeilijkheden bevrijd worden?" SC 104 2 God eist niet, dat wij iets geloven, zonder een voldoende grond te bezitten, waarop ons geloof rusten kan. Zijn bestaan, Zijn karakter, de geloofwaardigheid van Zijn Woord, al deze dingen worden door getuigenissen gestaafd, welke een beroep op ons verstand doen, en waarvoor overvloedig bewijs voorhanden is. Evenwel heeft God de mogelijkheid om te twijfelen niet weggenomen. Ons geloof moet op bewijzen en niet op schijn berusten. Wie aan twijfel de voorkeur geeft, kan genoeg gelegenheid vinden; daarentegen kunnen zij, wie het inderdaad om de waarheid te doen is, een overvloed van bewijzen vinden, waarop hun geloof bouwen kan. SC 104 3 Kortzichtige mensen kunnen het karakter en de werken van de Oneindige onmogelijk doorgronden. Voor het schranderste verstand en voor de meestontwikkelde denker blijft de Heilige steeds in donkerheid gehuld. "Kunt gij de geheimen Gods doorgronden, de Almachtige doorgronden ten einde toe? Zij zijn hoog als de hemel; wat kunt gij doen? dieper dan het dodenrijk; wat kunt gij weten?" Job. 11:7, 8. SC 105 1 De apostel Paulus roept uit: "O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!" Rom. 11:33. Want "rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en recht zijn de grondslag van Zijn troon". Ps. 97:2. In zo verre kunnen wij Zijn handelwijze begrijpen, dat wij zeker weten dat Hij Zijn oneindige kracht uit liefde en genade om onzentwil aanwendt. Wij kunnen zoveel van Zijn plannen begrijpen als goed voor ons is; voor het overige moeten wij ons vertrouwen stellen op de Hand, Die almachtig, en het Hart, Dat vol liefde is. SC 106 2 In Gods Woord, evenals in Zijn karakter, zijn verborgenheden, welke door geen sterveling kunnen begrepen worden. Hoe de zonde in de wereld gekomen is, Christus' vleeswording, de wedergeboorte, de opstanding, en vele andere onderwerpen der Heilige Schrift, zijn te diep om ze te kunnen verklaren of zelfs volkomen te kunnen verstaan. Maar omdat wij die dingen niet begrijpen kunnen, zijn wij niet gerechtigd, de verborgenheden Zijner voorzienigheid in twijfel te trekken. Er is menig ding in de natuur, dat wij niet doorgronden kunnen. De geleerdste filosoof kan geen verklaring geven van het laagste verschijnsel der levensopenbaring. Allerwegen zijn wonderen, die onze bevatting te boven gaan. Het moet ons daarom niet bevreemden, als wij onbegrijpelijke verborgenheden op geestelijk gebied ontdekken. De moeilijkheid ligt aan de kant van de zwakheid en beperktheid van 's mensen geestvermogens. God heeft ons voldoende bewijs van Zijn Goddelijk karakter in de Schrift gegeven, en nu mogen wij dat Woord niet in twijfel trekken, omdat wij de verborgenheden Zijner voorzienigheid niet doorgronden kunnen. SC 106 1 De apostel Petrus zegt, dat er in de Schrift dingen voorkomen "moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige Schriften". 2 Petr. 3:16. De twijfelaars beroepen zich op de moeilijkheden in de Schrift als een bewijs er tegen; doch daarin ligt waarlijk een sterk bewijs ten gunste van haar Goddelijke ingeving. Indien er niets in werd gevonden, dat wij niet gemakkelijk begrijpen konden, indien Gods grootheid en majesteit door kortzichtige mensen konden begrepen worden, dan zou de Bijbel geen onbetwistbaar bewijs van het Goddelijke auteurschap bevatten. De grootheid en het wonderbare der onderwerpen, daarin behandeld, behoorden ons te overtuigen, dat het Gods Woord is. SC 106 2 De Bijbel stelt de waarheden zo eenvoudig en toepasselijk aan de behoeften en begeerten van het menselijke hart voor, dat de geleerdsten zich er over verwonderd hebben; terzelfder tijd kunnen de eenvoudigen en ongeleerden de weg der zaligheid er in vinden. Eveneens liggen in die op zo eenvoudige wijze uitgedrukte waarheden, gedachten verborgen, welke 's mensen bevatting verre te boven gaan, zodat zij moeten worden aangenomen, omdat God het gezegd heeft. Aldus wordt het verlossingsplan voor ons ontvouwd, opdat een iegelijk moge zien wat hem te doen staat in zijn bekering tot God en het geloof in de Here Jezus Christus, opdat hij langs de door God bepaalde weg behouden worde. Onder die waarheden, welke zo gemakkelijk te begripen zijn, liggen verborgenheden, met welke Hij Zijn heerlijkheid bedekt verborgenheden, die door's mensen verstand niet te doorgronden zijn, doch de ernstige zoeker naar waarheid met ontzag en geloof vervullen. Hoe meer hij de Bijbel onderzockt, hoe stelliger hij overtuigd wordt, dat dit boek het Woord van de levende God is, en des mensen rede buigt zich alzo voor de majesteit der Goddelijke openbarring. SC 107 1 Als wij zeggen dat wij de waarheden der Schrift niet ten volle kunnen begrijpenm, dan bekennen wij, dat een beperkt verstand het oneindige niet begrijpen kan; dat een mens met zijn beperkte kennis het doel van de Oneindige niet doorgronden kan. SC 107 2 De twijfelaar en de ongelovige verwerpen het Woord van God, omdat zij de verborgenheden niet peilen kunnen; zelfs, degenen, die belijden de Bijbel te geloven, zijn niet voor dit gevaar gevrijwaard, De apostel zegt: "Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God". Hebr. 3:12. Het is prijzenswaardig de Schrift nauwkeurig te bestuderen ene de "diepten Gods", 1 Cor. 3:10 te onderzoeken, voor zover die daarin geopenbaard zijn. "De verborgen dingen zijn voor ons en onze kinderen voor altijd". Deut. 29:29. Doch het is Satans toeleg om het onderzoek van het verstand te verwarren. Een zekere mate van hoogmoed gaat met de beschouwing van de Bijdel gepaard, en daarom gevoelt men zich verslagen, als men neit elk gedeelte van de Schrift op voldoende wijze kan uitleggen. Zij beschouwen het te vernederend om te moeten bekennen, dat zij het geïnspireerde Woord niet begrijpen. Zij willen niet met geduld de tijd afwachten, dat God hun het verstand geven zal. Zij menen, dat 's mensen verstand in staat is om de Schrift in al haar volheid te omvatten, en nu zij daarin feilen, loochenen zij haar gezag. Weliswaar werd menige theorie en menige leerstelling opgeworpen, die geen grondslag in de Bijbel vond, ja geheel tegen zijn strekking indruiste. Velen zijn daardoor twijfelaars geworden; doch Gods Woord is daarvoor niet aansprakelijk, maar alleen de verkeerde opvatting of verdraaide voorstelling van de mensen. SC 108 1 Indien enig schepsel God of Zijn werken ten volle begrijpen kon, en het toppunt van kennis bereikt had, dan zou geen enkele waarheid ter ontdekking meer overgebleven zijn, alle wasdom in kennis ophouden, en de ontwikkeling van het verstand en het hart stilstaan. God zou niet langer alles in allen zijn; de mens zou geen vordering maken, omdat hij de grenzen der wetenschap bereikt had. Laten wij God danken, dat het niet zo is. Hij is de Oneindige; in Hem zijn "al de schatten der wijsheid en kennis verborgen". Col. 2:3. Tot in alle eeuwigheid zal de mens onderzoeken en leren, maar toch niet volleerd worden in de schatten van Zijn wijsheid, goedheid en kracht. SC 108 2 God wil, dat de waarheden, in Zijn Woord vervat, reeds in dit leven duidelijk voor Zijn volk zullen worden. En deze kennis kan maar op één wijze verkregen worden. Gods Woord wordt ons duidelijk door de verlichting van die Geest, die hetzelve ingegeven heeft. "Zo weet ook niemand wat in God is, dan de Geest Gods". "Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods." 1 Cor. 2:11, 10. En de Zaligmaker beloofde Zijn volgelingen: "Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid... Want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen". Joh. 16:13, 14. SC 109 1 God wil dat de mens zijn verstand zal gebruiken, en de Bijbel biedt een studie, welke voor dat doel niet kan worden overtroffen. Wij moeten ons er echter voor wachten, om het verstand te vergoden, dewijl het aan de zwakheden van de mens onderworpen is. Verlangen wij een helder verstand, opdat de duidelijke waarheden der Schrift voor ons bevattelijk mogen zijn, dan moeten wij de eenvoud en het geloof van een kind bezitten, gewilling zijn te leren, en de verlichting van de Heilige Geest inroepen. Een erkenning van Gods macht en wijsheid, gepaard aan het besef, dat wij Zijn grootheid niet doorgronden kunnen, behoort ons tot ootmoed te stemmen; daarbij moet Zijn Woord met hetzelfde ontzag worden opengeslagen, alsof wij ons tot de ijbel wenden, moet het verstand een hoger gezag erkennen; en het hart moet zich buigen voor de grote "IK ZAL ZIJN". SC 109 2 Oppervlakkig beschouwd, zijn vele dingen moeilijk en duister, die echter door God duidelijk en eenvoudig worden gemaakt voor degenen, die ze begeren te verstaan. Zonder de leiding van de Heilige Geest staan wij voortdurend bloot aan het gevaar om de Schrift te verdraaien of verkeerd uit te leggen. Ook wordt de Bijbel in menig geval zonder profijt, ja zelfs tot nadeel gelzen. Indien het Woord van God zonder gebed en eerbied wordt geopend, indien de gedachten en de verlangens niet tot God uitgaan of in harmonie met Zijn wil zijn, dan is het verstand beneveld, dan wordt het ongeloof door het lezen van de Bijbel versterkt. De vijand legt beslag op de gedachten, en hij fluistert uitleggingen in, die niet zuiver zijn. Als het iemands toeleg niet is om met woord en daad in harmonie met God te zijn, om het even hoe geleerd hij ook moge zijn, zo zal hij lichtelijk tot een verkeerde opvatting van de Schrift geraken, en daarom is het gewaagd zich op zijn uitlegging te verlaten. En wie de Bijbel onderzoekt om er tegenstrijdigheden in te vinden, die mist de voorlichting des Geestes geheel. Tengevolge zijner blindheid zal zijn ongeloof op duidelijke en eenvoudige dingen stuiten, alsof het onoverkomelijke moeilijkheden waren. SC 110 1 Hoe hij het ook moge bemantelen, in de meeste gevallen is het vasthouden aan zekere zonden de werkelijke oorzaak waarom hij twijfelt. De vermaningen en bestraffingen van Gods Woord bevallen het hoogmoedig en zondelievend hart niet, uit dien hoofde zijn zij, die zich niets willen laten gezeggen, bereidwillig om deszelfs gezag te loochenen. Om tot de kennis der waarheid te geraken, moet er een oprechte begeerte bestaan om haar te kennen en van ganser harte te gehoorzamen. Wie de Bijbel in die geest bestudeert, zal er overvloedig bewijs in vinden, dat het Gods Woord is, en bovendien een schat van ken¬nis vergaderen, welke hem wijs kan maken tot zaligheid. SC 110 2 Christus heeft gezgd: "Indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten of hij van God komt". Joh. 7:17. Instede van te strijden en te twisten over wat gij niet begrijpt, geef liever acht op het licht, dat u reeds beschijnt, dan zult gij weldra meerder licht ontvangen. Vervul, door de genade van Christus, elke plicht, die u duidelijk geworden is, dan zult gij in staat worden gesteld om datgene te begrijpen en te volbrengen, dat u nog twijfelachtig toeschijnt. SC 111 1 Het bewijs der ervaring staat open voor een ieder, zowel voor de geleerdsten als voor de onkundigsten. God nodigt ons eerst, om de werkelijkheid van Zijn Woord en Zijn beloften op de proef te stellen. Hij zegt: "Smaakt en ziet, dat de Here goed is". Ps. 34:9. In plaats van op het getuigenis van anderen te vertrouwen, mogen wij het zelve beproeven. Voorts heeft Hij gezegd: "Bidt, en gij zult ontvangen". Joh. 16:24. Zijn beloften zullen vervuld worden. Zij hebben nog nooit gefaald: zij kunnen het trouwens ook niet. Naarmate wij dichter bij Jezus komen en onszelf in de volheid Zijner liefde verheugen, zullen elke twijfel en alle duisternis verdwijnen voor het licht van Zijn aangezicht. SC 111 2 De apostel Paulus zegt, dat God ons "heeft verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde". Col. 1:13. En een iegelijk, die van de duisternis is overgegaan in het licht, kan verzekeren, "dat God waarachtig is". Joh. 3:33. Hij kan getuigen: "Ik had behoefte aan hulp, en heb ze bij Jezus gevonden. In al mijn nooddruft werd voorzien: de honger mijner ziel werd gestild: nu is de Bijbel mij de openbaring van Jezus Christus. Vraagt gij mij, waarom ik in Jezus geloof? SC 111 3 Omdat Hij mij een Goddelijk Zaligmaker is. Waarom ik de Schrift geloof? -- Omdat ik daarin de stem van God gevonden heb, die tot mijn ziel spreekt". Wij kunnen het getuigenis in onszelf hebben, dat de Bijbel waar is, dat Christus Gods Zoon is. Wij weten, dat wij geen kunstelijk verdichte fabelen zijn nagevolgd. SC 112 1 Petrus vermaant de broeders op te wassen "in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland Jezus Christus". 2 Petrus 3:18. Als Gods volk in de genade groeit, verkrijgt het voortdurend een beter begrip van Zijn Woord. Dan bespeurt het meer licht en schoonheid in de heilige waarheden. Dit is de ervaring der gemeente al de eeuwen door geweest, en zij zal het ten einde toe blijven. "Maar het pad der rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag" Spr. 4:18. SC 112 2 Het geloof stelt ons in staat een blik in de toekomst te werpen en Gods beloften te omhelzen, waardoor ons verstand ontwikkelt, onze geestvermogens zich met de Goddelijke zullen verenigen, en al onze kracht in aanraking met de Bron van het licht zal worden gesteld. Wij mogen ons in het vooruitzicht verheugen, dat al wat ons nu duister is, alsdan duidelijk zal worden gemaakt; de dingen, die nu moeilijk te begrijpen zijn, zullen eindelijk hun oplossing vinden; en waar ons beperkt verstand niets dan verwarring en mislukte plannen meende te vinden, zullen wij alsdan een heerlijke en volmaakte harmonie ontdekken. "Want nu zien wij nog door een spiegel in raadselen doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle ken¬nen, zoals ik zelf gekend ben". 1 Cor. 13:12. ------------------------Hoofdstuk 13--Zich in de Here verblijden SC 113 1 De kinderen Gods zijn geroepen gezanten van Christus te zijn, om 's Heren goedheid en genade te verkondigen. Gelijkerwijs Jezus ons het ware karakter van de Vader geopenbaard heeft, zo moeten wij Christus aan de wereld openbaren, die niets van Zijn tedere, meedogende liefde weet. "Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld". "Ik in hen en Gij in Mij.. opdat de wereld erkenne dat Gij Mij gezonden hebt". Joh. 17:18, 23. SC 113 2 De apostel zegt tot Jezus' volgelingen: "Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, daar gij toont een brief van Christus te zijn". 2 Cor. 3:2, 3. Door een ieder van Zijn kinderen stuurt Jezus een brief de wereld in. Als gij Jezus' volgelingen zijt, dan zendt Hij door middel van u een brief naar het gezin, de straat, het dorp, waarin gij woont. Jezus, in u wonende, verlangt te spreken tot de harten dergenen, met wie gij in aanraking komt. Misschien lezen zij de Bijbel niet, of geven geen acht op de stem, die tot hen spreekt door middel van zijn bladzijden; zij bespeuren Gods liefde niet in Zijn werken. Doch als gij een trouwe gezant van Jezus zijt, dan worden zij er misschien toe gebracht, om iets van Zijn goedheid te begrijpen, en wellicht zoudt gij het voorrecht smaken hen voor Zijn dienst te winnen. SC 114 1 Christus heeft ons als lichtdragers terzijde van de weg ten hemel geplaatst. Het licht van Christus op ons schijnende moet op de wereld teruggekaatst worden. Ons karakter en onze wandel moeten van dien aard zijn, dat anderen daardoor een zuiver begrip krijgen van Christus en Zijn dienst. SC 114 2 Als wij Christus alzo openbaren, zullen wij Zijn dienst aantrekkelijk maken, hetgeen hij dan ook werkelijk is. De Christenen, die treurig en naargeestig zijn steeds murmureren en alles bedillen, stellen God en het Christelijke leven in een verkeerd daglicht Zij geven de indruk, dat God Zijn kinderen niet gelukkig wenst te zien, en alzo spreken zij een valse getuigenis tegen onze hemelse Vader. SC 114 3 Satan in in zijn schik, wanneer hij de kinderen Gods kan doen twijfelen en de hoop doen verliezen Hij verheugt er zich in, als hij ons God ziet wantrouwen en twijfelen, of Hij wel willig en machtig is om ons te redden. Hij schept er behagen in, ons wijs te maken, dat s Heren voorzienigheid ons schaden zal. Satan stelt God voor als meedogenloos en onbarmhartig. Hij verdraait de waarheid omtrent Hem. Hij vult de verbeelding met verkeerde voorstellingen aangaande God; en instede van onszelf bij de waarheid betreffende onze hemelse Vader te bepalen, zien wij maar al te vaak op de verkeerde voorstellingen van Satan, en doen God oneer aan door Hem te wantrouwen en tegen Hem te murmureren. Satan legt het er steeds op aan om het Christelijke leven naargeestig te maken. Hij wenst het zwaar en moeilijk voor te stellen; en als de Christen nu deze voorstelling van de godsdienst in zijn wandel doet uitkomen, verleent hij door zijn ongeloof, gezag aan Satans leugen. SC 115 1 Velen van hen, die het pad des levens bewandelen, blijven over hun misslagen, tekortkomingen en teleurstellingen tobben, en dientengevolge zijn hun harten met moedeloosheid en neerslachtigheid vervuld. Toen ik in Europa was, schreef iemand, die zich in die toestand bevond en in grote angst verkeerde, mij om een woord van vertroosting. In de nacht, nadat ik de brief gelezen had, droomde ik, dat ik mij in een hof bevond, en iemand, die de eigenaar scheen te zijn, mij er door geleidde. Terwijl ik de bloemen plukte en haar geuren rook, riep mij deze zuster, die naast mij gewandeld had, en wees naar de braamstruiken, die op onze weg stonden. Daar stond zij te treuren en te klagen. Zij liep niet op het pad, de gids achterna, maar door de braamstruiken heen. "O", vroeg zij, "is het toch niet jammer, dat deze schone hof zo door doornen bedorven is?" Daarop antwoordde de gids: "Laat de doornen staan, zij zullen u verwonden. Pluk de rozen, de leliën en de anjelieren". SC 115 2 Hebt gij geen genoeglijke ogenblikken in uw leven gehad? Hebt gij geen gelukkige ogenblikken doorgebracht, toen uw hart vervuld was met vreugde en instemde met de fluisteringen van Gods Geest? Kunt gij geen aangename bladzijden in uw levensgeschiedenis vinden? Zijn Gods beloften niet gelijk de geurige bloemen, die aan weerszijden van uw pad groeien? Wilt gij niet toelaten, dat haar schoonheid en aangename geur uw hart verblijden zullen? SC 116 1 De braamstruiken en doornen veroorzaken u slechts wonden en zijn een bron van verdriet ; en als gij die alle plukt, en er anderen op wijst, verhindert gij hen dan niet om in het licht te wandelen? SC 116 2 Het is niet verstandig, om al het onaangename -- al de zonden en teleurstellingen -- van het verleden op te rakelen, teneinde daarover te spreken, en er zolang over te treuren, totdat gij geheel en al ontmoedigd zijt. Een neergebogen ziel verkeert in het duister, sluit zich voor Gods licht, en werpt een schaduw op het pad van anderen. SC 116 3 Gode zij lof voor de schone beelden, welke Hij ons te aanschouwen heeft gegeven. Laten wij de zalige verzekeringen Zijner liefde groeperen, opdat wij ze voortdurend mogen bewonderen. Gods Zoon heeft de troon van Zijn Vader verlaten, Zijn Godheid met het aardse bekleed, ten einde het gevallen mensdom van Satans macht te verlossen; door Zijn overwinning is de hemel weder voor het mensdom ontsloten en wordt de mens in de gelegenheid gesteld een blik te werpen in het heiligdom des Heren, waar Zijn glorie onthuld wordt. Het gevallen mensdom wordt uit de kuil opgeheven, waarin het door de zonde gestort was, en weder in aanraking met de oneindige God gebracht, opdat een iegelijk, die de proef van het geloof in onze Verlosser doorstaan heeft, met Christus gerechtigheid bekleed op Zijn troon gezet worde. Ziedaar dingen, die God ons te bewonderen gegeven heeft. SC 116 4 Wij doen de Here oneer aan en bedroeven Zijn Geest, indien wij Zijn liefde en beloften, ook al lijkt dat slechts zo, wantrouwen. Hoe zou een moeder zich gevoelen, indien haar kinderen steeds over haar klaagden, alsof zij hun welzijn niet zocht, daar zij toch deed wat in haar vermogen lag om hun geluk en hun belangen te bevorderen? Het zou haar het hart breken, als zij haar liefde in twijfel trokken. Hoe zou het enig ouder te moede zijn, zulk een behandeling van zijn kinderen te moeten ontvangen? En hoe moet onze hemelse Vader ons dan wel beschouwen, als wij Hem nog steeds wantrouwen, nadat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat wij het leven zullen hebben? De apostel schrijft: "Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?" Rom. 8:32. Desniettemin is er menigeen, die met zijn daden, schoon niet met zijn woorden, zegt: "De Here heeft dat niet voor mij gemeend. Misschien heeft Hij anderen lief, maar mij bemint Hij niet". SC 117 1 Zodoende doet gij uzelf geweld aan, want door ieder woord van twijfel stelt gij u aan Satans verleiding bloot; en de neiging tot ongeloof wordt er door versterkt, zodat de gedienstige engelen zich bedroefd van u afkeren. SC 117 2 Wanneer Satan u met zijn verzoeking belaagt, laat u dan geen enkel woord van twijfel of misnoegen ontglippen. Indien gij de deur voor zijn fluisteringen openstelt, dan zult gij aan het wankelen gebracht worden en spoedig in opstand komen. Geeft gij daarenboven lucht aan uw gevoel, dan zal iedere twijfel niet alleen een terugwerkende invloed op u uitoefenen, maar zijn zaad zal ook ontkiemen en vrucht dragen in het leven van anderen, zodat gij de invloed van uw woorden later wellicht onmogelijk zult kunnen keren. Misschien zult gij wel weder uit de verzoekingen en strikken van Satan verlost worden, doch het is mogelijk, dat de anderen, die door uw invloed verleid zijn, het ongeloof, door u ingegeven, niet ontvlieden kunnen. Hoe belangrijk is het daarom, dat wij slechts over die dingen spreken, waaruit geestelijke kracht en leven kunnen geboren worden. SC 118 1 De engelen luisteren naar het getuigenis, dat gij voor de wereld omtrent uw hemelse Meester aflegt. Laat uw gesprek gaan over Hem, Die leeft en de Vader voor u bidt. Wanneer gij de hand van een uwer vrienden drukt, laat de roem van God in uw hart en op uw lippen liggen. Daardoor zullen uw gedachten tot Jezus worden gevoerd. SC 118 2 Een ieder heeft zijn kruis, zijn zware beproevingen en droefenis. Vertel uw moeilijkheden niet aan uw medemensen, maar breng ze voor God in het gebed. Stel u tot regel nooit enig woord van twijfel of misnoegdheid over de lippen te laten gaan. Door uw woorden van hoop en heilige bemoediging, kunt gij veel bijdragen tot opbeuring en versterking van andere Christenen. SC 118 3 Menige brave ziel wordt zo heftig door de verzoeking aangevallen, dat zij op het punt staat te bezwijken in de strijd tegen het eigen-ik en de macht van de boze. Ontmoedig de zodanige niet in zijn zware strijd. Spreek hem woorden van bemoediging toe, die hem het hoofd zullen doen opheffen. Op deze wijze zal het licht van Christus in u schijnen. "Want niemand onzer leeft voor zichzelf". Rom. 14:7. Wij weten niet, hoe anderen door onze wandel kunnen opgebeurd en versterkt worden; maar ook kunnen zij er door ontmoedigd en van Christus en de waarheid afgeleid worden. SC 119 1 Velen hebben een verkeed begrip van het leven en het karakter van Christus. Zij menen, dat Hij somber en ongevoelig was; dat Hij stuurs, droefgeestig en in Zichzelf gekeerd was. In menig geval draagt het ganse leven van de bekeerde het merk van deze naargeestige opvattin. SC 119 2 Er wordt dikwijls gezegd, dat Jezus weende, doch nooit dat Hij gelachen heeft. Onze Zaligmaker was inderdaad een Man van smarten en verzocht in krankheid, omdat Hij Zijn hart ontsloot voor al de ellenden van het mensdom. Maar hoewel Zijn leven een leven van zelfverloochening was, afgewisseld met zorg en pijn, zo was Zijn geest toch niet bedrukt. In Zijn gelaatstrekken stond geen uitdrukking van smart en ontevredenheid te lezen, maar zij getuigden van een hemelse kalmte. Zijn hrat was een springader des levens; en waarheen Hij kwam bracht Hij rust, vrede en blijdschap mede. SC 119 3 Onze Zaligmaker was uitermate stemming en zeer ernstig, doch nooit stuurs of neersleachtig. En de Hem tot hun voorbeeld nemen, zijn eveneens ernstig gestemd; zij gevoelen hun persoonlijke verantwoordelijkheid ten zeerste. Lichtzinningheid wordt onderdrukt; zij zijn niet luidruchtig in hun vermaak, of belust op ongepaste schertsen; maar de godsdienst van Jezus stort vrede uit als een rivier. Het licht der vreugde wordt er niet door onderdrukt, of de zonneschijn van het gelaat verdreven. Christus kwam niet op aarde om gediend te worden, maar om te dienen; en waar Zijn liefde in het hart troont, daar wordt Zijn voorbeeld gevolgd. SC 120 1 Het is onmogelijk om anderen lief te hebben, gelijkerwijs Christus ons liefgehad heeft, indien wij steeds denken aan de smadelijke bejegening van hen ondervonden; doch als wij de bewonderenswaardige liefde en het medelijden van Christus jegens ons steeds overdenken, dan zullen wij met dezelfde geest jegens anderen bezield zijn. Wij zijn schuldig anderen lief te hebben en te eerbiedigen, niettegenstaande wij fouten en tekortkomingen in hen kunnen zien. Nederigheid en omzichtigheid in ons oordeel moeten gekweekt worden, alsmede geduld oefenen met de fouten van anderen. Daardoor wordt de benepen zelfzucht uitgeroeid en nemen wij toe in goedhartigheid en edelmoedigheid. SC 120 2 De Psalmist zegt: "Vertrouw op de Here en doe het goede, woon in het land en betracht getrouwheid". Ps. 37:3. Vertrouw op de Here. Elke dag brengt zijn lasten, zijn zorgen en moeilijkheden mede; en hoe gereed zijn wij om daarover te spreken, wanneer wij te zamen komen! Zo vele onszelf op de hals gehaalde zorgen, zoveel vrees, waaraan toegegeven is, zulk een zware last van moeite worden uitgestald, dat iemand werkelijk zou gaan veronderstellen, dat wij geen medelijdende, liefhebbende Zaligmaker hadden. Die gereed is om naar al onze smeekbeden te luisteren, geen Heiland, Die krachtelijk bevonden is ons een Hulp in benauwdheid te zijn. SC 120 3 Sommigen verkeren steeds in vrees en halen zich moeite op de hals. Dag aan dag zijn zij met de blijken van Gods liefde omringd; iedere stonde genieten zij de overvloed, waarin Zijn voorzienigheid voorziet; doch zij zien de zegeningen van het heden over het hoofd. Hun gedachten gaan steeds over de onaangename dingen, welke zij verwachten, of een kleine moeilijkheid houdt hen blind voor de vele dingen, waarvoor zij dankbaar behoorden te zijn. In plaats dat hun moeilijkheden hen tot de Bron van hun hulp drijven, brengen ze scheiding van Hem. SC 121 1 Varen wij dus wel bij onze ongelovigheid? Waarom toch zo ondankbaar en twijfelachtig? Jezus is onze Vriend; de ganse hemel stelt belang in ons welzijn. De moeilijkheden en de zorgen van het dagelijkse leven behoorden derhalve geen schaduw op ons pad te werpen. Wij mogen geen bezorgdheid hebben, die ons steeds van de wijs brengt, en niets bijdraagt tot het verlichten van de lasten van anderen. SC 121 2 Indien de zaken u tegenlopen, indien uw vooruitzicht steeds duisterder en gij met verlies bedreigd wordt, laat u zelf dan niet ontmoedigen, maar wentel uw bekommernissen op de Here, en blijf kalm goedsmoeds. Bid om wijsheid, opdat gij uw zaken met voorzichtigheid besturen moogt, en alzo verlies en onheil voorkomen worden. Doe al wat in uw ver¬mogen ligt om een gunstige wending teweeg te brengen. Jezus heeft ons Zijn hulp beloofd, doch niet zonder onze medewerking. En als gij, u op de hulp van onze Helper verlatende, gedaan hebt wat in uw vermogen lag, wacht de uitkomst dan goedsmoeds af. SC 121 3 God wil niet, dat Zijn volk onder zorgen gebukt zal gaan. Hij misleidt ons echter niet: Hij zegt niet tot ons: "Weest maar niet bevreesd, want er doen zich geen gevaren voor op uw pad". Hij weet, dat er gevaren en beproevingen zijn, en Hij handelt met ons op een openhartige wijze. Het is niet Zijn plan om Zijn volk uit deze zondige en boze wereld te nemen, maar Hij wijst hun een schuilplaats aan. Hij bad voor Zijn discipelen: "Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze". "In de wereld", zeide Hij voorts, "lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen". Joh. 17:15, 16:33. SC 122 1 In de Bergrede heeft Christus Zijn discipelen een goede les over de noodzakelijkheid van het vertrouwen op God gegeven. Deze les dient om Zijn volk, al de eeuwen door, te bemoedigen; uit dien hoofde ligt er onderwijs en troost voor ons in. De Zaligmaker wees Zijn volgelingen naar de vogelen des hemels, die hun dankliederen zingen zonder bezorgd te zijn, schoon zij zaaien noch maaien. Desniettemin voorziet de hemelse Vader in hun behoeften. En nu vraagt de Zaligmaker: "Gaat gij ze niet verre te boven?" Matth. 6:26. De grote Verzorger van mens en dier doet Zijn hand open, en voorziet al Zijn schepselen. De vogelen des Hemels worden niet door Hem over het hoofd gezien. Hij legt hun het voedsel niet in de snavel, maar Hij voorziet toch in hun behoeften. Zij moeten het graan vergaderen, dat Hij voor hen gezaaid heeft. Zij moeten de bouwstoffen voor hun nesten gereed maken. Zij moeten hun jongen voeden. Zij gaan zingende naar het werk: "want uw hemelse Vader voedt ze". En "gaat gij deze niet verre te boven?"Gaat gij, met verstand begaafde en geestelijke aanbidders, de vogelen des hemels niet verre te boven? Zal onze Schepper, onze Onderhouder, zal Hij, Die ons naar Zijn evenbeeld geschapen heeft, niet in al onze nooddruft voorzien, als wij ons vertrouwen op Hem stellen? SC 123 1 Christus wees Zijn discipelen op de bloemen des velds, die daar in al de heerlijkheid staan te prijken, waarmede de hemelse Vader haar bekleed heeft, als een blijk van Zijn liefde tot de mens. Hij zeide: "Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen". De eenvoud en de schoonheid der wilde bloemen overtreffen de heerlijkheid, waarmede Salomo zich bekleedde. De prachtigste klederen, door de bekwaamheid der kunst vervaardigd, kunnen niet vergeleken worden met de bevalligheid en natuurlijke schooneheid der bloemen van Gods scheppoing. Jezus vraagt: "Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?" Matth. 6:30. Indien de Goddelijke Kunstenaar de bloemen des velds, die slechts voor een ankele dag met zo'n grote verscheidenheid van kleuren staan te prijken, alzo versiert, hoe veel te meer zal Hij zorg dragen voor hen, die naar Zijn evenbeeld geschapen zijn. Hierin ligt een bestraffing opgesloten voor het ongelovige hart, dat onnodig allerlei zorgen en moeilijkheden voor zichzelf schept. SC 123 2 De Here verlangt blijdschap vrede en gehoorzaam heid van al Zijn zonen en dichteren. Jezus heeft gezegd: "Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd of versaagd". "Dit hrb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde". Joh. 14:27; 15:11. SC 123 3 Het geluk, dat uit zelfzuchtige bedoelingen wordt nagejaagd, en niet op de weg van plicht gevonden wordt, is wispelturig en vergamkelijk; en nadat het de vlucht genomen heeft, gevoelt men zich eenzaam en bedroefd, maar er is een vreugde en voldoening in de dienst van God, die bestendig is. De Christen behoeft geen onzekere paden te bewandelen; hij wordt niet aan berouw of teleurstellingen prijsgegeven. Indien het genot van dit leven ons niet ten deel valt, zo kunnen wij toch vol hoop voorwaarts zien naar het geluk van het toekomstige leven. SC 124 1 Doch zelfs in dit leven kunnen de Christenen vreugde in de omgang met Christus genieten; in het licht Zijner liefde en de voortdurende vertroosting Zijner tegenwoordigheid mogen zij zich verheugen. Iedere schrede op de levensweg kan ons dichter tot Christus brengen, meer van Zijn liefde doen ervaren, en ons nader brengen tot het gelukzalig oord des vredes. Laten wij onze vrijmoedigheid dan niet afleggen, maar in de volle verzekerdheid des geloofs voorwaarts gaan. "Tot hiertoe heeft ons de Here geholpen", 1 Sam. 7:12 en Hij zal ons ten einde toe bijstaan. Laten wij het oog op de gedenkzuilen gevestigd houden, die ons herinneren aan wat de Here gedaan heeft om ons te troosten en te redden uit des verdervers handen. Laten wij de goedertierenheden des Heren voortdurend vers in ons geheugen houden, denkende aan de tranen, die Hij gedroogd en de pijnen die Hij gestild heeft, de bezorgdheid en de vrees, die door Hem zijn weggenomen, de nooddruft, waarin Hij voorzien en de zegeningen welke Hij uitgegoten heeft, opdat wij gesterkt mogen worden voor de reis, die nog voor ons ligt. SC 124 2 Gelet op de strijd, die ons te wachten staat, kunnen wij niet anders dan moeilijkheden verwachten doch èn op het verleden èn op de toekomst ziende, mogen wij zeggen: "Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen". "Uw sterkte moge zijn als uw levensduur". Deut. 33:25. De beproeving, welke wij te verduren hebben, zal de verleende kracht niet te boven gaan. Laten wij ons werk dan opvatten, waar wij het vin-den, gelovende, dat, wat komen moge, onze kracht in verhouding tot de beproeving zal wezen. SC 125 1 En straks zullen de poorten des hemels voor Gods volk ontsloten worden, om hen binnen te laten; alsdan zal van de lippen van de Koning der heerlijkheid gehoord worden wat als strelende muziek ons in de oren zal klinken: "Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af". Matth. 25:34. SC 125 2 Dan zullen de verlosten verwelkomd worden in het huis, waarheen Jezus gegaan is om ons plaats te bereiden. De rechtvaardigen zullen daar niet meer samenwonen met de bozen der aarde, de leugenaars, de afgodendienaars, de onkuisen en de ongelovigen; maar hun metgezellen zullen zijn al degenen, die Satan volkomen overmochten en door de Goddelijke genade hun karakters volmaakt hebben. Elke zondige neiging, elke onvolmaaktheid, die hen nu nog aankleeft, is dan door Jezus' bloed afgewassen; alsdan is hun medegedeeld de voortreffelijkheid en de glans Zijner heerlijkheid, die de glans der zon verre overtreft. Doch de zedelijke schoonheid, de volmaaktheid van het karakter, welke in hen zal uitblinken, zal de uitwendige schoonheid oneindig overtreffen. Zij staan vlekkeloos voor de grote witte troon, deelgenoten van de voorrechten en de rang der engelen. SC 125 3 Gelet op de heerlijke erfenis, welke voor Gods volk weggelegd is, mag iemand wel vragen: "Wat zal een mens geven in ruil voor zijn ziel?" Matth. 16:26. Al is de Christen arm, toch bezit hij een rijkdom en een waardigheid, welke de wereld hem niet schenken kan. Het heil van de verloste en van de zonde vrijgemaakte, wiens edele geestvermogens aan de dienst van God gewijd zijn, kan niet geschat worden; daarom is er blijdschap in de hemel onder de engelen, die hun heilige triomfliederen aanheffen, wanneer één ziel zich bekeert.